Raffles wilde tot iederen prijs zekerheid hebben.
Op den tast, hijgend, meer door de opwinding nog dan door den strijd zelf, zich nu en dan stootend aan een stoel en aan de omgevallen tafel, welke hij door een onverklaarbare oorzaak voelde bewegen, bereikte hij een der kamerwanden en toen hij er zijn hand tastend langs liet glijden, vond deze na een paar tellen de deur en daarop den schakelaar van het electrische licht.
Hij draaide den schakelaar om en op hetzelfde oogenblik was het vertrek helder verlicht.
Raffles slaakte een zucht van verlichting, als iemand die uit een boozen droom ontwaakt. Nu kon hij weder zien, en durfde hij ieder gevaar onder de oogen blikken.
Maar toen viel zijn oog aanstonds op de tafel, die ongeveer in het midden van het vertrek was omgevallen en hij slaakte een kreet van verwondering—de tafel bewoog.
Het was alsof er onder het kleed aan gerukt en getrokken werd. Met kleine schokjes leek ze wel in den vloer weg te zinken, tegelijkertijd met het tapijt, dat niet meer recht lag, maar een eigenaardigen kuil vertoonde, juist daar, waar het rechtovereind staande tafelblad er op drukte.
En eensklaps het tapijt en twee der stoelen met zich meetrekkend in haar val, verdween de zware tafel in den grond.
Raffles slaakte een luiden kreet.
De parketvloer was nu geheel onbedekt, en in het midden daarvan bespeurde hij een eigenaardig gevormde opening, die langzaam maar gestadig grooter werd.
Het geleek zeer nauwkeurig op hetgeen de fotografen een sectorensluiter noemen. Dit wil zeggen, een uit verscheidene lamellen van het dunste staal bestaand toestel, waarvan de segmenten zich zeer snel of langzaam naar verkiezing tegen elkander kunnen leggen en zoodoende de lens van het licht afsluiten, gedurende korteren of langeren tijd.
Deze segmenten gelijken veel op de maan in het laatste kwartier, waarvan de helft zou zijn afgesneden en zij passen zeer nauwkeurig tegen elkander, wanneer zij gesloten zijn.
En hier, in dezen parketvloer, bleek zich een reusachtige sectorensluiter te bevinden, uit vier segmenten bestaande, die nu langzaam, maar onverbiddelijk uit elkander weken, onder een zacht, rommelend geluid, alsof er ergens in de verte goedgesmeerde tandwielen over elkander liepen.
En nu zag Raffles ook duidelijk, dat de vier segmenten van den vloer langzaam wegdraaiden onder de vier kamerwanden, en hij voelde, dat hij op de plek waar hij stond, langzaam maar onverbiddelijk meeschoof.
En reeds een oogenblik later werd hij zachtjes en zonder dat het hem eenigszins pijn deed door het wegschuivende vloergedeelte tegen den wand gedrongen, zoodat hij wel genoodzaakt was, zijn voeten te verzetten.
Raffles begreep, dat hij dit nog twintig malen zou kunnen doen en dan zou het gat in den vloer zoo groot zijn geworden, dat er geen ruimte meer zijn zou voor zijn voeten, en dat hij onvermijdelijk omlaag zou storten in het duistere gat, hetwelk hij nu langzamerhand grooter zag worden—langzaam, maar onverbiddelijk.
Hij rukte aan de deur—maar het was vruchteloos. Hij zelf had haar zooeven afgesloten.
Daarop haalde hij zijn bos loopers te voorschijn en het duurde slechts weinige tellen, of hij had het slot geopend, maar zelfs toen kon hij de deur nog niet openen en hij begreep, dat de deur van buiten versperd was.
Een duffe lucht steeg uit het gat op, en nu herinnerde Raffles zich met schrik, dat hij een ploffend geluid had gehoord, even nadat de tafel in den vloer verdwenen was.
Een vreeselijke dood wachtte hem dus, want hij zou zeker in een diepen put vallen, gevuld met modderig water, waaruit geen ontkomen mogelijk zou zijn.
Dit huis bleek dus vreeselijke geheimen te bevatten, die bij niemand bekend schenen te zijn, [20]dan bij Stanley en de meest vertrouwden van zijn trawanten.
Raffles liep snel om de opening in den vloer heen en trok het gordijn open.
En nu zag hij dat de vensters van duimdikke, dicht naast elkander geplaatste tralies voorzien waren.
Toch moest hij, ten koste van alles trachten, het venster te bereiken en zich daar op de een of andere wijze staande houden, teneinde te pogen een paar van de tralies door te zagen, met een van de instrumenten, welke hij nog bij zich droeg.
Maar er was volstrekt geen vensterbank aan het venster te bekennen, geen duimbreedte om er den voet op te kunnen plaatsen.
Raffles wendde zich weder om en zag dat het gat nu zoo groot was geworden, dat de vier hoeken van de ruitvormige opening reeds niet meer te zien waren, maar onder het midden van de vier wanden waren verdwenen.
Er bevond zich dus alleen in de vier hoeken van het vertrek nog een gedeelte van den vloer, maar ook dit verdween langzaam maar met schrikwekkende zekerheid.
Raffles moest springen, om van het eene stuk op het andere te geraken en de deur weder te bereiken, waar nog juist genoeg plaats was, om er te kunnen neer hurken.
Hij wilde tot het laatste oogenblik om zijn leven strijden en trachtte een der paneelen uit de deur te snijden.
Maar spoedig zag hij in, dat hij daar den tijd niet meer voor zou hebben. Hij moest achteruit gaan, daar de vloer steeds verder onder den kamerwand verdween en de deur onbereikbaar voor hem werd.
Maar juist toen Raffles een wanhopig besluit nam en in den gapenden, kwalijk riekenden put wilde springen, hoorde hij tot zijn verbazing eensklaps een stem, die de woorden sprak:
„Druk op den knop daar, in het lijstwerk in den hoek. Snel, of ge zijt verloren.”
Het was een vrouwestem en zij kwam ergens van boven uit het vertrek.
Raffles keek in de richting vanwaar de stem kwam, en nu zag hij dat het paneel van een klein schilderij terzijde was geschoven.
In de aldus gevormde opening was het doodsbleeke gelaat zichtbaar van een jonge, schoone vrouw, wier weelderig haar blijkbaar in der haast was opgestoken en die nu en dan schuw achter zich keek, waarschijnlijk uit vrees, dat zij zou worden overvallen.
En nu herhaalde deze zonderlinge verschijning op dringenden toon:
„Druk op den knop, om Godswil. Gij zult een vreeselijken dood sterven als gij u niet haast.”
Nu bedacht Raffles zich niet langer. Hij nam een geweldigen sprong, die hem over de opening in den vloer heenbracht en belandde op een driehoekig stuk dat nog niet verdwenen was en nauwelijks een meter oppervlakte had.
Terwijl hij zijn voeten onder zich voelde weg trekken, zocht hij naar den knop en vond dien spoedig, verborgen in een gedeelte der lambriseering.
Hij drukte er op, en op hetzelfde oogenblik hielden de bewegingen van den vloer op. Nog een paar seconden en hij begon weder te bewegen, maar thans in tegenovergestelde richting.
De bleeke vrouw achter het kleine luikje keek angstig toe en Raffles hoorde haar een zucht van verlichting slaken, toen tenslotte de vloer zich weder geheel gesloten had, en er van de opening niets anders zichtbaar was, dan een zeer fijne, bijna onmerkbare naad van onregelmatigen vorm.
De onbekende vrouw had nogmaals een blik achter zich geworpen en zeide nu op zachten toon:
„De geheime deur, waardoor hij verdwenen is, bevindt zich in dien wand, daarginds, onder de lambriseering. Daar bij dien grooten krul in het eiken beeldhouwwerk zult gij een kleine koperen stift vinden. Beweeg die naar rechts en de deur zal zich openen. Maar haast u om Godswil. Hij kan terug komen en hij zal mij dooden, als hij bemerkt, dat ik u geholpen heb.”
Raffles had reeds een paar stappen naar den wand gedaan, maar wendde zich nu om naar het bleeke gelaat, dat zulk een eigenaardige vertooning maakte, omgeven door de gouden lijst van het schilderij, en zeide op zachten maar vasten toon:
„Ik ga niet heen, mevrouw, of ik moet mij overtuigd hebben, dat gij in veiligheid zijt. Zeg mij, hoe komt gij hier, wie zijt gij?”
„Ik woon hier zoo lang, als hijzelf, John Raffles.” [21]
„Gij kent mij?” vroeg de Gentleman-Inbreker verrast.
„Ja, ik heb herhaaldelijk van u gehoord. En hedennacht heb ik een gedeelte afgeluisterd van het gesprek, dat gij met Stanley hebt gevoerd. Ik ben in zijn macht. Ik ben zwak als een riet in zijn handen. Maar haast u nu, haast u.”
Raffles talmde nu niet langer, maar trad op de lambriseering toe.
Hij had spoedig de kleine koperen stift gevonden, bewoog die naar rechts, en aanstonds schoof een zeer smalle, lage deur terzijde, die uitstekend verborgen was geweest in een manshooge, eikenhouten lambriseering.
Raffles begreep nu ook aanstonds, wat het doel was geweest van den schurkachtigen Stanley, toen hij hem naar dit lokaal lokte.
Hij hoopte hem ongedeerd voorbij te komen, zonder geraakt te worden, de geheime deur te bereiken, en dan Raffles aan zijn vreeselijk lot prijs te geven.
Raffles stapte vlug naar buiten en bevond zich nu in een nauwe gang, die bleek uit te loopen op den corridor, waarop de zware eiken deur van het noodlottige vertrek uitkwam.
En bij het vlug langs loopen zag Raffles, dat deze deur thans versperd was met drie duimdikke stalen bouten, onwrikbaar bevestigd.
Hij liep echter verder, op de openstaande deur toe van het aangrenzend vertrek, waar hij begreep dat de bleeke vrouw zooeven was binnengetreden, die hem nog juist op het laatste oogenblik door haar waarschuwing het leven had gered.
En hij bereikte de deur juist, toen de vrouw aanstalten maakte, het vertrek te verlaten.
Raffles hield haar met een gebaar tegen, toen zij een beweging van schrik maakte en scheen te willen vluchten, en dwong haar weder, het vertrek binnen te gaan, waarvan hij de deur sloot.
Hij zag dat de vrouw zeer schoon was, of dit althans geweest moest zijn, want een bitter ziele-lijden scheen haar trekken te hebben verstrakt en haar de doodelijke bleekheid te hebben verleend, die Raffles aanstonds zoo getroffen had.
Zij was rijzig en slank, en haar oogen waren groot en gitzwart en een overvloed van glanzend zwart haar hing gedeeltelijk los over haar schouders neer.
Zij was gekleed in een zijden peignoir en haar bloote voeten staken in sierlijke marokkijn roode muiltjes.
Het was duidelijk te zien dat zij door het ongewone gerucht in het huis was wakker geworden en dadelijk opgestaan.
En daar stond zij nu, handenwringend, in het midden van het vertrek, blijkbaar doodelijk beangst en fluisterde Raffles toe:
„Wat wacht gij. Waarom vertrekt gij niet aanstonds. Weet gij dan niet dat uw leven hier geen oogenblik zeker is?”
„Het is mogelijk, mevrouw, ofschoon ik er niet volkomen van overtuigd ben, want ik ben nu op mijn hoede,” antwoordde Raffles kalm. „Ik zou een lafaard zijn, ik zou niet zijn, die ik ben, als ik heen ging, zonder dat ik er mij van overtuigd had, dat die schurk u niet zal doen boeten, voor wat gij om mijnentwille deed. Laat ik u daarvoor mijn dank mogen betuigen.”
Hij had een van de kleine witte handen gegrepen, die nu slap neer hingen langs het lichaam van de vrouw en drukte er eerbiedig een kus op.
Toen vervolgde hij, daar de vrouw bleef zwijgen:
„Wilt gij mij uw naam niet zeggen?”
„Ik heet Eleonora Manoury.”
„Zijt gij—de vrouw van dien man?”
„Hij zou mij zeker niet als zijn vrouw aan fatsoenlijke lieden kunnen voorstellen,” antwoordde Eleonora Manoury op bitteren toon. „Waarom zou ik er een geheim van maken? Ik ben slechts zijn minnares.”
„En gij zegt, dat gij in zijn macht zijt?”
„Volkomen.”
„Maar waarom verraadt gij hem dan niet? Waarom blijft gij bij dezen duivel in menschengedaante?”
„Omdat ik niet anders kan.”
„Gij kunt niet anders?”
„Neen, als gij alles wist zoudt gij hierover niet zoo verbaasd zijn. Die man heeft mij op velerlei wijze in zijn macht. Er is in mijn leven een zwakke plek—ik heb een man gedood—maar ik zweer u, ik zweer het u bij het aandenken van mijn moeder, dat ik het deed uit noodweer, uit zelfbehoud, het geleek echter op een moord en nu de getuigen overleden zijn, behalve juist Stanley, kan hij mij in het verderf storten, als hij dit geheim openbaar maakt.”
„Dat is vreeselijk,” mompelde Raffles zachtjes. [22]„En toch geef ik u den raad dien man te verlaten, wat er ook uit moge voortvloeien.”
„Ik kan het niet, zeg ik u,” riep Eleonora op smartelijken toon. „Ik ben door de sterkste banden, die er bestaan aan hem verbonden. De banden van de misdaad. Eens heb ik dien man hartstochtelijk lief gehad, vele jaren geleden, toen ik nog niet wist wie hij was, en alleen zijn karaktersterkte, zijn schranderheid en moed bewonderde, onwetend nog van de doeleinden, waartoe hij die eigenschappen aanwendde, welke iedere waarachtige vrouw in een man steeds bewondert.”
„Ik begrijp het geloof ik wel. Hij heeft u medegesleept in het verderf. Hij heeft u in zijn misdadig leven doen deelen.”
De jonge vrouw knikte flauwtjes met het hoofd en antwoordde op gedempten toon:
„Het geschiedde langzaam, heel langzaam. In het eerst begreep ik het niet en toen ik het begreep, was het te laat. Ik was zijn slavin. Ik deed alles, wat hij wilde, ik diende hem blindelings. Maar toen begon ik in den loop der jaren het goede inzicht te krijgen in zijn karakter, heerschzuchtig, wreed, wraakgierig en toen ik vernam van zijn eerste afschuwelijke misdaad, toen er bloed aan zijn vingers kleefde, ik meende te sterven, ik wilde hem verlaten en ik kon al niet meer. Hij wist mij aan zich te onderwerpen. Ik was laf en durfde mijn lot niet onder de oogen zien, als hij mijn geheim zou verraden, en ik bleef bij hem.”
„Dat was inderdaad wel de zwaarste straf, mevrouw, welke men voor iemand kon uitdenken, tegen zijn zin te moeten blijven bij den man, dien men is gaan haten en verachten, want ik vermoed, dat gij dit nu doet.”
„Ik veracht hem nog meer dan mijzelf, John Raffles.”
„Doch hebt gij er nimmer aan gedacht, hem aan zijn vijanden, de rechters over te leveren?”
„Als ik dat gedaan had, zou ik tegelijkertijd mijzelf ten ondergang hebben gedoemd,” antwoordde Eleonora Manoury. „Ik zeg u immers, dat ik laf was, dat ik sidderde voor zijn blik, die mij hypnotiseerde en tot gehoorzaamheid dwong.”
Raffles zweeg een oogenblik en hernam toen met vaste stem:
„Luister, mevrouw. Ik geloof te mogen zeggen, dat ik de menschen naar hun uiterlijk weet te beoordeelen. Gij zijt geen geboren misdadigster. Ik bezweer u, dien man te verlaten en een nieuw leven te beginnen. Gij kunt het nog, het is nog niet te laat. Verlaat met mij dit vreeselijke huis, dit moordhol en ik beloof u, dat gij binnen enkele maanden nog slechts de herinnering zult kennen aan dit leven van misdaad en moord, waarbij gij tegen uw zin betrokken zijt geworden.”
De vrouw scheen aan een hevigen zielestrijd ten prooi en brandende tranen gleden langzaam over de marmerbleeke wangen.
Toen zij echter niet antwoordde, deed Raffles een stap terug en vroeg op fluisterenden toon, nu zelf verbleekend:
„Gij vertrouwt mij niet? Maar wat vraag ik, het spreekt immers vanzelf. Hoe kan ik, John Raffles, de zedenmeester uithangen. Ik ben immers zelf een dief, een inbreker.”
Maar de vrouw legde haastig haar hand op zijn arm en zeide:
„Spreek geen kwaad van uzelf. Ik weet wie gij zijt, en wat gij doet. Ik weet waarom gij steelt en dat er tijden zijn, dat gijzelf ternauwernood beschikt over het noodige geld, daar gij alles hebt weg geschonken, bij honderdduizenden. Ik vertrouw u, John Raffles.”
„Volg mij dan. Aarzel niet langer.”
„Maar—hij zal mij terug vinden. Zijn wraak zal verschrikkelijk zijn.”
„Hij zal u niet terug vinden, dat verzeker ik u en ik zal den strijd met dien man voortzetten, tot hij voor goed het onderspit gedolven heeft, of ik.”
„Maar gij hebt zijn huis toch zelfs nog niet verlaten,” riep Eleonora wanhopig uit.
„Wat zou dat? Gij kent dit oude huis en gij zult er mij tot gids zijn. Kleed u spoedig aan. Ik zal voor uw deur de wacht houden, opdat u niets kan wedervaren en als de schurk zich vertoont, dan aarzel ik niet, en ik leg hem neer.” [23]