Na een rit van ongeveer vijf kwartier stond de auto stil aan het begin van de Kappel-Street, waar zich het huis bevond van den man, die sedert eenige maanden het bevel voerde over het Genootschap van den Gouden Sleutel, welks drie voorgaande leiders door Raffles ten ondergang waren gebracht.
Het was juist één uur in den nacht.
Raffles stapte uit, de degens onder den arm geklemd, evenals het pistolenkistje.
Hij deed het portier zachtjes dicht, en wendde zich tot Henderson met de woorden:
„Je hebt het goed onthouden? Je wacht tot drie uur, en als ik dan nog niet terug ben, keer je aanstonds in het huis van de Regent-Street terug.”
Henderson wierp een zwijgenden blik op de voorwerpen, welke hij maar al te goed kende, al waren ze ook omwikkeld, en mompelde iets, hetwelk voor een toestemmend antwoord kon doorgaan.
Raffles scheen een oogenblik te twijfelen, greep toen de hand van den chauffeur, drukte die met kracht, en zeide:
„Tot ziens, trouwe metgezel!”
Het volgende oogenblik was Raffles in een tamelijk duistere zijstraat verdwenen.
En zoo hoorde hij niet, dat Henderson, terwijl hij hem nakeek, voor zich heen bromde:
„Hij denkt misschien dat ik niet weet, waarheen hij zich nu begeeft! Hij gelooft misschien dat het mij onbekend is, dat in deze zelfde straat zijn doodsvijand woont, en dat ik geen oogen in het hoofd heb, en niet zien kon, dat hij duelleerdegens bij zich heeft! Wat een man! Ieder ander zou in zijn plaats eenvoudig zijn pistool meegenomen hebben, en den schoelje hebben neergelegd, bij de eerste gelegenheid de beste! Nu, ik weet wel wie om drie uur van den nacht, als Lord William Aberdeen dan nog niet terug mocht zijn, niet naar de Regent-Street terug rijdt, maar iets anders doet!”
Raffles had intusschen zijn weg haastig voortgezet.
Hij had de zijstraat spoedig weer verlaten, en volgde nu een breede laan, die evenwijdig liep met de Kappel-Street.
Ongeveer een halve kilometer verder sloeg hij een andere zijstraat in, die hem naar de laatstgenoemde straat moest terug brengen, maar hij liep haar niet geheel ten einde, en hield stil aan den voet van een vrij hoogen muur, die een binnenplaats afsloot, welke behoorde bij een fabriek, welke zich verhief op den hoek der beide straten.
Het was juist dezelfde plek, waar Raffles en Charly slechts weinige dagen geleden hun gevaarlijken tocht naar het huis van Stanley waren begonnen, dwars over de daken heen.
Dit was toen zeer goed gegaan, en Raffles was dan ook van zins, wanneer zich geen onvoorziene voordeden, denzelfden weg nogmaals te ondernemen.
Hij stond eenige oogenblikken stil en luisterde.
Niets liet zich evenwel hooren, uitgezonderd de eentonige voetstappen der patrouilleerende politieagenten.
Men bevond zich hier in een deftige buurt, waar geen omnibuslijn doorliep, noch die van een tram, en waar ook des daags zeer weinig verkeer was.
En deze omstandigheid was voor Raffles zeer gunstig, want hij zou genoodzaakt zijn, wederom gebruik te maken van de vijf of zes brandtrappen, die tegen den blinden muur van de fabriek bevestigd waren, en met vijf portalen toegang gaven tot het inwendige van het groote gebouw.
Het was nu allereerst zaak, over den muur te klauteren, maar deze steenen konden voor een man als Raffles geen beletsel wezen.
Hij begon de degens en het kistje met de pistolen door middel van een paar riemen zoodanig op zijn rug te bevestigen, dat de voorwerpen hem in zijn beweging niet konden hinderen, en hij beide armen vrij had.
Vervolgens haalde hij van onder zijn mantel een stalen voorwerp te voorschijn, dat wel eenigszins [10]geleek op een der drie pooten van een camerastatief welke men gemakkelijk ineen kon schuiven, en die, eenmaal uit elkander getrokken zijnde, met behulp van een zoogenaamde bajonetsluiting onwrikbaar wordt vastgezet.
Hij plaatste deze stalen steun, na het met een dun koordje aan zijn pols te hebben bevestigd, met het eene, puntige einde tusschen de steenen, zette zijn voet op den kruk, die nu tegen den muur rustte en kon nu den bovenkant van den muur bereiken, waar hij nu met de behendigheid van een acrobaat bovenop klom en liet zich aan den anderen kant van den muur vallen.
De geheele overklimming had nauwelijks twee minuten geduurd.
Volgens zijn trouwe gewoonte wachtte Raffles even, teneinde er zich van te overtuigen, dat de overklimming onopgemerkt had plaats gehad, en daarop richtte hij zijn schreden naar de onderste brandladder.
Gelukkig was de nacht zeer donker, en daar Raffles zijn rok aan had, en daarover een donkeren mantel geworpen had, zou hij zeker niet zoo spoedig gezien worden.
Vlug als een haas, en zonder meer gerucht te maken dan zulk een knaagdier zou veroorzaken, besteeg hij de brandtrappen.
Na de tweede kon hij zijn vaart reeds matigen, want op dien afstand kon men hem zeker niet zoo spoedig zien.
Nu en dan een blik naar beneden werpend, om zich te overtuigen dat men hem niet had opgemerkt, besteeg hij ook de overige treden, totdat hij ten slotte op het platte dak van de fabriek stond.
Hij verloor geen tijd, maar trok zich aanstonds zoover terug, dat men hem nu van de straat af onmogelijk meer zou kunnen zien.
Hij maakte hier het stalen klimtoestel van zijn polsen los, schoof het ineen en liet het in een zak glijden.
Vervolgens begon hij, langzaam en voorzichtig het dak van de fabriek in zijn volle breedte te oversteken.
Hij moest nu nog twee huizen passeeren, en daarop kreeg hij het eenigszins lager liggende dak van het huis van Stanley in het oog.
Langzaam en zonder gerucht sloop hij naderbij.
Zijn oogen, die ook in de duisternis zijn scherpte niet verloren, keken aandachtig rond, en bijna een kwartier bleef hij op dezelfde plek staan.
Toen liet hij een kort zacht lachje hooren en mompelde voor zich heen:
„Zooiets had ik wel verwacht—Stanley heeft de noodige maatregelen genomen.”
Zooeven had Raffles, op nauwelijks een paar voeten afstands een grijs geschilderden dunnen draad ontwaard, die over de geheele lengte van het voor hem liggende dak liep, en die zoodanig was aangebracht, dat iedereen die geen scherpen blik had, er onvermijdelijk met eenig deel van zijn lichaam aan moest raken, bij iedere poging om van het aangrenzende dak op dat van Stanley te komen.
„Ik vermoed, dat de minste aanraking van dien draad, al wordt hij niet eens opgemerkt, door den man die hem bewerkstelligt, daar beneden ergens een alarmsein doet overgaan! Nu, van deze veiligheidsinrichting zal Stanley in ieder geval geen pleizier hebben!” mompelde John Raffles.
En hij stapte behoedzaam over den verraderlijken draad heen, en zette zijn weg over het dak voort, totdat hij dezelfde plek bereikte, waar Charly en hij eenige dagen te voren waren binnen gedrongen.
Weer luisterde hij aandachtig, maar niet het minste gerucht deed zich hooren—het was wel zeker dat men daar beneden in diepe rust verzonken en zich van geen gevaar bewust was.
Raffles kroop omzichtig tot vlak bij den rand van het dak, en boog zich er voorzichtig over heen.
Hij kon bijna de heele Kappel-Street afzien, en heel in de verte zag hij een paar rijtuigen passeeren.
Zijn blik zocht even zijn eigen auto, maar hij kon het voertuig niet vinden, waarschijnlijk had Henderson voorzichtigheidshalve den wagen in een zijstraat geplaatst.
Raffles richtte zich weer een weinig op, en wikkelde nu een korte touwladder van zijde gevlochten en zeer licht en sterk, van zijn middel los.
De ladder, waarvan de sporten bestonden uit dunne, maar zeer sterke stalen pijpjes, was nauwelijks twee en een halve meter lang, en aan het uiteinde voorzien van een sterken stalen haak.
Raffles bevestigde dien haak aan den ijzeren steunstang van een schoorsteen, na zijn sterkte te hebben beproefd, en daalde een paar sporten omlaag.
Zooals hij wel verwacht had vond hij het zolderraam gesloten, en daar hij vreesde, dat ook hier een [11]of ander alarmsein zou zijn aangebracht, bleef er niets anders over dan een der ruiten uit te snijden.
Terwijl hij zich met de linkerhand vasthield, sneed hij met een scherp, eigenaardig gevormd mes in een ommezien de stopverf rondom een der ruiten weg, drukte in het midden daarvan een krachtigen zuiger van gummi, en kon aan dit handvat gemakkelijk de ruit uit de sponning lichten.
Hij deed dit slechts voor zoover dit noodig was, om de ruit door de opening naar binnen te steken, waarna hij haar voorzichtig tegen den muur plaatste.
En terwijl hij daarbij het hoofd naar binnen stak, zag hij aanstonds dat zijn voorzorgmaatregelen niet overbodig waren geweest—aan weerszijden van het raam liep een draad van een alarmtoestel, en bij de minste poging om een van de beide helften van het raam te openen, zou Stanley zeker gewaarschuwd geworden zijn.
„Dat is nummer twee!” bromde Raffles zachtjes voor zich heen. „Tot dusverre heeft de man weinig succes van zijn trucs!”
Raffles zette zijn voet op de vensterbank, en werkte zich door de nauwe opening, door het uitsnijden van den ruit verkregen.
Hij bevond zich thans op den zolder, en daar hij den weg hier reeds kende, behoefde hij niet te zoeken, waar zich de plek bevond van de trap die naar beneden voerde.
Met de grootste behoedzaamheid, en na zijn zaklantaarn te hebben doen ontgloeien, maar ze zoo sterk te hebben getemperd, dat zij slechts een zwak schijnsel verspreidde, nauwelijks zoo sterk als dat van een kaars, zette Raffles zijn tocht voort.
En hij had goed gedaan langzaam te loopen, en licht te maken, want ten derde male, ditmaal vlak voor de trap zag hij een draad, op ongeveer een voethoogte van den grond, dwars voor de trap gespannen.
„Nu, men kan niet zeggen, dat Stanley over één nacht ijs gaat! Het is duidelijk dat hij bevreesd is geworden! En dezen keer werkte de veiligheidsdraad dubbel,—de draad doet niet alleen dienst om een alarmschel te doen over laten gaan in zijn kamer, maar men kan er ook zijn hals over breken! Het mes snijdt dus aan twee kanten! Nu, ik hoop, dat dit de laatste hinderpaal van dien aard op mijn weg zal zijn!”
Deze verwachting van Raffles zou niet worden beschaamd, want hij kon nu de tweede verdieping bereiken, waar zich de slaapkamer van Stanley bevond, zonder dat hij iets bijzonders op zijn weg ontmoette.
En nu was het moeilijkste gedeelte van zijn taak aangebroken.
Hij begreep zeer goed, dat hij volstrekt niet hoefde te pogen, de deur te openen, daar deze wel niet alleen op slot maar ook stevig gegrendeld zou wezen.
Maar Raffles wist, dat de slaapkamer, behalve twee ramen, nog een verbindingsdeur had—er waren dus nog wel andere wegen, om er binnen te dringen, al zou die verbindingsdeur natuurlijk ook op slot zijn!
Na eenig beraad besloot Raffles, aan de raamzijde binnen te dringen—een daarvan was een Fransch raam, en gaf uitzicht op een balkon, aan de achterzijde van het huis gelegen, dat zich eveneens uitstrekte langs de ramen van een aangrenzend vertrek.
Het bleek Raffles al spoedig, dat het niet zoo moeilijk zou zijn, dit zijvertrek binnen te dringen.
Weliswaar bleek ook hier de gangdeur gesloten te zijn, maar dat zij niet gegrendeld was bleek spoedig, want er waren geen vijf minuten verloopen. of een van Raffles’ fijne loopers had zijn plicht gedaan, en het slot zonder eenig gerucht geopend.
Raffles trad binnen en sloot de deur weder achter zich.
Bij het zwakke schijnsel van de zaklantaarn kreeg hij spoedig de verbindingsdeur in ’t oog, die naar de slaapkamer voerde, maar hij dacht er niet aan, hier een poging te gaan wagen, omdat de deur stellig gegrendeld was en het doorzagen van de schotten Stanley onvermijdelijk wakker zou maken,—en wakker moest hij wel maar niet ontijdig.
Raffles aarzelde dus niet, maar trad op het balkonraam toe, opende het voorzichtig, en trad naar buiten.
Onhoorbaar sloop hij naderbij en bereikte het balkonraam, hetwelk toegang gaf tot de kamers, waar nu zijn onverbiddelijke doodsvijand sluimerde.
Daar gekomen bukte hij zich, en haalde uit een kleine lederen tasch met instrumenten, die zich in zijn wijden mantelzak had bevonden, een vlijmscherp geslepen mes.
Het was zijn voornemen, het onderste, kleine paneel uit de deur te snijden hetgeen niet het minste gerucht zou maken, terwijl het uitsnijden van het [12]glas waarschijnlijk Stanley wakker zou maken, en ook vrij moeilijk was, wegens de grootte en zwaarte van de ruit.
Daar, waar het hout het dunst is zette Raffles de punt van het mes in het paneel en begon, met het geduld van een kat, telkens opnieuw door het hout te kerven totdat hij voelde dat de punt van het mes er over de geheele lengte doorheen drong.
Hij moest deze bewerking nog driemaal herhalen, alvorens hij het paneel aan alle vier zijden had losgewerkt.
Het werk duurde ruim drie kwartier, omdat Raffles het minste gerucht wilde vermijden, maar eindelijk kon hij dan toch het paneel behoedzaam naar zich toetrekken met behulp van een fretboortje, hetwelk hij in het midden van het paneel had gedraaid, alvorens met snijden te beginnen, en dat nu als handvat dienst deed.
De weg was vrij!
Raffles tastte voorzichtig door het gat, en ontmoette de gladde oppervlakte van een fluweel gordijn.
Hij schoof het voorzichtig terzijde, na zijn revolver ter hand genomen te hebben, en keek nu in een ruim vertrek, dat vaag verlicht werd door een kleine electrische lamp, in den vorm van een halven bol, die in het midden der zoldering was bevestigd.
Schuin tegenover het raam stond, op een soort podium, het groote bed, en Raffles zag recht in het gelaat van den man, die hem zijn dood gezworen had!
Het bevond zich op geen vijf meters afstand, en voor een behendig schutter als Raffles zou niets gemakkelijker geweest zijn, dan den bandiet met een goed gemikt schot naar de andere wereld te brengen.
Maar zelfs geen seconde kwam deze gedachte bij Raffles op.
Met groote behoedzaamheid ontdeed hij zich eerst van zijn degens en pistoolkistje, en schoof deze door de gemaakte opening naar binnen.
En daarop wrong hij zich zelf door het gat, steeds de revolver in den aanslag op Stanley gericht.
En nu stond hij in het vertrek, recht opgericht, en het gordijn was weder achter hem dicht gevallen.
Hij tastte in zijn zak, nam er zijn zwart halfmasker uit, en bond het voor het gelaat.
Hij vatte de electrische zaklantaarn in de linkerhand, deed haar met volle kracht ontgloeien, en trad, den lichtstraal op het gelaat van Stanley houdend, met snelle schreden op het bed toe.
Op hetzelfde oogenblik werd Stanley wakker.
En dat hij geen gewoon man was, bleek al aanstonds, want reeds een onderdeel van een seconde tastte zijn hand onder zijn hoofdkussen, terwijl de linkerhand zich uitstrekte naar een electrischen knop, terzijde van het zwaren eikenhouten bed bevestigd.
Bliksemsnel was de overgang van slaap tot klaar bewustzijn geweest.
Maar ook klonk onmiddellijk de bevelende stem van Raffles die gelastte:
„Uw handen weg—of bij God—ik schiet!”
Langzaam gleden de handen op het dek neer en Stanley keek den onbekenden indringer met wraakgierige blikken aan, terwijl de kleur van zijn gelaat week.
Toen fluisterde hij heesch:
„Die stem.…”
„Komaan, hebt gij mijn stem herkend?” kwam Raffles, terwijl hij met een ruk het masker van zijn gelaat trok. „Dan zult gij ook zijn trekken aanschouwen van een man, die hier gekomen is, om, wanneer het lot het wil, met u hier het laatste onderhoud te hebben!”
„John Raffles!” kreet Stanley, en even liep een rilling van bovennatuurlijke vrees over zijn gelaat, dat echter dadelijk een uitdrukking van helsche woede en wraakzucht vertoonde!
„Ja, John Raffles—en die dit huis niet meer zal verlaten, alvorens onze rekening is vereffend, Stanley!” [13]