Het was in den morgen, volgende op dezen nieuwen brutalen diefstal, toen John Raffles en zijn trouwe vriend Charly Brand aan het ontbijt gezeten waren in de lichte fraai gemeubileerde eetkamer van het huis, hetwelk de Gentleman-Inbreker reeds sedert vele jaren onder den naam van Lord William Aberdeen in de Regentstreet bewoonde.
De heeren hadden juist het ontbijt beëindigd en Raffles was verdiept in de lezing van de Daily Mail.
Plotseling riep hij uit:
„Hij begint weer.”
„Wie begint weer? Waarmee begint hij?” vroeg Charly Brand verbaasd, terwijl hij Raffles onderzoekend aankeek.
„Vraag je dat nog? De geheimzinnige dief van het Kensington-Hotel. Je weet dat ik bijzonder veel belang in de zaak stel.”
„En niet zonder reden, Edward,” kwam Charly Brand. „Het gaat er zeer geheimzinnig in zijn werk, dat is zeker.”
„Het lijkt maar zoo, mijn waarde,” hernam Raffles glimlachend. „Natuurlijk zal achteraf blijken, dat alles heel gewoon in zijn werk is gegaan, ik wil echter toegeven, dat alles wel een zeer geheimzinnigen indruk maakt, en dat is ook niet te verwonderen. Ik zelf heb mij niet kunnen onttrekken aan den indruk dat we hier met een knappen kop te doen hebben. Dat is waar ook, ik las gisteren voor het eerst ergens, dat John Raffles wel de dader zou blijken te zijn.”
„Dat is wel het grootste compliment dat men den dader had kunnen maken en hij zal er danig mee in zijn nopjes zijn,” riep Charly uit. „Maar je zeide zooeven dat de man weder begonnen is, na bijna een maand rust, wie is het slachtoffer ditmaal?”
„Een Russische grootvorstin.”
„Rijk?”
„Dat gaat nog al naar het schijnt.”
„Wat voert zij hier uit?”
„Wat zou ze hier uitvoeren? Niets natuurlijk. Je kunt het tenminste geen bezigheid noemen, geloof ik, wanneer men zich uit de handen der Bolsjewiki tracht te houden.”
„In het land zelf zou het dat zeker zijn,” merkte Charly lachend op.
„Ik zal je eens wat zeggen, Charly,” hernam Raffles na eenigen tijd te hebben nagedacht. „Ik gevoel grooten lust dien geheimzinnigen dief eens van nabij in zijn verrichtingen gade te slaan. Daarmee wil ik volstrekt niet zeggen, dat ik mede wil helpen om hem te vangen, dat moet de politie zelf maar opknappen. Natuurlijk zoolang de man zich niet te buiten gaat aan geweldplegingen, want dan zal ik natuurlijk handelend optreden. Ik wil echter van nabij zijn methode eens bestudeeren.”
„Hoe denk je dat te doen?”
„Wel, heel eenvoudig. Wij zullen onzen intrek nemen in het Kensington-Hotel. Je hebt toch zeker wel lust om mij te vergezellen?”
„Wat een vraag. Ik zou je zeker niet alleen laten gaan. Ik zelf ben er zeer nieuwsgierig naar hoe de man te werk gaat.”
„Om je de waarheid te zeggen ben ik nog nieuwsgieriger naar de kamers,” merkte Raffles glimlachend op. „Ik heb veel respect voor de detectives van Scotland Yard, waaronder inderdaad schrandere mannen zijn, maar het kan dunkt mij niet anders of zij hebben ditmaal hun onderzoek niet op de goede wijze ingericht. Het is immers duidelijk, dat er iets aan de kamers moet zijn, dat tot dusverre aan hun aandacht is ontgaan. Onverschillig of de [6]dader onder het personeel moet worden gezocht, onder de logeergasten, of buiten het hotel, er kan niet aan getwijfeld worden, of de kamers, waar de diefstallen plaats vonden moeten ergens toegankelijk zijn.”
„Wanneer wil je er heen gaan?”
„Wel, vandaag nog.”
„Onder welk uiterlijk?”
„Dat komt er volstrekt niet op aan. Alleen zou het verstandig zijn, wanneer ik mijn uiterlijk als Lord Aberdeen maar afleg! Wel is waar zijn er in de wijk niet veel armen, die mijn uiterlijk kennen, maar men kan toch nimmer te voorzichtig zijn. Kom, laten wij maar aanstonds werk van de zaak gaan maken—ik ben werkelijk benieuwd, wat wij daarginds zullen zien.”
De beide vrienden stonden van de tafel op, en begaven zich naar hun slaapkamers, die aan elkander grensden, en waar zij ruimschoots gelegenheid vonden hun uiterlijk geheel te veranderen.
Er bevonden zich daar verscheidene kasten vol kleeren, pruiken en baarden, en de beide vrienden wisten daarvan een uitstekend gebruik te maken.
Er was nog geen half uur verloopen, of zij waren volkomen onherkenbaar. Niet alleen was hun gelaatskleur veranderd, maar ook hadden zij door verschillende middelen den vorm van hun gezicht weten te veranderen, en in deze twee reizigers met hun Galicische typen zou men stellig niet Lord Aberdeen en zijn altijd zoo keurig gekleeden jongen secretaris herkennen.
De beide vrienden hadden een valies met goed gepakt en verlieten nu het huis aan de tuinzijde, waar een kleine tuinpoort toegang verleende tot een stille zijstraat, waar zich nimmer een levende ziel vertoonde.
Zij moesten de zware valiezen naar de Regentstreet dragen, maar daar hadden zij spoedig een huurauto gevonden, waarvan de chauffeur last kreeg hen naar het Kensington-Station te rijden.
Daar gekomen stapten zij uit, dankten den chauffeur af, en namen een tweede auto, die juist kwam aanrijden, en waarvan de chauffeur niet anders kon denken of zij waren zooeven met den trein aangekomen.
Na een rit van een kwartier ongeveer stond de auto stil voor het prachtige nieuwe hotel, wat het toneel was geweest van de geheimzinnige diefstallen, welke de gelederen der logeergasten reeds aanzienlijk hadden gedund.
Die gebleven waren konden wel onverschillig of zeer stoutmoedig genoemd worden, die als het ware het lot tartten of er vast van overtuigd waren, dat men in hun kamers niet zou binnen dringen.
Daar de diefstallen merkwaardig genoeg allen op de vierde of vijfde verdieping hadden plaats gehad, was er een groote vraag naar de kamers op de drie andere etages en de portier moest dan ook aan Raffles en Charly mededeelen dat er alleen een kamer op de vierde en vijfde verdieping te krijgen was.
Terwijl hij dit zeide keek de man de beide reizigers schuw aan, want hij had het gevoel, alsof reeds iedereen wist van de reeks beroovingen, zelfs twee reizigers, die blijkbaar regelrecht uit een of andere stad in het hartje van den Balkan kwamen.
Maar Raffles haalde eenvoudig de schouders op en antwoordde onverschillig:
„Het laat ons volkomen koud. Een kamer met twee bedden, wat ik je verzoeken mag, portier, of anders twee kamers naast elkander met een combinatiedeur.”
„Zou ik om de paspoorten der heeren mogen verzoeken?” vroeg de portier. „Gij zijt immers geen Engelschen.”
Nu had Raffles ook hierop gerekend, en zoo konden de beide mannen een paar voortreffelijk nagemaakte paspoorten laten zien, voorzien van alle mogelijke officieele stempels.
Nadat deze plechtigheid was afgeloopen, konden de beide vrienden een zeer gemakkelijke, voortreffelijk ingerichte kamer op de bovenste verdieping betrekken.
Een der hotelkruiers sjouwde de zware valiezen naar boven, kreeg daar zijn fooi en verdween.
Zoodra zij alleen waren, plantte Raffles zich, na overjas en hoed op zijn bed te hebben geworpen, midden in het vertrek, steunde de beide handen in de zijden en liet zijn blikken glimlachend in het rond waren.
„Daar zijn we dus in het hol van den leeuw,” zeide hij zachtjes, alsof iemand hem had kunnen hooren, buiten Charly. „Wie weet is het zelfs wel een van deze kamers, waar een diefstal heeft plaats gehad, maar natuurlijk zou de portier er zich wel voor hebben gewacht, om dit te openbaren.”
Zachtjes fluitend, trad hij op een der wanden toe en klopte er op verscheidene plaatsen op. „Een massieve muur, van verborgen deuren is geen sprake, [7]en dat is toch ook immers iets onmogelijks. Ik kan aannemen, dat er in zulk een groot hotel clandestien het een of ander gemaakt is, dat er niet hoort, en dat niet door den architect is voorzien, maar zeker geen geheime tusschendeuren.”
„En evenmin luiken in den vloer dunkt mij.”
„Dat klinkt tenminste al zeer weinig waarschijnlijk,” hernam Raffles.
Hij had zijn vergrootglas uit zijn zak gehaald en was op de gangdeur toegetreden.
Met eindeloos geduld onderzocht hij de deurpost in de buurt van den grendel en na ongeveer een kwartier zeide hij zich tot Charly wendend:
„Niets te zien. Wanneer hier ergens een gat was geboord, als was het niet grooter dan om een naald door te laten, dan zou ik het met dit vergrootglas moeten zien en al zou het met stopverf zijn dicht gemaakt, dan zou ook dat mij niet ontgaan. Bovendien gaan deze grendels bijzonder stroef en ik kan ook volstrekt niet merken, dat zij bijvoorbeeld overdag door den dief zelf of een handlanger hier in het hotel geolied zijn, om het schuiven te vergemakkelijken. Ik acht het volstrekt buitengesloten, dat men met een dun ijzerdraad dezen zwaren grendel zou kunnen terugtrekken, om nog niet eens van den sleutel in het slot te spreken. Je zult je namelijk wel herinneren, dat op zijn minst twee der bestolenen pertinent hebben verklaard, den sleutel in het slot te hebben moeten terugdraaien, voor zij in den morgen na den diefstal de kamer konden verlaten. Ik heb te veel kennis van sloten, om niet te zien, dat men deze dingen hier onmogelijk aan den kant van de gang kan openen als van binnen de sleutel er op steekt.”
„Maar zouden alle kamers zoo zijn ingericht?”
„Er is volstrekt geen reden om daaraan te twijfelen. Natuurlijk zijn al die deuren en al deze sloten als massa-fabricatie gemaakt, en zij lijken op elkander als druppels water.”
„Dan ben ik er benieuwd naar, Edward, hoe jij het denkt te kunnen verklaren op welke wijze de dief hier is binnen gedrongen.”
„Wij zullen ons niet overhaasten, Charly. Wij zijn nu tot de overtuiging gekomen, dat het niet ging door de gangdeur, dan kan het niet anders of het moet aan de zijde van het balkon zijn geschied.”
„Maar het is dertig meter van den grond, Edward,” riep Charly uit.
„Die opmerking hebben de detectives ook gemaakt, mijn waarde. En ik kan niet zeggen, dat ze van groote schranderheid getuigt,” hernam Raffles schouderophalend. „Het is nog al duidelijk, dat de dief niet tegen het balkon is opgeklommen.”
„Hoe heeft hij het dan bereikt, volgens jou?”
„Op de eenige andere manier. Hij heeft zich van het dak er op laten neer zakken, een afstand die heel wat korter is dan dertig meter.”
„Hoe kwam hij op het dak?”
„Van een der aangrenzende huizen natuurlijk.”
„Goed, ik wil een oogenblik aannemen, dat de dief op het balkon is. Daar staat hij dus, achter de gesloten deur. Vertel me nu eens, hoe hij de deuren opent, en vooral hoe hij ze weer sluit achter zich, zonder de ruiten te vernielen en ook zonder dat er een spoor van te zien valt?”
„Wij zullen ons eens op het balkon begeven, mijn waarde, en zien wat het is,” zeide Raffles bedaard.
Hij trad op de beide balkondeuren toe, maar opende ze niet dadelijk en onderzocht de sluiting aan de binnenzijde.
Het was een gewoon dubbele balkondeur, met een groote smalle ruit er in en aan de onderzijde uit hout bestaande.
Zij werd gesloten door middel van een van die ijzeren stangen, welke door middel van een klein tandrad, hetwelk aan een ijzeren, met hout bekleede greep bevestigd is, grijpt in een tandrad, welke zich aan den stang bevindt, waardoor de beide heften van dezen stang onder en boven aan de deur in een stevig ijzer oog grijpen, waardoor de deur gesloten wordt.
Raffles duwde den greep naar beneden, de beide heften van de sluitstang maakten zich los uit de oogen en hij kon de deur naar zich toetrekken.
Langzaam trad hij op het balkon, dat over een lengte van bijna dertig meter langs den voorgevel liep, die uitkwam op de breede Highgate-road.
Hij bukte zich over de ijzeren leuning van het balkon, en zag dat er op de vierde verdieping juist zoo een zich uitstrekte.
De balkons op de andere verdieping liepen niet door, maar waren allen afzonderlijk.
„Men kan gemakkelijk van het balkon het dak bereiken, met behulp van een ladder die niet langer dan twee meter behoeft te zijn,” zeide hij tot Charly, die naast hem was komen staan. [8]
„Dus de dief zou een ladder bij zich gehad moeten hebben?” vroeg Charly.
„Hij kan zeer wel van een touwladder gebruik hebben gemaakt, die geeft geen indrukken, die verliest geen houtspaanders, die kan men gemakkelijk om het lichaam wikkelen en onder jas of mantel verbergen. Die hindert niet in de bewegingen en die maakt tenslotte volstrekt geen geraas.”
„Waarde Edward, ik zeide je reeds dat ik gaarne wil aannemen, dat de dief over de daken heen tot vlak boven dit balkon komt, zich laat zakken, en veilig voor de balkondeur belandt, welke hij zich heeft uitgezocht, de vraag is nu maar hoe hij de deur opent. Dat is alles, wat ik wil weten.”
„Je zult moeten erkennen, dat het tevens de hoofdzaak is,” zeide Raffles glimlachend. „Wij zullen echter eens zien, in hoeverre er een antwoord kan worden gegeven op je vraag.”
Hij trok de beide helften van de balkondeur zoover hij kon dicht en zeide toen tot Charly:
„Het volgende staat vast. Zelfs wanneer men bij voorbeeld met behulp van een in hout gedraaide boor of een trapoog de deur geheel zou kunnen dicht trekken, dan nog zou het volkomen onmogelijk zijn, de greep weder in zijn oorspronkelijken toestand terug te brengen. Even onmogelijk als het mij overigens toeschijnt, haar door de dichte deur heen neer te drukken, als men op het balkon staat.”
„Die meening ben ik ook toegedaan,” riep Charly uit. „Dat de ruiten er uit zijn genomen en naderhand weer ingezet, is ook buitengesloten.”
„Volkomen. Niet alleen bevindt de stopverf zich aan de binnenzijde van de deur, maar ook luiden de verklaringen eenparig, dat die stopverf volkomen hard was, met een laag verf bedekt, en dus onmogelijk enkele uren van te voren kon zijn aangebracht. Stopverf heeft minstens een dag of zes noodig en in dit jaargetij toch nog altijd vier om volkomen hard op te drogen. Dat men de ruit naast de stopverf heeft uitgesneden en er naderhand weer heeft ingezet, is al even ondenkbaar. Bij de minste beweging zou zij immers vallen?”
Raffles had zich gebukt, zoodat hij bijna met het gelaat op den vloer van het balkon lag en trachtte onder de deur van het balkon te zien.
„Wat doe je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Ik probeer om onder de deurreet door te kijken.”
„Waarom?”
„Omdat ik mij wil overtuigen dat de kier niet groot genoeg is, om er een zeer lang ijzerdraad door te steken, in een rechten hoek gebogen en aan het einde voorzien van een oog, om daarmede den knop van de greep van de spagnolet te vatten en die omlaag te trekken. Maar ik zie al dat dat volstrekt onmogelijk is. Een ijzerdraad van de noodige lengte en dikte zou men onmogelijk onder de kier kunnen door krijgen en in het beste geval zou de inbreker uren en uren noodig hebben, voor hij eindelijk als bij toeval de greep beet had en daarop kan natuurlijk geen dief, die zijn vak verstaat het laten aankomen.”
„Dan geef ik het op,” riep Charly uit.
„Daaraan denk ik nog zoo spoedig niet, mijn waarde,” hernam Raffles.
Hij was het vertrek weder binnen getreden en begon de deuren opnieuw aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Na eenigen tijd zeide hij langzaam:
„Ik kan niet aanstonds zeggen wat het is, maar er is aan deze deur iets eigenaardigs.”
„Bedoel je misschien dat de stang van de spagnolet rond is, terwijl zij in verreweg de meeste gevallen plat zijn.”
„Dat heb je goed ingezien, ronde spagnoletstangen komen maar weinig voor, platte zijn meestal steviger, maar ik heb nog iets meer ontdekt, mijn waarde. De scharnieren van de deuren zitten namelijk niet aan de binnenzijde, zooals meestal het geval is, maar aan den buitenkant van de deur.”
„Daar had ik nog niet op gelet,” riep Charly uit. „Dat komt ook maar zelden voor geloof ik, want de meeste balkondeuren gaan naar binnen open.”
Raffles was opnieuw op het balkon gegaan, had zijn vergrootglas weder ter hand genomen en bukte zich, teneinde een der onderste scharnieren van de deur met groote aandacht te bezien.
Teneinde het scharnier zoolang mogelijk tegen roest te beschermen was het geschilderd met dezelfde kleur van de deuren.
Maar aanstonds zag Raffles, dat de pen, welke de beide helften van het scharnier verbond, en waarom het draaide, van boven voorzien was van een ronden kop, die haar belette door het gat van de scharnier te vallen.
Hij tuurde aandachtig door zijn vergrootglas en toen ontsnapte een lichte kreet van zegepraal aan zijn mond. [9]
Dadelijk kwam Charly vol belangstelling naderbij.
„Heb je iets ontdekt?” vroeg hij.
„Ik geloof tenminste dat ik reeds heel wat verder ben. Kom eens hier en zeg me eens, wat je van dat scharnier denkt?”
Charly kwam op het balkon, hurkte naast Raffles neder, bekeek het scharnier aandachtig en zeide toen:
„Het lijkt op een van die scharnieren, zooals men ze vaak vindt aan gewone kamerdeuren en waarvan de pen al zeer gemakkelijk er uitgetrokken kan worden.”
„Zoo is het, mijn waarde. In ieder geval is dat scharnier er bepaald op gemaakt, om er de pennen gemakkelijk uit te nemen. Zie maar eens hoe goed zij geolied zijn.”
Raffles had onder het spreken zijn zakmes te voorschijn gehaald, waarin zich verschillende kleine instrumentjes bevonden, en had met behulp van een schroevendraaiertje, dat hij tegen den ronden kop van de pen zette, deze laatste met het grootste gemak uit de scharnier genomen.
Maar dadelijk stak hij er de ijzeren stift weder in, stond op en zeide tot Charly:
„Ga eens naar binnen en doe de deur dicht.”
Charly ging het vertrek binnen en draaide de greep van de spagnolet naar boven, zoodat de ronde stangen in de gaten grepen en de deur gesloten was.
Toen keek hij vol aandacht naar wat Raffles deed.
Hij zag, hoe deze vlug de twee pennen uit het bovenste en onderste scharnier van de linker deurhelft nam en tot zijn groote verbazing duwde Raffles de deurhelft langzaam open, en stond het volgende oogenblik naast hem.
„Dat is.…,” riep Charly stom verbaasd uit.
„Het is weinig minder dan geniaal, Charly. De spagnoletstang is van bestemming veranderd en fungeert nu als scharnier. Je ziet wel, dat het goed beschouwd het ei van Columbus is.” [10]