[Inhoud]

Het gevaar tegemoet.

Wat dit laatste aangaat zou Raffles zich deerlijk blijken te vergissen.

Want in den middag van den volgenden dag brachten alle bladen het bericht dat de politie de zes personen, die, deels gewond en gekneveld en gebonden in het eenzame landhuis waren aangetroffen, weder in vrijheid had gesteld.

Toen Charly des middags in de fraaie bibliotheek van het heerenhuis in de Regent-Street het bericht aan Raffles had voorgelezen, slaakte hij een kreet van woede, en riep:

„Ik heb mij dus vergist—de politie schijnt dus wel degelijk stapelgek te zijn!”

Maar Raffles haalde de schouders op, en zeide, een versche sigaret opstekend:

„Het is niet zoo verwonderlijk, Charly! Met welk recht had de politie hen eigenlijk in arrest mogen houden? Welke overtreding hebben zij begaan?”

„Welke overtreding?” schreeuwde Charly. „Maar voor den duivel—is het dan geen overtreding, dat ze jou hebben willen doodmartelen om je je geheimen te ontpersen?”

„Het is zelfs een vrij ernstige overtreding zou ik zeggen,” hernam Raffles met een flauwen glimlach, „maar wie bewijst het? Het is immers niet voldoende als het slachtoffer het zelf verklaart! Waar bleef dan de persoonlijke zekerheid? Iedereen kan zoo iets wel zeggen! Heb ik mij zelf persoonlijk bij de politie aangemeld? Is het denkbaar, dat ik mij nu naar Scotland Yard begeef en tegen den hoofdinspecteur Baxter zeg: „Ik ben John Raffles, ik ben de man die in den afgeloopen nacht in het eenzame landhuis van Stanley in zijn macht ben geweest, en door hem op de folterbank ben gespannen.” Hij zou natuurlijk beginnen met mij voor een ontsnapten krankzinnige aan te zien, maar als ik bleef volhouden dat ik inderdaad Raffles was, dan zou hij mij natuurlijk gevangen houden—en als ik eenmaal gevangen ben, zou het niet zoolang duren, of men zou ontdekt hebben, dat ik inderdaad de Groote Onbekende ben! Maar zelfs dan nog zou Baxter reden hebben om te kunnen twijfelen aan wat ik hem mededeelde!”

Charly stampte met den voet, en beet zich op de lippen—maar hij moest wel erkennen, dat er veel waars school in hetgeen Raffles zooeven gezegd had.

„Wat hebben zij eigenlijk aangevoerd?” vroeg de Gentleman-Inbreker, den sigarettenrook uit zijn neus blazend, en gemakkelijk achterover leunend in zijn clubfauteuil.

„Wel, zij hebben stijf en sterk volgehouden, dat zij het slachtoffer zijn van een laaghartige aanranding of een laffe grap! Het landhuis blijkt toe te behooren aan een van die kerels, die zeide, dat vijf anderen bij hem op bezoek waren, en dat zij rustig praatten met elkander, toen plotseling een tiental kerels, gemaskerd en met de revolver in de vuist, het vertrek binnendrongen, en hen in een ommezien bonden en knevelden!”

„En wat zou die overval voor doel hebben gehad?”

„Het heette dat een hunner er in geslaagd was, zijn arm wat los te maken en zijn revolver te grijpen, en met een paar schoten de bende op de vlucht had gejaagd. Uit wraak zou de aanvoerder der bandieten daarop zich voor John Raffles hebben uitgegeven en de politie hebben opgebeld.”

Raffles schudde glimlachend het hoofd, en zeide toen op spottenden toon:

„Het klinkt alles zeer romantisch, en als ik commissaris van politie was geweest, dan had ik niet zoo voetstoots genoegen genomen met deze verklaring! Ik denk echter, dat alle zes onze gevangenen te goeder naam en faam bekend stonden?”

„Dat is het! Zij behooren tot de hoogere kringen! Er is een geneesheer bij, een student in de rechtsgeleerdheid! Notabene!—een ingenieur, en dan nog een paar rijke leegloopers, zeer bekend op de renbaan, en achter de schermen van de variétés!”

„Nu, dat is voor de politie natuurlijk voldoende geweest, om hun woord te gelooven en mijn telefonische boodschap voor kennisgeving aan te nemen! Intusschen is dat in zooverre een streep [6]door onze rekening dat wij nu de zes vijanden, die wij reeds onschadelijk gemaakt hadden, te gelegenertijd opnieuw op ons dak krijgen! En hoe staat het met de acht kerels, die de dappere Stanley op jou en Henderson had afgezonden, om jelui het levenslicht uit te blazen?”

Charly sloeg het blad weder open, las gedurende eenigen tijd, en antwoordde toen:

„Scotland Yard is tenminste zoo verstandig geweest, om die bandieten in verzekerde bewaring te stellen! Het blijkt dat juist de helft nog een appeltje te schillen heeft met vrouwe Justitia! En daarvan heeft één nog twaalf jaren te goed, de tweede vier, en de twee andere ieder ander half jaar!”

„En daar de politie wel begrepen zal hebben, dat die kerels over een kam geschoren moesten worden, heeft zij ze allen gevangen gezet!” riep Raffles uit. „Nu, dat is althans weer zooveel op den vijand gewonnen! Zeiden zij niets tot hun verdediging?”

„O, zij kwamen maar een weinig inbreken! zeiden zij!” kwam Charly. „Maar intusschen waren zij toch maar voorzien van revolvers, dolken, maskers, chloroform, en de vier boeven binnenshuis van een hermetisch gesloten bus, gevuld met bedwelmend gas, dat zij in onze kamer hadden willen spuiten!”

„En zeide een hunner iets omtrent Stanley?”

„Niemand!”

„Dat had ik wel gedacht. Ik zeide wel—zij koesteren een doodelijke vrees voor den bloedraad! Intusschen zijn wij weer even ver als te voren, en er zal niets aan te doen zijn, Charly, ik zal zelf handelend moeten optreden!”

„Maar hoe kun je dat doen, Edward? Je weet niet waar hij is, die Stanley, want het valt natuurlijk niet aan te nemen, dat hij nogmaals den moed zal hebben, zijn eigen huis in de Kappel-Street te betrekken!”

„Daar vergis je je—hij is er!” hernam Raffles kalm.

„Wat?” riep Charly op ongeloovigen toon. „Ben je daar zeker van?”

„Volkomen zeker! Ik kwam vanmorgen toevallig met mijn paard door de Kappel-Street en ik zag den bandiet juist kalm uit zijn auto stappen, en zijn huis binnentreden zonder eenige overhaasting, en blijkbaar volstrekt niet van zins het direct te verlaten.”

„Dat is—dat is wel het toppunt van onbeschaamdheid!” riep Charly woedend uit.

„Waarom eigenlijk? Nu de politie hem eenmaal met veel verontschuldigingen wegens de „fatale vergissing” heeft laten gaan, en nu de bladen het bericht hebben gebracht, dat zijn medeplichtigen hebben gezwegen, bestaat er voor hem volstrekt geen reden, zijn gewone leven niet te hervatten!”

Charly keek een oogenblik strak voor zich uit, trad toen op Raffles toe, legde hem de hand op zijn schouder, en zeide:

„Luister eens, Edward, ik heb een heel goed plan! Wij dringen met zijn drieën des nachts de woning van dien schurk binnen. Er zal in zijn huis wel ergens een flinke haak en een stevig stuk touw wezen—en met het laatste hangen wij hem aan de eerste op!”

„Een prachtig plan, Charly, en dat ook reeds bij mij had post gevat!” hernam Raffles.

„Uitstekend! Laten wij het dan dadelijk ten uitvoer brengen!” riep Charly opgewonden uit.

„Laat mij uitspreken, mijn waarde!” hernam Raffles, terwijl hij de hand ophief. „Ik zal namelijk zoo vrij zijn, je plan in zooverre te amendeeren, dat ik alleen zal gaan, en dat ik ook niet van een touw gebruik zal maken, maar dat ik den man die mij naar het leven staat, een eerlijke kans geven wil, het zijne te verdedigen.”

„Een tweegevecht dus?” riep Charly op verwijtenden toon.

„Je hebt het geraden!”

„Maar Edward! Dat is krankzinnigheid!” riep Charly wanhopend. „Laat je je in met een hyena, met een tijger in een tweegevecht? Neen immers—zulke verscheurende dieren schiet je neer zonder te waarschuwen!”

„Kom, kom, Charly—je meent immers zelf niet wat je zegt!” hernam Raffles, terwijl hij glimlachte. „Je bent nu driftig, en daarom zeg je dingen die je niet kunt verantwoorden! Sluipmoord is onder alle omstandigheden een gruweldaad, laf, en dien geen enkel gentleman ooit zal begaan. Ik wil tegenover dien man staan met gelijke wapens!”

„Dat zult je nooit, Edward! Hij is een sluwe baas, bedenk dat!” riep Charly uit. „Hij is een verraderlijk man, en hij zal het wel zoo weten aan te leggen, dat je niet levend zijn huis verlaat!” [7]

Maar Raffles haalde de schouders op, en zeide op denzelfden rustigen toon:

„Ik zal mijn maatregelen nemen! Ik wil niet—versta je me?—ik wil niet dat men later kan zeggen, dat Raffles verraderlijk den man heeft neergeschoten die zijn doodsvijand was! Men mag mij een dief noemen—nooit zal men mij sluipmoordenaar mogen heeten! Ik wil er niet meer over hooren, Charly! Ik zal nog een paar dagen wachten, tot mijn wonde genezen is, die mij nu nog een weinig belemmert in mijn bewegingen—en dan zullen wij zien of er nog een rechtvaardigheid bestaat! Ik zal hem laten kiezen tusschen de revolver en den degen!”

„En als hij weigert met je te duelleeren?”

„Als er nog een sprankje eergevoel in hem is, dan zal hij niet weigeren!”

„Maar denk je zoo gemakkelijk zijn huis binnen te komen? De bedienden zullen je niet eens toelaten!”

„De bedienden? Wat heb ik met hen te maken? Denk je dan soms dat ik voornemens ben, overdag het huis in te gaan?”

„Wat was dan je doel?”

„Wel, natuurlijk wil ik hem des nachts overrompelen! Ik wil wel met den man duelleeren, maar ik wil niet mij om zijnentwille bloot stellen aan het gevaar dat zijn bedienden te hulp zullen komen en mij aan de politie over zullen leveren!”

Charly schudde afkeurend het hoofd en hernam:

„Des nachts zul je er in ’t geheel niet kunnen binnen dringen, Edward!”

„Ei? en hoe is het ons dan een paar nachten geleden gelukt, de microfoon tot in het plafond van zijn werkkamer aan te brengen?”

„Dat was heel iets anders! Het vertrek boven zijn werkkamer werd nooit of zeer zelden gebruikt! Je zult nu zijn slaapkamer moeten binnendringen—en die zal wel beter verdedigd zijn dan een vesting!”

„Al was het de Tower—ik zal er binnenkomen!” hernam Raffles op grimmigen toon. „Van dit oogenblik laat ik den man niet meer uit het oog, want ik ben overtuigd, dat hij onmogelijk zooveel voorzorgsmaatregelen kan nemen, want hij moet tegenover zijn bedienden toch altijd de brave, eerwaardige zaakwaarnemer blijven en waarom zou die zijn slaapkamer van geheime voetangels en klemmen voorzien? Zeker, er kan een alarmsein zijn, hij kan zijn deuren grendelen—maar sinds wanneer zijn dergelijke hinderpalen voor John Raffles een beletsel geweest?”

„Ik zie al,” zeide Charly zuchtend, „je plan staat vast—ik behoef natuurlijk geen moeite te doen, je er van af te brengen!”

„Zij zou slechts verloren zijn, Charly!” antwoordde Raffles glimlachend. „Stanley heeft mijn dood gezworen—en als ieder ander mensch heb ik het recht om mijn leven te strijden, maar ik wil het doen als een eerlijk man, en niet als een schelm! En daarbij blijft het!”

In den loop van den dag ging Raffles verscheidene malen uit, nu eens in deze, dan weder in gene vermomming, maar hij liet weinig los over het doel zijner tochten, ofschoon Charly wel begreep, dat die in verband moesten staan met zijn voorgenomen plan.

Laat in den avond sloot Raffles zich een uur in zijn werkkamer op, en schreef daar een aantal brieven, die hij op een klein stapeltje op den rand van zijn schrijftafel legde, en toen bedekte met een blad papier, waarop hij met krachtige loopende hand geschreven had:

„Alleen verzenden in geval ik heden om twaalf uur in den middag niet zal zijn teruggekeerd.”

Het was omstreeks half twaalf toen hij dit werk beëindigd had.

Hij stond op, rekte zich uit, en trad toe op een fraai gebeeldhouwde kast van zwaar ebbenhout, die zijn jachtgeweren en eenige wapens bevatte.

Hij nam er twee duelleerdegens uit, mat ze zorgvuldig, bevond dat ze beide juist even lang waren, en wikkelde de klingen in een zijden lap.

Vervolgens nam hij een pistolenkistje van een plank, opende het, keek beide pistolen zorgvuldig na, en laadde de twee loopen van de beide wapens, waarop hij ze weder in de doos legde, en deze sloot.

Hij nam de degens en het kistje onder den arm, verliet de werkkamer, na op den drempel nog even te hebben rondgekeken, en wendde toen zijn schreden naar de rookkamer, waar hij Charly op dit uur wist te vinden.

Hij trad het vertrek binnen, en dadelijk sprong Charly op, die in een sporttijdschrift had zitten lezen, om hem tegemoet te treden.

Maar hij deinsde verbleekt dadelijk eenige schreden terug, toen hij zag wat Raffles bij zich droeg.

„Je bent dus voornemens.…” begon hij. [8]

„Ja, Charly. Het zal voor vannacht zijn!”

„Maar je was voornemens eerst je wonde te laten genezen!” riep Charly uit.

Raffles haalde evenwel de schouders op en antwoordde:

„Het schrijnt nog slechts een weinig—en zeker niet voldoende om mij te beletten naar behooren mijn degen te voeren!”

„Maar laat mij je tenminste vergezellen!” drong Charly aan.

„Dat is volkomen overbodig, en het zou ook niet eerlijk zijn!” hernam Raffles. „Ik tref daar Stanley alleen en ongewapend in zijn huis aan—het is dus niet meer dan billijk, dat ik mij in dezelfde omstandigheden bevind! En wie kan zeggen dat je je niet door drift laat meesleepen, en den kerel neerschiet!”

„Dat laatste bezwaar snijdt tenminste hout!” gromde Charly! „Ik geloof niet dat ik mijzelf daartoe in staat zou achten, hem niet direct als een dollen hond neer te schieten, zoodra ik hem in ’t oog zou krijgen! Ik ben er van overtuigd, dat ik mij zelf daar geen grein minder om zou achten—integendeel! Ik zou het gevoel hebben, alsof ik de menschheid bevrijd had van een bloeddorstig monster, dat al veel eerder opgeruimd had moeten worden.”

Raffles glimlachte, en hernam nu, terwijl hij Charly krachtig de hand drukte:

„Wij zullen er liefst zoo weinig mogelijk over spreken, maar—natuurlijk moet ik rekening houden met de mogelijkheid, dat ik het onderspit moet delven. In dat geval kun je alles ten uitvoer brengen, wat ik je reeds lang geleden had opgedragen—je vindt de brieven op den rand van mijn lessenaar!”

„En je bent dus werkelijk bereid, Raffles, je leven in den waagschaal te leggen ter wille van een nietswaardigen schurk?” hernam Charly bijna woest. „Wat moet er van mij terecht komen, wanneer dat vreeselijke inderdaad zou geschieden! Zonder jou ben ik niets, een speelbal van dit leven!”

„Zeg dat niet, Charly!” hernam Raffles ernstig. „Jij zult mijn werk voortzetten—zoolang dat mogelijk mocht zijn! Iets zegt mij dat mijn werk, binnen een niet al te langen tijd overbodig wordt. Dan komt de tijd, waarop iedereen zal hebben waarop hij als mensch recht heeft, en dat men geen waanzinnige overdaad zal vinden naast schrikbare armoede. En nu niet langer hierover gesproken, geef mij de hand, ik ben zeker, dat mijn uur nog niet gekomen is.”

Bleek van aandoening stak Charly den eenigen man, dien hij ooit als zijn waren vriend beschouwd had, de hand toe, en zijn stem had een doffen klank gekregen, toen hij zeide:

„Tot ziens, Edward! Keer spoedig terug, en breng mij dan de tijding, dat die ellendeling zijn verdiende loon heeft ontvangen, en dat jij het was, die hem bestraft heeft!”

Een oogenblik later had Raffles, de wapens verbergend onder zijn langen mantel, het huis verlaten.

Henderson, de trouwe chauffeur, had van tevoren telefonisch zijn instructies gekregen, en de auto wachtte dan ook op eenigen afstand.

Raffles overtuigde zich er van, dat hij niet bespied werd, en daarna richtte hij zich tot den reus, die onbewegelijk achter het stuurwiel zat, en zeide op zachten toon:

„Rijd mij tot aan het begin der Kappel-Street, James, en blijf daar op mijn terugkomst wachten—tot drie uur in den ochtend! Ben ik dan nog niet teruggekeerd, dan rijdt je dadelijk weder naar het huis in de Regent-Street terug.”

De reus knikte.

Raffles stapte in de groote auto, welke zich in beweging zette.

En op dat oogenblik wist de Groote Onbekende, dat hij een der allergevaarlijkste avonturen van zijn geheele leven tegemoet ging. [9]