Raffles en Charly namen onmiddellijk de noodige maatregelen.
Zij besloten des nachts in het hotel te blijven logeeren onder de vermomming welke zij daar tot dusver hadden aangenomen en de dag en de avond zouden er aan besteed worden om onderzoek te doen naar de brutale diefstallen.
Het hotel wilden zij voorloopig niet verlaten, teneinde aldus niet de kans te missen, dat zij zelve wellicht het slachtoffer zouden worden van de brutale hoteldieven, welke kans des te grooter was, daar het gerucht van hun grooten rijkdom reeds in breede kringen de ronde had gedaan.
Men kon gerust aannemen, dat de daders in het hotel althans een of twee medeplichtigen hadden en deze zouden niet nalaten, hen nauwkeurig op de hoogte te houden aangaande de finantieele positie van de logeergasten, die hun intrek in het hotel namen.
Raffles begreep, dat hij deze kans niet mocht laten voorbijgaan en daarom werd het besluit genomen, den nacht in ieder geval in het hotel door te brengen.
Het zou tamelijk vermoeiend zijn, maar hij moest voor de goede zaak iets over hebben.
Reeds den volgenden dag, vroeg in den morgen, kwamen Raffles en Charly zich als arbeiders aanmelden.
Zoo voortreffelijk was hun vermomming, zoozeer geleken ze op hetgeen ze moesten voorstellen, dat het geruimen tijd duurde, voor Plumkett wilde gelooven, dat zij dezelfde personen waren, die zich den avond te voren bij hem kwamen aanmelden, en dat Raffles verplicht was, het geheele verhaal van de diefstallen en van zijn vermoedens nogmaals te doen, alvorens de waardige fabrikant zich liet overtuigen.
„Ik moet zeggen, heeren, dat ge mij verbaasd doet staan,” riep Plumkett uit, terwijl hij Raffles en Charly beurtelings aangaapte. „Ik heb wel eens vernomen, dat detectives zich vermommen, maar ik heb altijd in de veronderstelling verkeerd, dat die vermomming voor iemand, die goede oogen in het hoofd had, al heel doorzichtig was. Ik ben nu verplicht van die meening terug te komen, want ik zou eerder aan mijn eigen persoonlijkheid getwijfeld hebben, dan dat ik u beiden zou hebben gehouden voor de beide detectives, die mij gisteravond kwamen bezoeken.”
„Wij danken u voor uw compliment, mijnheer Plumkett,” zeide Raffles met een lichte buiging. „Is alles in orde?”
„Ja, gij kunt aanstonds aan het werk gaan. Het is een gelukkig toeval dat ik eenige arbeiders ben kwijt geraakt, die zelf een zaak gingen beginnen.”
„Arbeiders van de deuren- en ramenafdeeling?”
„Ja, het speet me genoeg. Het waren bekwame werklieden. Ze hadden wat geld over gespaard, zeiden zij me, en nu wilden zij het zelf eens gaan probeeren.”
„Een gevaarlijk begin in dezen tijd,” zeide Raffles hoofdschuddend. „Wees zoo goed en schrijf mij de namen van die arbeiders eens op, als het kan met hun adressen er bij.”
„Waarom, mijnheer? Gij denkt toch niet dat.…”
„Ik denk voor het oogenblik niets, maar ik acht het verstandig met alle mogelijkheden rekening te houden.” [16]
Plumkett was op zijn bureau toegetreden, nam een klein register uit een lade, bladerde er een oogenblik in, nam een stukje papier en schreef er drie namen uit over met de adressen er achter, hetwelk hij aan Raffles ter hand stelde.
Een oogenblik later waren de beide gewaande arbeiders naar hun afdeelingen vertrokken, welke zich bleken te bevinden in een groote ruime werkloods, waar een honderdtal arbeiders druk aan het werk waren.
In de loods stonden een aantal cirkelzagen, machines om gaten in de posten van de deuren te hakken, schaafbanken, een paar draaibanken, en in een hoek bevond zich een kleine smidse, waar klein ijzerwerk gesmeed werd.
De arbeiders hadden slechts even nieuwsgierig van hun werk opgekeken, toen de beide nieuwelingen binnen traden en daarop bogen zij zich weder over hun werk.
Er was juist een bestelling van een ander groot hotel, dat in het centrum der stad zou worden gebouwd, onder handen.
In een der hoeken van de werkplaats lagen reeds een dertigtal kamerdeuren opgestapeld, nog ongeschilderd en die ook nog van sloten en knoppen moesten worden voorzien. Daarnaast waren een paar dozijn ramen opgestapeld, die nog slechts op de ruiten wachten en de verfkwast.
Raffles en Charly waren door den opzichter, die hen in ontvangst had genomen, naar een groote schaafbank geleid, waar zij dadelijk aan het werk konden gaan, dat bestond in het gladschaven van deurposten.
Het was een tamelijk eentonig werkje en heel veel kennis en aandacht vereischte het niet, maar zelfs al zou het dat wel hebben gedaan, dan zouden Raffles en Charly toch niet verlegen hebben gestaan, want zij waren gewend met houtbewerkingsmachines, zoowel als met draai- en fraisbanken om te gaan, waarvan er zich eenige bevonden in de geheime werkplaats, die zich bevond onder het tuinhuis in den grooten tuin, die zich achter het huis van Lord Aberdeen in de Regentstreet uitstrekte.
Maar juist omdat de arbeid niet veel toezicht vorderde en de beide mannen eigenlijk weinig anders te doen hadden, dan de ruwe balken, waarvan een groote stapel naast de werkbank lag, telkens op nieuw onder de ronde schaaf te schuiven en deze te verstellen, tot de juiste dikte van de deurpost was verkregen, konden ze al hun aandacht wijden aan hun omgeving.
Voorloopig echter viel er weinig anders te doen dan de gezichten te bestudeeren van de werklieden, die hier bezig waren.
Er waren jongen zoowel als ouden en op dit oogenblik kon men alleen zeggen dat ze hard aan het werk waren.
Te hooren viel er niets. De machines maakten zulk een geweldig lawaai, dat de werkbaas alle aanwijzingen met luide stem moest schreeuwen en nog liever met gebaren zijn toevlucht nam.
Het schaftuur naderde tamelijk snel en de arbeiders begaven zich naar de ruime heldere schaftkamer, waar zij voor weinig geld een zeer goeden maaltijd konden krijgen en dus bij slecht weder niet genood waren, de fabriek te verlaten.
Ook Raffles en Charly namen in deze schaftzaal plaats en zetten hun ooren thans goed open.
Maar de arbeiders hadden het over niets anders dan over de groote staking die toen juist in de metaalnijverheid was uitgebroken en geen enkel oogenblik konden de beide mannen een snel gewisselden blik van verstandhouding, een paar gefluisterde woorden, of iets anders verdachts opmerken.
Zij stonden tamelijk spoedig weder op en op de groote binnenplaats hadden zij gelegenheid een paar woorden tot elkander te kunnen wisselen.
„Het werkje zal ons niet meevallen, geloof ik, Charly,” begon Raffles. „Maar toch hoop ik aan een halve week genoeg te hebben. Er zijn acht en negentig werklieden op de afdeeling, daarvan zijn zestien jongens en nog twaalf gezellen die nog geen zestien jaar zijn, en die dus ook niet in aanmerking komen. Die acht en twintig kunnen wij er dus afrekenen. Bovendien heb ik een achttiental zeer oude werklieden opgemerkt, die al evenmin in aanmerking komen. Ik denk dat Plumkett hen meer uit medelijden houdt. Er blijven er dus twee en vijftig over, dat is dus voor ons ieder zes en twintig, Charly. Van die zes en twintig moeten wij zoo spoedig mogelijk de levensomstandigheden te weten zien te komen en daarbij kan Plumkett zelf ons natuurlijk goed helpen. Wanneer je de fabriek uitgaat zullen we scheiden en wij nemen ieder zooveel arbeiders voor onze rekening, als wij maar kunnen afdoen, maar eerst vragen wij natuurlijk aan Plumkett de [17]namen van degenen die door hun geheele gedrag en hun verleden reeds bij voorbaat van iedere verdenking zijn vrij gesteld. Dat zal onze onderzoekingen aanzienlijk bekorten.”
In den loop van den middag vond Raffles gelegenheid den directeur nog eens te spreken en deze beschreef hem een aantal werklieden, wier namen hij opgaf en die reeds vele jaren in zijn dienst waren volgens zijn meening onmogelijk schuldig konden zijn aan den diefstal in het Kensington-Hotel.
Dat was alweer zooveel gewonnen en toen de bel om half vijf luidde, die voor dien dag de beëindiging van het werk aankondigde, verlieten Raffles en Charly de fabriek, voorzien van een lijstje met namen en adressen en bezield met de beste voornemens om zoo spoedig mogelijk met eenig tastbaar resultaat terug te keeren.
Daarin echter zouden zij bedrogen uitkomen.
Zij onderzochten ieder dien avond de levensomstandigheden van een zevental arbeiders die allen in dezelfde wijk woonden, hetgeen al weder veel tijd bespaarde en al die menschen waren brave, eenvoudige kerels, die heel kalmpjes leefden, vrouw en kinderen hadden, van wie zij veel hielden, des Zondags vischten, of naar een voetbalwedstrijd gingen, Zaterdagsmiddags op de Theems roeiden, of een uitstapje maakten in de omstreken, ’s avonds in een café soms een partijtje domino speelden en er een glas bier bij dronken, en die lid van de een of andere zang-, gymnastiek- of voetbalvereeniging waren. Kortom volkomen onschadelijke leden van de maatschappij, die zeker geen seconde zouden wenschen, zich te vergrijpen aan een andermans goed.
Den volgenden dag ging het niet veel beter.
Toen troffen zij wel eenige minder soliede heerschappen aan, die wel eens te diep in het glaasje keken, en waarvan er een zelfs een geregelde sport van maakte, tweemaal in de week zijn vrouw af te rossen, maar al die lieden gedroegen zich volstrekt niet als misdadigers, die in korten tijd een zeer hoog bedrag bijeen hadden gestolen, waar zij desnoods jaren lang van zouden kunnen leven.
Integendeel, de lichtmissen onder de arbeiders verkeerden in tamelijk belabberde omstandigheden en zij waren op de geheele fabriek berucht om de geniale wijze, waarop zij onder allerlei voorwendsels geld wisten te leenen dat maar bij hooge uitzonderingen werd terug betaald.
En het scheen wel, of het vervaardigen van deuren en ramen een heilzamen invloed had op het zedelijke peil van de arbeiders, want den derden avond had Raffles en Charly weder met louter degelijke en fatsoenlijke werklieden te doen, waarvan er zelfs vier als brave Hendrikken befaamd waren.
Toen de beide vrienden zich om twaalf uur in den nacht van den derden avond tamelijk vermoeid van hun zwerftochten in hun hotelkamer bevonden, zeide Charly mismoedig:
„Nu blijven er nog maar twee of drie over en je zult zien, dat leerlingen, die pas van een Zondagsschool komen, niet braver kunnen zijn.”
„Zoo is het ook, Charly,” kwam Raffles kalm. „Ik heb er den werkbaas al naar gevraagd, onder een voorwendsel natuurlijk en als de twee brave kerels, die er nog overschieten het hemelrijk niet beërven, dan hebben millioenen anderen hier te Londen geen schijn van een kans.”
„Dus wij moeten het opgeven?”
„Dat kan ik nog niet toegeven.”
„Maar wij hebben alle arbeiders nu afgewerkt.”
„Op drie na, die er niet meer zijn.”
„Je bedoelt de drie werklieden die er uit zijn getrokken om zelf een zaak te beginnen?”
„Zoo is het. Om je de waarheid te zeggen is het mij aanstonds een weinig vreemd voorgekomen, dat drie werklieden gezamenlijk een nieuwe zaak opzetten. Een doet het wel eens, twee doen het samen, maar zelden, en drie doen het nooit want zij kennen elkaar en weten, dat zij waarschijnlijk zeer spoedig ruzie zouden krijgen. In ieder geval is het wel de moeite waard, de gangen van die drie verdwenen arbeiders eens na te gaan. Ik heb nog altijd hun namen en adressen.”
„En de werkbaas? Komt die niet in aanmerking?”
„Dat geloof ik niet. Hij is pas een week op de afdeeling, ter vervanging van een baas die daar tot dusverre het toezicht uitoefende, en die ernstig ziek is geworden naar het schijnt. Morley heet de man. Wij zullen morgen eens dadelijk een onderzoek gaan instellen.”
„Weet je wat ik daar bedenk, Edward?”
„Laat eens hooren?”
„Als wij eens kalm afwachten, tot de kerels onze eigen kamer binnen dringen en hen dan pakken.”
„Ten eerste zou dat nog zeer lang kunnen duren en ten tweede moet ik vreezen, dat zij het geld, [18]hetwelk zij in dit geval hebben buit gemaakt, niet in hun zak bij zich dragen en ik wil je niet verbergen, dat mij dat een groote teleurstelling zou zijn, want het is me niet in de laatste plaats om hun geld te doen.”
„Dan zal ik zeker ook geen succes hebben met mijn voorstel om bijvoorbeeld op het dak in hinderlaag te leggen en te zien waar zij blijven?”
„Dat klinkt al anders, Charly. Het is echter niet bepaald een ontspanning in dit jaargetij, om nachten achtereen op het dak te blijven overnachten, of liever, om daar een geheelen nacht wakker te blijven. Wel ben ik voornemens zoodra het mogelijk is, het dak eens te onderzoeken. Misschien vinden wij wel het huis, vanwaar de dieven hun sluiptochten beginnen en voor het oogenblik gevoel ik er nog het allermeeste voor naar bed te gaan.”
De volgende dag was het Zondag en Raffles en Charly hadden dus alle gelegenheid een onderzoek in te stellen naar de drie arbeiders, die eenigen tijd geleden de fabriek hadden verlaten.
Ze heetten Hammond, O’Reilly en Deary, en toen ze nog op de fabriek werkzaam waren woonden ze alle drie in de wijk van Hounsditch.
Aan het eerste adres wachtte de beide vrienden een teleurstelling. Op hun los daarheen geworpen vraag deelde een van de buren hen mede, dat Hammond, die daar geruimen tijd gewoond had, omstreeks veertien dagen geleden was verhuisd en niemand kon zeggen, waarheen.
Dat was een tegenslag die nog geen half uur later gevolgd werd door een tweede, want ook O’Reilly bleek niet meer te wonen op de vijfde verdieping van het oude huis, waar hij zich vroeger had opgehouden en niemand kon zeggen, waarheen hij gegaan was.
Maar zij werden schadeloos gesteld voor hun teleurstelling, toen zij aan het derde adres kwamen.
Een paar kinderen, die in de nauwe straat aan het spelen waren, deelden mede, dat Deary een kamer bewoonde op de derde verdieping.
Hij was thuis, maar hij zou wel spoedig uitgaan. „Hij had in de loterij gewonnen en hij was een fijne man geworden,” babbelden de kinderen, terwijl Raffles met een glimlach om de lippen toeluisterde.
Toen hij genoeg naar zijn zin wist nam hij met Charly plaats achter het eenige raam van een klein Italiaansch wijnhuis, vanwaar hij de deur van het huis, aan de overzijde, waar Deary woonde, goed in het oog kon houden.
Na verloop van een half uur kwam de man te voorschijn.
En wel was het dadelijk aan hem te zien, dat het fortuin hem blijkbaar gunstig was geweest want hij droeg een splinternieuw costuum, parelgrijze slobkousen over zijn lichtgele schoenen, een dure sportpels en een deukhoed van fijn vilt.
Raffles betaalde aanstonds de vertering, en daarop verlieten de beide vrienden het café en begonnen den man te volgen.
„Weet je wel zeker, dat hij het is?” vroeg Charly na eenige oogenblikken.
„Vergissen is niet mogelijk. Plumkett heeft mij een zeer goede beschrijving omtrent den man gegeven en alles klopt: klein, tenger, met een ontzaglijk sterk gebogen neus, een echte Cyrano de Bergerac neus, zwarte wenkbrauwen, die elkander bij de neuswortels ontmoeten, en een ongezonde, vale kleur. Zie je wel hoe alles aan den man glimt van nieuwheid. Kijk hem eens loopen, zoo trots als een pauw, en merk eens op hoe zijn prachtige kleeren contrasteeren met deze armoedige volksbuurt en haar bewoners.”
„Wat zou hij voornemens zijn?”
„Misschien wel een van zijn aanstaande compagnons bezoeken,” zeide Raffles spottend. „Wij zullen het spoedig genoeg zien.”
Na ongeveer een kwartier te hebben geloopen, riep Deary een huurauto aan en Raffles en Charly prezen zich gelukkig dat ook zij zich van zulk een voertuig konden meester maken, dat juist voorbij reed. De chauffeur kreeg bevel, de andere auto te volgen en nu begon er een rit, die bijna een uur duurde, en die tot groote verbazing van Charly voor het Kensington-Hotel eindigde.
Raffles scheen evenwel volstrekt niet verbaasd te zijn. Het was alsof hij niet anders had verwacht.
De beide vrienden, die de auto op een twintigtal meters afstand hadden laten stil staan, zagen hoe Deary uit het open portier leunde, en hoe er daarop een der kellners kwam toesnellen, met wien hij eenige woorden scheen te wisselen, waarop de kellner in het hotel verdween, Deary zijn hoofd terug trok, na iets tot den chauffeur te hebben gezegd en de auto daarop weder verder reed.
Maar de tocht duurde thans maar een minuut of [19]tien en toen bracht de chauffeur zijn voertuig opnieuw tot stand.
De auto bevond zich nu voor een fraai groot huis, blijkbaar een pension, waar de prijzen wel niet zeer laag zouden zijn, naar het uiterlijk van het huis te oordeelen. Deary stapte uit, dankte zijn chauffeur af, betaalde den man en ging binnen.
Raffles en Charly waren op hun beurt uitgestapt en de eerste stond in beraad wat hij doen zou.
Toen scheen hem iets in te vallen.
Hij wendde zich tot Charly en zeide op zachten toon:
„Wacht een oogenblik bij de auto en houd die nog eenigen tijd vast, misschien hebben wij haar nog noodig. Ik zal eens zien, wat Deary in dat huis zoekt.”
Hij liep op de huisdeur toe, die open stond, en kwam tegenover den portier te staan, een zwaarlijvig man, die den op zijn Zondags gekleeden werkman tamelijk achterdochtig beschouwde.
„Wat is er van je dienst, vriend?” vroeg hij.
„Kun je mij ook zeggen portier, of hier iemand woont, die Raymond heet?”
„Raymond, neen man, we hebben wel iemand in huis, die Hammond heet. Moet je dien soms hebben?”
„Neen, neen, ik geloof niet dat die het moet zijn,” zeide Raffles hoofdschuddend.
Hij haalde een papiertje uit den zak, waarop iets gekrabbeld stond, scheen het te bestudeeren en hernam toen op een toon van aarzeling:
„Op welke verdieping woont hij?”
„Op de derde, de rechtsche gang, de laatste deur aan je linkerhand.
„Mijnheer Hammond is hier pas ingetrokken met een vriend van hem O’Reilly. Is dat nu de man dien je hebben moet?”
„Ik weet het niet. Ik durf hem eigenlijk niet goed lastig te vallen. Ik denk dat ik nog wel eens terug zal komen.”
En Raffles nam zijn bolhoedje af en verwijderde zich weder. Hij wist nu wat hij weten wilde. De drie mannen waren daar bij elkaar.
„Hammond en O’Reilly wonen dus in dat huis?” vroeg Charly opgewonden.
„Zoo is het en Deary is hen komen opzoeken. Wij zullen hen nog eenigen tijd nagaan en dan zien, waar zij blijven.”
„Als zij ons maar niet gaan verdenken. Ze kunnen ons wel hebben gezien in onze Zondagsche spullen.”
„Dat bezwaar is te ondervangen, Charly. We hebben niets anders te doen, dan onze arbeidskleeren af te werpen, en een weinig aan ons gezicht te veranderen, een schoone boord om te doen, die wij bij ons dragen, benevens een paar manchetten en dan zullen wij er als heeren uitzien.”
„Maar dan moet je den chauffeur in het geheim nemen, want die zou zeer verbaasd zijn, als twee gegoede arbeiders, die hij in zijn auto nam, bij het verlaten daarvan deftige heeren blijken te zijn.”
„Dat behoeft niet meer, Charly. Ik heb den man al voor wij instapten gezegd, dat wij detectives waren, en hij stelt al bijna evenveel belang in de zaak als ik zelf.”
„Geloof je dan, dat we op dit oogenblik op het goede spoor zijn?”
„Dat geloof ik. Je geeft me zeker wel gewonnen, dat het gedrag van die drie signeurs al heel eigenaardig is. Dat gewonnen loterijlot is natuurlijk een praatje, alleen bedacht als voorwendsel om de plotselinge weelde van onzen vriend Deary aannemelijk te maken. Het is een zeer oude truc en getuigt niet van veel originaliteit. Ook van de nieuwe zaak, welke die heeren willen beginnen, geloof ik niets. Neen, ik meen wel te mogen verzekeren, dat wij op het oogenblik het wild op het spoor zijn. Vergeet niet dat Deary zooeven met een van de kellners gesproken heeft, dat beteekent ook niet veel goeds, hoe het ook zij, wij zullen nu spoedig genoeg weten, waaraan wij ons te houden hebben, en kom nu weder in de auto dan zullen wij ons snel verkleeden.”
De beide vrienden stapten in, nadat Raffles den chauffeur met enkele woorden op de hoogte had gebracht, die zijn auto een eindje terug reed, en ontdeden zich nu snel van hun overkleederen, die hun eigen keurig gesneden wandeltoilet bedekten.
Zij haalden hun boorden te voorschijn, deden ze aan, zetten hun pruiken af, borstelden zorgvuldig hun haar, lieten hun trekken snel een grondige verandering ondergaan en voor er tien minuten verloopen waren was het onmogelijk uit deze beide chique gekleede heeren de werklieden van zooeven te herkennen.
En van dat oogenblik af wachtten de beide vrienden met het geduld van een kat, op wat er verder zon geschieden. [20]
Hun geduld zou niet lang op de proef worden gesteld, want er was nog nauwelijks een kwartier verloopen sedert zij hun vermomming hadden afgelegd, of de deur van het pension ging open, drie mannen verschenen. Het waren Hammond, O’Reilly en Deary.
De chauffeur, die zijn instructies reeds gekregen had, lette goed op en toen de drie mannen na eenige vergeefsche pogingen eindelijk een auto hadden gevonden, ging hij deze weder na. Na een tocht van tien minuten ongeveer bevonden Raffles en Charly zich in de Highgateroad, waar het Kensington-Hotel gelegen was.
De auto minderde vaart en stond eindelijk stil op nauwelijks vijftig pas afstand van het hotel.
Raffles en Charly keken voorzichtig naar buiten.
Zij zagen hoe de drie mannen, die zij gevolgd waren, uit de auto stegen en den chauffeur weg zonden en hoe zij vervolgens een huis binnen gingen, dicht bij het hotel gelegen, waarvan Deary de deur met zijn eigen sleutels opende.
Toen de deur achter hen was dicht gevallen keek Raffles Charly glimlachend aan en zeide meesmuilend:
„Twijfel je er nu nog aan, Charly, of wij het goede spoor hebben?” [21]