[Inhoud]
DE HOTELRATTEN.

DE HOTELRATTEN.

HOOFDSTUK I.

Raadselachtige diefstallen.

Sedert eenigen tijd werd Scotland Yard, het befaamde hoofdbureau van politie te Londen, bezig gehouden door een eigenaardige reeks diefstallen, die allen in hetzelfde hotel hadden plaats gehad en die zich in de laatste weken op een wijze begonnen te vermeerderen, die groote ontsteltenis had gewekt bij den eigenaar van het hotel in kwestie, die zich des te meer ongerust maakte, daar zijn inrichting nog sedert korten tijd was geopend en hij wel moest vreezen een groot aantal klanten te zullen verliezen.

In den aanvang had Carington, zoo was de naam van den eigenaar van het hotel, de diefstallen zorgvuldig verzwegen, en hij had zichzelf het offer opgelegd, zijn bestolen logeergasten althans gedeeltelijk schadeloos te stellen voor het geleden verlies.

Maar de derde maal gelukte dit niet, want toen was de bestolene een zeer slecht gehumeurd Amerikaan, die zich een paar kostbare juweelen had zien ontfutselen en die doof bleef voor den smeekenden Carington, maar regelrecht naar Scotland Yard snelde en daar mededeelde, wat hem was overkomen en zulks in een toestand, die niet veel verschilde van razernij.

Van dat oogenblik af had het volstrekt geen doel meer, eenige geheimhouding te bewaren, want de Amerikaan haastte zich, elders een onderdak te zoeken en hij liet niet na, aan iedereen die het hooren wilde, zijn beklag te doen.

Dit was nu zeer onaangenaam voor den heer Carington en hij had zich dan ook voorgenomen, nu iedere geheimhouding te laten varen en de politie in den arm te nemen.

Omstreeks drie maanden geleden was zijn hotel, het Kensington-Hotel, geopend.

De naam duidt reeds aan dat het gelegen was in de wijk van Kensington in het noorden van de reusachtige wereldstad.

Aan de Highgate-road, waaraan het nieuwe hotel gelegen was, had een combinatie van rijke ondernemers een paar jaren geleden een complex oude huizen gekocht, dank zij eenige intriges, die nog geruimen tijd stof opleverden voor perscommentaren, [2]en die van vele kanten kritiek uitlokten, met het oog op den nog steeds heerschenden woningnood.

De combinatie van geldmannen had echter den hotelnood als tegenmotief aangevoerd en had de vier of vijf huizen met bekwamen spoed laten sloopen, die vervolgens plaats maakten voor een modern hotel, van alle gemakken voorzien en dat vooral zeer gewaardeerd zou worden door de reizigers die uit het noorden des lands kwamen en afstapten aan het Kensington-Hotel.

Het duurde dan ook niet lang, of het hotel, met zijn drie honderd kamers en bijna even zooveel badkamers, dat waarlijk weelderig was ingericht, mocht zich in een druk bezoek verheugen.

En toen kwam nauwelijks een maand na de opening dat betreurenswaardige voorval, de eerste diefstal.

De heer Carington was volslagen leek op het gebied van hoteldiefstallen en om de waarheid te zeggen begreep hij er volstrekt niets van.

De beroofde had een kamer gehad op de bovenste verdieping van het hotel, die toch altijd nog een half pond sterling per dag deed. Hij had zijn portefeuille met geldswaarde, naar hij stijf en sterk volhield, op de tafel in het midden van het vertrek laten liggen, hij had de gangdeur op slot gedaan en gegrendeld. Zijn kamer had geen andere deuren, behalve die op het balkon uitkwamen, en niettemin was den volgenden morgen de portefeuille verdwenen, alsof ze nooit bestaan had.

En toch viel er in het geheele vertrek geen spoor van braak waar te nemen.

Men zou hebben kunnen denken, dat de dief wellicht langs den kant van het balkon was binnen gedrongen, maar dat was totaal onmogelijk, want het bevond zich op een hoogte van minstens dertig meter van den beganen grond, en bovendien viel er aan de beide deuren geen spoor van braak te ontdekken, geen krasje, geen deukje. De ruiten zaten behoorlijk in de sponningen, de stopverf was hard als een bikkel. In het hout was nergens een klein gaatje te ontdekken, waardoor de dief wellicht een ijzerdraad met een haakje aan het eind had kunnen steken, hetgeen hem echter in dit geval ook weinig zou hebben geholpen, daar de espagnolet van het dubbele raam een hefboom en geen kruk had, die men trouwens met een dun ijzerdraad toch onmogelijk had kunnen omdraaien.

Kortom het was eenvoudig een raadsel, hoe de dief kon zijn binnen gedrongen, en vooral, hoe hij de kamer weder had verlaten om zich met zijn buit in veiligheid te brengen. Met den tweeden diefstal was het evenzoo gesteld, maar met dit onderscheid, dat de beroofde een kamer had op de vierde verdieping, dat wil zeggen op een na de hoogste verdieping.

Ook hier tastte de beklagenswaardige Carington volkomen in het duister aangaande de wijze, waarop de brutale dief was binnen gedrongen en niemand kon het hem euvel duiden, dat hij ook den tweeden keer aan een bedrog van den kant van den beroofde begon te gelooven.

Maar de Amerikaan kon hem niet langer in twijfel laten.

Ook deze had een kamer op de bovenste verdieping gehad en behalve zijn juweelen had men hem een bedrag van ongeveer twee duizend dollar in bankpapier ontstolen, welke hij in zijn portefeuille op zijn nachtkastje had gelegd.

Maar ook deze derde maal was het volkomen onverklaarbaar hoe de dief kans had gezien het vertrek binnen te dringen, waarvan de twee deuren stevig van binnen gesloten waren, het geld en de juweelen weg te nemen, zonder dat het slachtoffer er iets van bemerkte en tenslotte weder te verdwijnen op dezelfde wijze als hij gekomen was, dat wil zeggen op een wijze, die niemand begreep.

Scotland Yard zond onmiddellijk zijn beste detectives, die in het geheim een uitgebreid onderzoek begonnen in te stellen.

Het spreekt vanzelf dat het niet lang duurde, of de verdenking begon zich te richten tegen het hotelpersoneel.

Weliswaar was Carington zeer kiesch in het uitzoeken van zijn kellners, zijn portiers, zijn kamermeisjes, koks, liftboys, kruiers en ander personeel, maar het zou voldoende zijn, als er onder die vele een enkele bedrieger was geweest om althans eenigermate te kunnen verklaren hoe de diefstal had plaats gevonden.

Maar zelfs dan bleef nog altijd het een raadsel van de knippen op de deur.

Hieraan wijdden de detectives het eerst hun aandacht.

Het waren mannen met koele koppen, die niet aan bovennatuurlijke dingen geloofden, en die er [3]vast van overtuigd waren, dat de dader een middel had bezeten om de kamers binnen te dringen, want men kon het wel als vaststaande aannemen, dat alle drie de diefstallen moesten worden toegeschreven aan een en dezelfde persoon.

De heeren detectives begonnen dus met een zeer nauwkeurig onderzoek van de sluitingen der kamerdeuren die op de breede gang uitkwamen en wel speciaal met de knippen.

Het waren stevige stalen schuifknippen, die wegens hun nieuwheid tamelijk stroef werkten en waarvan er zich twee aan iedere deur bevonden.

Met hun vergrootglazen gewapend, onderzochten de politiebeambten zeer zorgvuldig het hout van de deur in de buurt van de knippen, maar zij konden volstrekt niets ontdekken, wat op een doorboring van de deurpost wees.

Met een goed buigzaam staaldraadje door een klein gaatje gestoken, ware het wellicht mogelijk geweest den knop van den grendel te bereiken, en deze op die wijze terug te trekken, maar er was niets te vinden, dat daarop wees, niet het kleinste krasje op de koperen grendelknoppen, geen spoor van doorboring van het hout.

Bovendien twee van de drie beroofden verklaarden zeer pertinent, dat zij om hun kamer te verlaten, nadat zij den diefstal ontdekt hadden, den sleutel in het slot hadden moeten omdraaien, en deze waren zoo vervaardigd, dat men van buiten af onmogelijk het slot had kunnen omdraaien, wanneer daarop aan de binnenzijde de sleutel stak.

Het duurde niet lang of de heeren van Scotland Yard moesten tot de erkentenis komen, dat ze hier voor een raadselachtig geval stonden.

Ook zij helden al spoedig tot de meening, dat de dader onder het hotelpersoneel moest worden gezocht, maar zelfs al was dit zoo, dan zou daardoor toch nog altijd niet het geheim van het binnendringen der kamer zijn opgelost.

Toch begon men aanstonds alle leden van het personeel, onverschillig of zij in het hotel overnachtten of niet, in het geheim te bestudeeren, zonder het minste resultaat evenwel.

En dat niet alleen, vier dagen na de berooving van den Amerikaan had er in hetzelfde Kensington-Hotel opnieuw een diefstal plaats, die onder juist dezelfde omstandigheden als de drie anderen gepleegd werd.

De politiebeambten waren woedend, dat men als het ware onder hun neus door ging met de geheimzinnige berooving en hun ijver verdubbelde nog.

Maar hoe goed zij ook opletten, zij slaagden er niet in, den dief op heeterdaad te betrappen.

Een paar der detectives namen hun intrek in het hotel, als reizigers vermomd, maar dat hielp ook al niet, de dief scheen er lucht van te hebben gekregen en de detectives goed te kennen, want er gebeurde hen volstrekt niets.

Wel echter had er in den derden nacht van hun aanwezigheid in het hotel de vijfde diefstal plaats.

Carington was de wanhoop nabij en loofde een zeer hooge premie uit voor de aanhouding van den brutalen hoteldief, die binnen een paar weken tijd voor een waarde van ongeveer negen duizend pond sterling had gestolen.

Maar het zag er volstrekt niet naar uit, alsof hij deze premie binnen afzienbaren tijd zou moeten betalen.

Toen nam hij tot een ander middel zijn toevlucht.

Een oberkellner, wiens betrouwbaarheid boven iederen twijfel verheven was, kreeg de opdracht, de uiterste waakzaamheid te betrachten en de oogen goed open te zetten, in de hoop dat hij er wellicht in zou slagen, den geheimzinnigen hoteldief te vinden en op heeterdaad betrappen.

Bovendien stelde men een aantal detectives en rechercheurs verdekt op verschillende punten van het groote hotel op, en met name op de vierde en vijfde verdieping, waar tot dusverre alle beroovingen hadden plaats gevonden.

Het hielp echter niets.

Op een nacht werd er opnieuw een diefstal gepleegd in het logeervertrek, in welks onmiddellijke nabijheid zich toevallig den geheelen nacht een detective had opgehouden.

Dat was bijna meer dan Carington kon verdragen.

Hij dacht er over om de vloeren en zolderingen te laten onderzoeken, om het behang van de wanden te laten rukken, teneinde zich te overtuigen, dat er zich geen geheime deuren in de muren bevonden, ofschoon hij in zijn binnenste zeer wel wist dat dit volkomen ondenkbaar was.

Toch werden hier en daar de kleeden opgenomen en de vloeren werden zorgvuldig onderzocht, maar overal waren de planken behoorlijk vastgespijkerd, nergens viel een luik te bespeuren. De kalk van de [4]plafonds was smetteloos en vlak als een biljardlaken, nergens vertoonde het behang een reet.

En steeds bleven de diefstallen voortgang hebben.

Men begon nu de logeergasten te verdenken, hetgeen ook niet kon uitblijven.

Van iedereen verlangde men zijn papieren en iedereen moest zich behoorlijk legitimeeren, waarbij de hoteldirecteur zich in duizend verontschuldigingen uitputte.

Scotland Yard kwam met haar misdadigersalbum aanzetten, afdeeling „hotelratten”, dat prijkte met honderden afbeeldingen van bekende internationale hoteldieven. Er begon als het ware een vergelijkende studie, maar veel logeergasten moesten volstrekt niets hebben van deze onderzoekingen en vertrokken zoo spoedig zij konden naar aangenamer oorden.

In stilte hoopte Carington, dat onder degenen die vertrokken, misschien de dief was, maar ook daarin kwam hij spoedig tot een andere overtuiging, toen de berooving met angstwekkende regelmaat meestal eens in de week voortgang bleek te hebben.

Natuurlijk had zich de pers reeds lang op dit smakelijke hapje geworpen en de Head Line-schrijvers, dat zijn de journalisten, wier eenige taak het is pakkende opschriften boven de artikelen te plaatsen, trachtten elkander een vlieg af te vangen in het bedenken van sensationeele „kopjes”.

Toen brak er een tijd aan, waarop de reeks diefstallen even plotseling werd afgebroken, als zij een aanvang had genomen en reeds meende Carington rustig te kunnen adem halen.

Maar zijn opluchting was maar van korten duur. Nog geen volle maand later werd een Russische grootvorstin, die een tamelijk groot fortuin had kunnen redden en die juist drie dagen te voren haar intrek in het hotel had genomen, des nachts in haar kamer, zonder dat zij er iets van bemerkte, van een bedrag van bijna drie duizend pond beroofd. [5]