Charly bleef een oogenblik verwonderd en zwijgend naar de geopende deurhelft kijken, alsof hij zijn oogen nog altijd niet kon vertrouwen en daarop bekeek hij de deur wat nauwkeuriger.
Het was zoo. De ronde stangen, waaruit de sluiting bestond, waren in een soort scharnier veranderd, waarom een van de deurhelften zeer gemakkelijk kon draaien.
Gemakkelijk en geruischloos, want ook de uiteinde van de stangen bleken goed geolied te zijn.
Volkomen onhoorbaar draaide de deurhelft, nadat de werkelijke scharnieren buiten dienst waren gesteld.
Wanneer de dief weder heen ging, trok hij de deurhelft aan de scharnieren naar zich toe, stak er de ijzeren pen weder in en nu was er volstrekt niet te zien dat iemand door de deur was binnen gegaan.
„En toch is er iets, wat ik volstrekt niet begrijp,” barstte Charly na eenige oogenblikken uit. „Hoe is het mogelijk dat de dief al deze deuren zoo heeft ingericht, zonder dat men er in het hotel iets van bemerkte?”
Maar Raffles schudde glimlachend het hoofd en zeide:
„Daarvan is natuurlijk in het geheel geen sprake. Ik wil je wel zeggen wat ik er van denk, maar eerst zullen we de deur weder in normalen stand terug brengen.” Raffles ging weder op het balkon, trok de deurhelft naar zich toe, stak de pennen in de scharnieren en daarop opende Charly aan den binnenkant de balkondeur en Raffles trad weder binnen.
Wel waren eenige voorbijgangers blijven stil staan, toen ze de beide mannen bezig zagen, maar allen daar in de buurt wisten, dat het hotel sedert eenigen tijd letterlijk krioelde van politiebeambten en ze zagen de beide heeren natuurlijk voor detectives aan.
Ook konden zij wegens de hoogte waarop de kamers gelegen waren, en de tamelijke breedte van het balkon zelfs aan de overzijde van de straat niet waarnemen, wat er met de balkondeur geschied was.
Zoodra Raffles weder was binnen getreden en de balkondeur had gesloten, begon hij:
„Ik herhaal je, Charly, er kan geen sprake van zijn, dat al deze deuren door den dief zoo zijn ingericht, nadat het hotel gebouwd was en ik ben nu ook zeker, dat wij hier met een heel complot te doen hebben en dat er minstens drie of vier personen bij deze diefstallen zijn en die personen hebben allen iets te maken met het bouwvak, of zij hebben er zich tijdelijk ingedrongen, met het doel, dat je kent. De balkondeuren zijn, zooals wij ze nu zien, reeds bij den bouw van het hotel zoo aangebracht en wel door dezelfde lieden, die naderhand de diefstallen pleegden. De deuren bevinden zich alleen op de vierde en vijfde verdieping en daarom hadden de beroovingen ook alleen op die etages plaats.”
„Maar hoe konden deze deuren aangebracht worden, zonder dat de architect, of tenminste de bouwopzichter het merkte,” riep Charly uit.
„In welk opzicht wijken deze balkondeuren dan af van de gewone?” was de wedervraag van Raffles. „Alles goed beschouwd, valt er niet veel bijzonders aan op te merken en wij wilden er eenmaal iets bijzonders aan vinden, omdat we niet wilden aannemen, dat de dief door een sleutelgat was gekropen. Het spreekt echter vanzelf, dat degene, die deze deuren maakte, verkocht, of misschien veranderde, medeplichtig is aan de diefstallen. Balkondeuren vormen natuurlijk slechts een zeer onbeteekenend onderdeel van zulk een groot bouwwerk en de bouwopzichter heeft er volstrekt geen acht op geslagen.
„Hij heeft dat overgelaten aan den man, den [11]timmerman waarschijnlijk, die de deuren leverde. Hij zag dat ze voortreffelijk werkten en het was hem blijkbaar volmaakt onverschillig of de spagnolet rond of vierkant, of de scharnieren buiten, of binnen waren.
„Maar in dat geval kan Scotland Yard de dieven over een paar uren in handen hebben.”
„Dat kan zij, indien wij haar inlichten,” zeide Raffles droogjes.
„Ben je dat dan niet voornemens?”
„Voorloopig niet. Ik wil eerst eens zelf op onderzoek uitgaan. Mijn concurrenten hebben al voor een flink bedrag in dit hotel gestolen en ik zou het een zeer opwindend tijdverdrijf achten, wanneer ik hen dien buit kon afhandig maken.”
„Een gevaarlijk werkje, Edward. Die lieden zijn natuurlijk lid van een of ander machtig dievengenootschap.”
„Dat denk ik ook wel, maar dat kan mij niet weerhouden. Wanneer wij met een weinig beleid en voorzichtigheid te werk gaan, kunnen wij waarschijnlijk een goeden slag slaan, de stelers bestelen, ik ken geen sport, die zoo opwindend is.”
„Blijven wij nu hier?”
„Meer dan ooit. Ik zal wel zorgen, dat het spoedig ruchtbaar wordt, hoe rijk wij Galiciërs zijn.”
„Waarom?”
„Om de dieven tot ons te trekken, in geval wij hen niet mochten ontdekken.”
„Zou je den hotelhouder in ieder geval niet in het geheim nemen?”
„Niet voordat wij zekerheid hebben. Wij moeten nu eerst eens onderzoeken, Charly, wie de aannemer van dit gebouw is geweest, wie de materialen, wie de arbeiders heeft geleverd.”
„Het zal een langdurig onderzoek worden.”
„Ongetwijfeld, het hotel is zeer groot, het is in betrekkelijk korten tijd gebouwd en er zullen wel een paar honderd werklieden op zijn minst bij betrokken zijn geweest. Toch wordt ons arbeidsterrein aanmerkelijk beperkt door de omstandigheid, dat we ons volstrekt niet te bekommeren hebben om de metselaars, de loodgieters, de schilders of de dakdekkers, maar uitsluitend om de timmerlieden, want zij zetten er de deuren en vensters in, en dan natuurlijk om de leveranciers van de balkondeuren. Kom, wij zullen maar dadelijk aan het werk gaan.”
De beide vrienden ontpakten nu hun valies, hingen hun goed op, sloten hun kamers, brachten de sleutels, zooals het gebruik wilde, aan de jonge dame, die in haar vestibule in haar loge zat met een reusachtig bord met sleutels achter haar en knoopte toen een praatje aan met den portier, die dadelijk goed op de hoogte bleek te zijn met alles, wat met den bouw van het hotel in verband stond.
Hij kon hem om te beginnen den naam noemen van de aannemersfirma, Talbot en Pearson, Holbornstreet 37.
Natuurlijk waren de beide mannen wel zoo verstandig hem geen bijzonderheden te vragen, daar zij volstrekt geen achterdocht wilden wekken en zij verlieten het hotel, riepen op straat een huurauto aan, en lieten zich aanstonds naar het kantoor van de aannemers brengen.
De heeren dreven de zaken op grooten voet, dat was aanstonds te zien aan den omvang van hun kantoorgebouw en aan de weelderige wijze, waarop het was ingericht.
Raffles en Charly hadden zich uitgegeven voor detectives, zooals zij bij vroegere gelegenheden reeds menigmaal met succes hadden gedaan en zij werden, ofschoon de kantoortijd reeds voorbij was, dadelijk toegelaten bij de beide firmanten.
De een zoowel als de ander was van heel klein af zijn loopbaan begonnen en dat was nog duidelijk merkbaar in de wijze, waarop zij hun stijven vilthoed, dien zij zelfs binnenshuis zelden afzetten, achter op het hoofd droegen en hun uitgesproken voorliefde voor zware rooktabak.
Het waren twee stoere, door een langdurig verblijf in de buitenlucht gebruinde heeren, die Raffles en Charly ontvingen.
„U is voor vandaag nummer acht en negen,” riep Talbot uit, nadat zijn beide bezoekers hadden plaats genomen.
„Wilt gij zeggen, dat gij vandaag reeds zeven van mijn collega’s hebt ontvangen?” vroeg Raffles.
„Niet meer en niet minder. Wat de heeren van mij willen, is mij niet recht duidelijk,” hernam Talbot. „Natuurlijk komt u ook in de zaak van het Kensington-Hotel, nietwaar?”
„Zoo is het, mijnheer.”
„Nu, dan weet ik al wat u komt vragen. Gij denkt zeker ook, juist als die andere heeren, dat er ergens geheime luiken, deuren, wat weet ik moeten zijn.”
Maar Raffles schudde glimlachend het hoofd en zeide: [12]
„Wij weten wel beter, mijnheer. Dat willen we volstrekt niet van u weten. Wij weten wel, dat een modern hotel geen spookslot is, of een ruïne uit een film. Wij wenschen eenvoudig te weten van u, wie u de balkondeuren voor het hotel geleverd heeft.”
Talbot en Pearson zagen elkander verbaasd aan en toen herhaalde de laatste:
„De balkondeuren, wel ik geloof dat het Plumkett was, ik zal het aanstonds eens voor u opzoeken.”
Hij trad op zijn schrijftafel toe, sloeg een geweldig register open, zocht eenigen tijd, zachtjes voor zich heen fluitend en zeide toen na eenigen tijd:
„Ja, alle deuren, de balkondeuren zoowel als de andere zijn door Plumkett geleverd in Waltonstreet.”
„Ik dank u zeer, mijnheer,” kwam Raffles, die het adres aanstonds had opgeschreven. „Nu nog eenige vragen: Wilt gij mij zeggen hoeveel arbeiders gij ongeveer in dienst had?”
„Drie honderd en zeven en tachtig,” antwoordde Talbot zonder aarzelen.
„Dat is nog meer dan ik dacht. Wie leverde u die?”
„Wij hebben een vaste kern van driehonderd man, die geregeld voor ons werken en als wij daaraan niet genoeg hebben, dan levert onze agent, Turner. Hij kan er nog altijd zooveel krijgen als hij wil.”
„Doet Turner onderzoek naar de menschen die zich bij hem komen aanbieden?”
„Wat bedoelt gij? Naar hun bekwaamheid? Dat zou maar tijd vermorsen zijn. Dat is immers na tien minuten wel op het werk te zien? En ik verzeker u dat die methode heel wat beter is dan vragen stellen, want iedere arbeider zegt toch altijd van zichzelf, dat hij bekwaam is, dat deed ik zelf ook, toen ik nog steenenkruier was. Een arbeider, van wien na een kwartier blijkt, dat hij zijn vak niet kent, gaat er aanstonds uit.”
„Heel practisch. Zeg mij eens, mijnheer Talbot. Is het tijdens den bouw voorgekomen, dat u om die reden arbeiders hebt moeten weg zenden?”
„Slechts eenmaal. Het gold een loodgieter, die zich als heel bekwaam had aangemeld, en die zich verbeeldde, dat je ijzer met koper kunt samen soldeeren.”
„Nu dit nog: wie zette de ramen en deuren in? Doen dat uw eigen timmerlieden, of geschiedt dat door speciale arbeiders van Plumkett.”
„Dat hangt er van af. Gewone kamerdeuren stuurt hij op het werk, en dan hangen onze timmerlieden ze in de scharnieren. Een kwestie van niemendal. Maar als het bijvoorbeeld nog al ingewikkelde constructies zijn, zooals draaideuren, of balkondeuren met espagnolet, dan stuurt Plumkett een paar van zijn eigen menschen.”
„Was dat ook nu het geval?”
„Ja, dat weet ik zeker. Maar zeg mij eens, mijnheer, waarom stelt u mij al die vragen?” kwam Talbot verbaasd.
„Het spijt mij, dat ik u daarop geen antwoord kan geven, mijnheer Talbot. Later zal u dat wel duidelijk worden.”
Raffles was reeds opgestaan, na Charly een wenk te hebben gegeven en had zijn hoed gegrepen.
Nu wendde hij zich weder tot de beide aannemers en zeide:
„Ik hoop, mijne heeren, dat gij voorloopig het stilzwijgen zult bewaren over ons gesprek. Wij zijn particuliere detectives en wij zouden niet gaarne de vruchten van onze inspanning zien ontgaan, als Scotland Yard hoorde van ons gesprek en de bedoeling raadde van de vragen, welke ik u reeds gesteld heb.”
„Mijnheer, u hebt groot gelijk,” riep Talbot op jovialen toon. „Niemand laat zich graag de kaas van het brood eten. U kunt er van op aan, dat we niets zullen zeggen.”
En met deze toezegging konden Raffles en Charly heen gaan.
„Waar nu heen?” vroeg Charly, toen de beide mannen weder op straat stonden.
„Naar Plumkett.”
„Dat is een heel eind uit de buurt. Het is ook de vraag of wij hem thuis zullen treffen.”
„Dat moeten wij dan maar probeeren, maar ik begrijp het al, Charly. Je maag begint te jeuken. Welnu, hier aan de overzijde is toevallig een lunchroom. Wij zullen ons versterken met een kop bouillon en de helft van een koude kip.”
„Ik wil niet verzwijgen, dat ik blij ben met deze oplossing.” zeide Charly lachend. „De zaak interesseert me bijzonder, maar ik ben het volkomen eens met den grooten Napoleon, die zeide, dat een soldaat met een leege maag geen veldslag kan winnen.”
De beide mannen stapten de lunchroom binnen, [13]gebruikten haastig iets, en stonden een kwartier later weder buiten, om rond te zien naar een huurauto waarvan de chauffeur bereid zou zijn, den langen weg naar de Waltonstreet af te leggen.
Het duurde inderdaad eenigen tijd, voor zij een chauffeur hadden gevonden die onzelfzuchtig genoeg was, om hen, al was het dan tegen een zeer groote fooi, naar de genoemde straat te brengen.
De rit duurde ruim een uur, en eindelijk hield de auto stil voor een fraai huis, dat deel scheen uit te maken van een groot fabriekscomplex.
Op een koperen bordje op de deur was de naam Plumkett gegraveerd.
Raffles belde aan, en vernam van den huisknecht, die de deur opende, dat mijnheer Plumkett juist van tafel was opgestaan, maar dat hij hem zou vragen of hij twee particuliere detectives in een belangrijke zaak wilde ontvangen.
De heer Plumkett was zeker in een goede bui, want hij stond het verzoek toe en een oogenblik later stonden de beide vrienden tegenover een kleinen, mageren man, met doordringende zwarte oogen en een intelligent gelaat. Het gelaat van den pienteren, ondernemenden zakenman.
„Waarmee kan ik de heeren dienen?” vroeg Plumkett, nadat hij Raffles en Charly met een gebaar tot zitten had genoodigd.
„Wij zullen u niet lang ophouden, mijnheer Plumkett,” antwoordde Raffles. „Wij komen in de zaak van het Kensington-Hotel, waarin den laatsten tijd een groot aantal even stoutmoedige, als geheimzinnige diefstallen heeft plaats gehad.”
„Daar heb ik van gelezen,” hernam Plumkett verwonderd. „Maar ik kan met den besten wil van de wereld niet inzien, wat ik daarmee te maken heb! Verdenkt gij mij soms?”
„Neen, mijnheer Plumkett!” antwoordde Raffles glimlachend. „Maar gij zoudt ons misschien eenige waardevolle inlichtingen kunnen geven.”
„Als gij dat denkt mijnheer, vraag dan slechts!”
„Ik dank u voor deze toestemming, en ik kom ter zake. Gij hebt de deuren en ramen geleverd voor het hotel wat ik zooeven noemde, nietwaar?”
„Ja.”
„Zijn de balkondeuren, welke gij geleverd hebt, van een courant model?”
„Welzeker zijn ze dat! Ik heb er al zoo duizenden geleverd!”
„Met ronde spagnoletstangen?”
„Met ronde spagnoletstangen?” herhaalde Plumkett, terwijl hij zijn wenkbrauwen hoog optrok. „Wel neen, die maak ik nooit, die zijn minder sterk dan platte! In mijn deurenfabriek gebruiken wij nooit anders dan platte spagnoletten.”
„Het is zeker onmogelijk, dat in uw fabriek, waar zooveel vervaardigd wordt, bijvoorbeeld van een veertigtal deuren de stangen rond gemaakt worden, zonder dat gij dat bemerkt?”
„Dat is volkomen buitengesloten, mijnheer!” antwoordde Plumkett kortaf. „Dat is onbestaanbaar! Vergeet niet dat men aan de ronde stangen alleen niet genoeg heeft, maar dat er dan natuurlijk ook ronde oogen noodig zijn, en geen vierhoekige!”
„Worden de stangen ook in uw fabriek gesmeed?”
„Alles gebeurt hier. Wij draaien zelf de schroeven, wij verven onzen deuren en ramen zelf, wij leveren de raamgewichten, en het eenige dat wij van andere fabrieken krijgen is het touw en de verf. Natuurlijk zou er op mijn fabriek wel eens door dezen of genen een ronde stang gesmeed kunnen worden, maar zelfs dat zouden de werkbazen onmiddellijk zien en ik zou het weten, maar dat men voor dertig of veertig deuren ronde spagnolettes zou maken, dat wil zeggen een lengtje van bijna tachtig meter, ik herhaal u dat het volkomen is uitgesloten. Wilt u mij niet zeggen, waarom u mij dat vraagt?”
„Kan ik op uw stilzwijgen rekenen, mijnheer Plumkett?”
„Volkomen.”
„Welnu, in het Kensington-Hotel zijn op de vierde en vijfde verdieping alle balkondeuren voorzien van ronde spagnoletstangen. De scharnieren zitten aan den buitenkant en zij hebben losse pennen, die zeer gemakkelijk uitgetrokken kunnen worden.”
„Pennen met koppen?” vroeg Plumkett, die zijn ooren niet scheen te vertrouwen.
„Ja.”
„Weet ge dat volkomen zeker?”
„Ik heb mij er persoonlijk van overtuigd.”
„Daar staat mijn verstand bij stil,” riep Plumkett uit. „Ik kan u verzekeren, mijnheer, dat ik weliswaar een groote fabriek heb, maar dat ik toch op een spijker na weet, wat er om gaat. Zonder dat ik de teekeningen behoef na te gaan, kan ik u al zeggen, dat de deuren, welke ik voor het hotel leverde weliswaar de scharnieren aan de buitenzijde hadden, [14]maar dat de pennen zonder koppen waren. Zulke scharnieren breng ik altijd alleen maar op binnendeuren, omdat de menschen dergelijke deuren soms wel eens willen uitnemen en vervangen door portières. Ik moet u zeggen, dat ik er volstrekt niets van begrijp.”
„Het zal u wel spoedig genoeg duidelijk worden, mijnheer Plumkett, maar eerst nog eens een paar vragen: Zijn al uw arbeiders volkomen betrouwbaar?”
„Dat is een vraag, mijnheer, waarop ik u niet zoo gemakkelijk kan antwoorden,” riep Plumkett uit. „Ik heb negen honderd vijftig arbeiders in dienst, in de smederij, de bankwerkerij, de glassnijderij, de zagerij en de timmermanswerkplaats en ik zou er niet graag mijn hand voor in het vuur willen steken, dat al die menschen van een onberispelijken levenswandel zijn, dat kan geen enkel fabrikant.”
„Dat ben ik volkomen met u eens, mijnheer Plumkett,” gaf Raffles toe. „Mijn vraag was misschien niet zoo heel verstandig en toch ben ik er zeker van dat onder uw werklieden, en waarschijnlijk ook onder enkele werkbazen elementen te vinden zijn, die gij ongetwijfeld op staanden voet zoudt ontslaan, als gij wist, of althans vermoedde, wat zij op hun kerfstok hebben,”
„Wat dan wel, mijnheer,” vroeg Plumkett verbaasd.
„Hebt ge dat nog niet afgeleid uit mijn vragen? Het is dunkt mij volkomen duidelijk, dat, daar de balkondeuren, die zich thans in het hotel bevinden, niet in uw fabriek vervaardigd zijn, tenminste wat de onderdeelen der sluiting betreft, zij op weg van uw fabriek naar het bouwwerk een verandering moeten hebben ondergaan en het is duidelijk, dat die alleen door uw werklieden kan zijn aangebracht.”
„Gij maakt mij aan het schrikken, mijnheer,” riep Plumkett uit, „en toch, zoo moet het wel gegaan zijn. Een andere oplossing is er niet.”
„Ik ben overtuigd, mijnheer Plumkett, dat het zoo en niet anders in zijn werk is gegaan,” hernam Raffles kalm.
„Maar dan moeten die lieden onmiddellijk onschadelijk worden gemaakt,” riep de fabrikant woedend uit.
„Ook dat geef ik u toe, mijnheer, maar alvorens hen onschadelijk te maken, moet men hen kennen,” hernam Raffles glimlachend. „En gij zult zelf wel inzien dat dit met eenige moeilijkheden gepaard gaat. Al uw werklieden van de deurenafdeeling te laten aantreden en hen een voor een te laten vragen, of zij soms iets uitstaande hebben met de brutale diefstallen in het Kensington-Hotel.… Ik vrees dat ons dat niet veel verder zou brengen.”
„Gij hebt gelijk, maar wat is er dan te doen?”
„Er is een heel eenvoudig middel, mijnheer Plumkett. Gij neemt ons eenvoudig als zoogenaamde arbeiders in dienst. Onze handen zullen niet verkeerd staan, zooals gij spoedig zult merken en ik geloof, u wel te mogen verzekeren, dat wij binnen weinige dagen de daders zullen hebben uitgevonden. Wilt gij ons daartoe verlof geven?”
Plumkett dacht slechts een oogenblik na en antwoordde toen:
„Toegestemd, mijne heeren. Van dit oogenblik af maakt gij deel uit van mijn personeel.” [15]