[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De val wordt uitgezet.

Charly wachtte eenigen tijd voor hij antwoordde:

„Ik moet erkennen, dat de nabuurschap van het huis, waarvan Deary een sleutel schijnt te hebben al zeer toevallig is.”

„Al te toevallig, mijn waarde, om daarmee rekening te moeten houden,” zeide Raffles hoofdschuddend. „Neen, het is nu wel bijna zeker, dat we zooeven de drie stoutmoedige hotelratten het huis hebben zien binnen gaan. Ik ga verder en ik zeg, dat zij zeer waarschijnlijk voor vanavond weder een nieuwe berooving hebben beraamd.”

„Waarom denk je dat?”

„Omdat Deary zooeven een kort gesprek met een van de kellners had, die waarschijnlijk wel in het complot zal zijn en omdat zij nu dat huis zijn binnen gegaan. Er kan niet aan getwijfeld worden, of vandaar uit beginnen zij hun strooptochten. Het moet niet zeer moeilijk zijn, van het dak van het huis dat van het hotel te bereiken. Dat zullen we trouwens spoedig genoeg zien, want ik ben voornemens eens een onderzoek in dat huis in te stellen.”

„Terwijl zij daar zijn?”

„Als het moet zeker. Maar ik wacht natuurlijk liever totdat zij verdwenen zijn.”

„Dat kan een lange grap worden.”

„Ongetwijfeld, maar dat moeten wij er voor overhebben. Wij zouden desnoods in de buurt kunnen blijven en hier lunchen en als het moet ook dineeren. Nu ik eenmaal op hun spoor ben, denk ik er natuurlijk niet aan, hen zoo spoedig weer uit het oog te verliezen. Wacht eens, daar aan de overzijde is een bar, die er nog al goed uit ziet. Daar zouden we kunnen gaan zitten en vandaar zouden wij ook het huis in het oog kunnen houden.”

De twee vrienden stapten uit de auto en nu werd de chauffeur, met een fooi, die hem van genoegen deed grijnzen, weg gezonden.

De man was blijkbaar van oordeel dat het in sommige gevallen geen windeieren legt, wanneer men detectives moet rijden.

Maar Raffles riep hem nog eens terug en zeide op zachten toon:

„Er liggen in de auto nog tamelijk goede kleeren, maar die mag je voor jezelf behouden. Wij zullen ze waarschijnlijk niet meer noodig hebben.”

Weer grijnsde de chauffeur en daarop reed hij voor goed heen.

Raffles en Charly traden de bar binnen, waar zij wegens het betrekkelijk vroege uur slechts zeer weinig gasten zagen en namen voor een der ramen plaats.

Toen de kellner kwam om de bestelling op te nemen, wendde Raffles zich tot hem met de vraag:

„Ben je hier lang in dienst, kellner?”

„Zeventien jaar, mijnheer,” antwoordde de man niet zonder trots.

„Dan ken je de buurt zeker goed?”

„Dat zou ik meenen, mijnheer.”

„Je hebt natuurlijk het hotel aan den overkant van de eerste steen af zien bouwen?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„En het huis dat op een vijftigtal passen meer hier naartoe ligt, staat dat er al lang?”

„Dat huis van roode baksteenen? O ja.”

„Wat is het voor een soort huis?”

„Ik geloof een soort pension, mijnheer,” antwoordde de kellner wiens verbazing gewekt werd door de vragen welke de vreemdeling hem stelde.

Raffles die op het gelaat van den kellner las als [22]in een open boek stak hem glimlachend een banknoot van een pond toe en zeide:

„Ik vraag het niet louter uit nieuwsgierigheid, goede vriend. Ik behoef er geen geheim van te maken, tenminste niet tegenover jou, als je weet te zwijgen. Ik ben van de politie en ik stel bijzonder veel belang in het huis met de roode baksteenen.”

„Zoo, mijnheer,” kwam de kellner verbaasd. „Er is anders niet veel merkwaardigs aan.”

„Aan het huis zelf niet, mijn vriend, daarentegen wel aan sommige van zijn bewoners,” hernam Raffles bedaard. „Zeg mij eens, in deze bar zijn natuurlijk ook wel stille uren, en wat doet een kellner dan al anders dan een weinig naar buiten kijken, nietwaar?”

„Zoo is het, mijnheer, dat doen wij,” antwoordde de man lachend.

„Je hebt dus ook wel eens acht geslagen op de bewoners van dat pension, of wat het dan mag zijn.”

„Zeker, mijnheer.”

„Je kent hen zoo’n beetje?”

„Als mijn vader en mijn moeder, mijnheer.”

„Het kan niet mooier. Welnu dan, mijn vriend. Is er sedert een paar weken iemand in het huis getrokken, klein en tenger, vaak gekleed met een licht grijze sportpels en een ceintuur en een kraag van beverbont met een heel grooten gebogen neus en kleine zwarte oogjes?”

„Dat is mijnheer Deary, dien ge daar beschrijft, mijnheer,” riep de kellner uit. „Wel, hij woont er reeds langer dan een maand, zou ik zeggen. Het kunnen misschien zes weken zijn.”

Het antwoord stelde Raffles niet geheel en al tevreden, want het was hem bekend, dat de drie arbeiders pas veertien dagen geleden hun ontslag hadden gevraagd van de fabriek.

Het was dus bijna niet aan te nemen, dat Deary hier gewoond had en toch zijn werk had verricht op de fabriek.

Maar de volgende opmerking van den kellner stelde hem spoedig gerust.

„Hij woonde er mijnheer, en hij woonde er toch weer niet,” hernam de man. „’s Ochtends heel vroeg ging de man al uit en hij kwam pas laat terug.”

„En dan bleef hij zeker meestal thuis?”

„Niet altijd, mijnheer, maar toch zeker wel een paar keer in de week.”

„Ontving hij dan ’s avonds wel bezoek?”

„Damesbezoek, bedoelt u?” vroeg de kellner met een knipoog. „Ja, mijnheer, dat gebeurde ook wel.”

„Goed zoo, maar dat bedoelde ik op dat oogenblik niet.”

„Heeren kwamen ook wel.”

„Heb je die ooit weder zien vertrekken?”

„Neen, nooit, het waren zeker geweldige plakkers.”

„Hoe laat ga je hier ’s nachts weg?”

„Om een uur, mijnheer.”

„Ik dank je voor je inlichtingen, vriend, die voor ons van groot belang zijn,” zeide Raffles, terwijl hij den man opnieuw een bankbiljet in de hand drukte. „Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat ik er staat op maak, dat dit alles tusschen ons blijft, anders zou je mij beletten de diefstallen in het hotel tot klaarheid te brengen.”

„Dus u gelooft, mijnheer.…” riep de kellner verbaasd uit.

Maar Raffles legde hem met een gebaar het stilzwijgen op en zeide glimlachend:

„Op het oogenblik geloof ik nog niets anders dan dat het het beste is, over deze zaak nog niet te praten. Ik heb nog slechts vermoedens en misschien worden die vannacht reeds bewaarheid.”

Terwijl Raffles met den kellner sprak, had Charly voortdurend zijn blikken gevestigd gehouden op het huis van baksteen aan den overkant.

Toen de kellner wilde heen gaan met een diepe buiging, vroeg Charly haastig:

„Op welke verdieping woont mijnheer Deary, kellner?”

„Op de bovenste, mijnheer. Hij komt wel eens voor zijn venster staan.”

Nog een hoofdknikje en daarop verwijderde de man zich, zeer gelukkig met de goede fooi, die hij op zulk een gemakkelijke wijze verdiend had.

Van dat oogenblik af begonnen de beide vrienden het huis met het geduld van een kat te bespieden.

Zij lunchten in de bar en bleven trouw op dezelfde plek zitten, slechts nu en dan een paar woorden wisselend.

Maar om drie uur in den middag had er eindelijk een verandering van tooneel plaats. De drie gewaande arbeiders verlieten het huis weder, wachtten eenigen tijd op een huurauto en reden toen weg. [23]

„Laat je hen gaan?” vroeg Charly verwonderd, die reeds was opgesprongen.

„Natuurlijk. Ik heb voorloopig niet hen noodig, maar hun woning. Kom spoedig mee.”

Raffles betaalde de vertering en beide vrienden verlieten haastig de bar.

Zij staken de straat over en belden aan de deur van het huis van roode baksteenen.

Een dienstmeisje deed hen open en vroeg hen wat zij wenschten.

„Wij wenschen je meesteres te spreken, kindlief,” antwoordde Raffles.

Het dienstmeisje liet de beide bezoekers in een soort ontvangkamertje en ging toen heen.

Eenige minuten later werd de deur weer geopend en een corpulente dame trad binnen, wie het was aan te zien, dat zij zich liefst zoo weinig mogelijk bewoog.

„Verlangen de heeren kamers?” vroeg zij een weinig ongeduldig. En Raffles begreep dadelijk, dat zij in haar middagdutje gestoord was. „Daaraan kan ik u tot mijn spijt niet helpen.”

„Wij zoeken geen kamers, madame, wij zoeken een paar dieven,” antwoordde Raffles laconiek.

„Dieven? Dieven, in mijn huis,” riep de pensionhoudster verontwaardigd uit.

„Het spijt mij, dat ik het u moet zeggen, madame, maar wij gelooven inderdaad dat zich onder uw dak een zeer gevaarlijk signeur ophoudt, die van hier uit strooptochten onderneemt op het Kensington-Hotel.”

De corpulente dame slaakte een kreet van afkeer en woede en riep toen:

„Dat moet een vergissing zijn, mijnheer. Dat is onmogelijk.”

„Er is niets onmogelijk, madame,” hernam Raffles kalmpjes. „Wij zullen u daar spoedig genoeg van overtuigen. Hier is mijn aanstelling als particulier detective. Zoudt gij de goedheid willen hebben, ons naar de bovenste verdieping te willen vergezellen?”

„Wilt gij mij vier trappen laten beklimmen, mijnheer,” riep de dame op klagenden toon. „Dat kunt gij toch niet meenen. Als gij een onderzoek wilt instellen, kunt gij dat heel goed alleen doen, daarvan ben ik overtuigd. Waar moet gij zijn?”

„O, wij willen alleen maar even den zolder onderzoeken,” antwoordde Raffles luchtig. „Geef u maar geen moeite mevrouw, wij zullen het zelf wel vinden.”

En voor de corpulente dame nog iets had kunnen opmerken, waren Raffles en Charly de trap reeds op.

Zonder zich ergens op te houden, bereikten zij de bovenste verdieping.

Juist kwam er uit een der woningen een eenvoudig gekleed man, die beleefd zijn hoed af nam en de trap wilde afgaan.

„Pardon, mijnheer,” zoo hield Raffles hem aan, „kunt u mij ook zeggen, waar de woning van mijnheer Deary is?”

„Gij staat er juist voor, mijnheer,” antwoordde de heer die daarop nogmaals zijn hoed af nam en zich verwijderde.

Raffles wachtte tot de voetstappen van den bewoner zich hadden verwijderd en trachtte den knop van de deur om te draaien maar zooals hij vermoedde was de deur op slot.

Dit was echter voor een man als Raffles wel het kleinste van alle bezwaren.

Hij had hierop voorbereid moeten zijn, en zich voorzien van een klein bosje loopers, die spoedig uit een achterzak te voorschijn kwam en binnen enkele seconden hun dienst hadden verricht.

Raffles en Charly slopen binnen, lieten de deur op een kier staan, gingen de kleine gang teneinde, openden een tweede deur, stonden toen in een goed gemeubeld vertrek, hetwelk door een combinatiedeur in verbinding stond met een even fraai gemeubeld slaapvertrek.

„Voor een voormalig fabrieksarbeider ziet het er hier heel schappelijk uit,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij zijn blikken om zich heen liet dwalen, „en nu zullen wij eens zien, of het inwendige van al die fraaie meubeltjes ons niets onthult. Neem jij de wandkast maar voor je rekening, dan zal ik eens beginnen met dat fraaie bureau.”

Het duurde niet lang of de kast zoowel als het bureau waren geopend en van beiden werd de inhoud zorgvuldig onderzocht.

Raffles vond een aantal compromitteerende papieren, die zeer duidelijk wezen op het bestaan van een tamelijk wijd vertakte dievenbende, die zich speciaal bezig hield met de berooving van hotels, en Charly was de gelukkige ontdekker van een tasch met uitmuntende inbrekerswerktuigen, die zelfs de bewondering gaande maakte van een kenner als de Gentleman-Inbreker.

De beide mannen vonden verder nog een paar [24]doozen met scherpe browningpatronen, een spits geslepen dolk in schede, een gummi ploertendooder, en nog enkele andere wapens, benevens in een houten kistje verborgen een fleschje met een of ander bedwelmend middel, hoogstwaarschijnlijk chloroform.

Dit alles werd zeer behoedzaam juist weder op dezelfde plaats gezet. Alles werd weder gesloten en daarop verlieten Raffles en Charly de woning, zooals zij gekomen waren.

Het was intusschen donker geworden en overal in huis waren de lichten ontstoken.

„Nu zullen we eens gaan zien, of de zolder ons niet iets nieuws kan leeren, ofschoon ik het niet denk,” merkte Raffles op toen zij op het portaal stonden.

Zij beklommen nog een trap, bereikten heel gemakkelijk den zolder, zonder een enkele deur te moeten openen en zagen aanstonds, dat er een gemakkelijk te beklimmen ladder voerde naar het zolderluik.

Zij bestegen deze ladder, duwden het luik open, bereikten het platte dak, en konden een eind verder, afstekend tegen den half donkeren hemel, den rand zien van het hoteldak, dat bijna twee meter hooger was gelegen.

„Hoe komen zij daar tegen op?” vroeg Charly op zachten toon.

„Ik denk dat zij telkens een ladder meenemen, niet langer dan anderhalve meter, die ik in een hoek van den zolder heb zien staan,” antwoordde Raffles.

Vind je het niet vreemd, Edward, dat je in het bureau van Deary maar een zeer geringe som geld hebt gevonden?”

„Dat is zoo bijzonder niet. Het is zeer wel mogelijk, dat hij al het geld al heeft opgemaakt dat zijn diefstallen hem opleverde, maar het kan ook zeer goed zijn, dat hij het geld verborgen heeft in zijn andere woning in Hounsditch. Kom, laten we nu maar weer gaan. Er valt nu niet meer aan te twijfelen, of wij hebben een bezoek gebracht bij de lang gezochte hoteldieven.”

De beide vrienden daalden de ladder weder af, na het luik zorgvuldig, zooals zij het gevonden hadden weder op de ijzeren pen te hebben gezet en zochten vervolgens de pension-houdster op in haar eigen kamer.

„Geen woord over ons bezoek, mevrouw,” begon Raffles op ernstigen toon, „want dat zou onaangename gevolgen voor u kunnen hebben.”

„U maakt me aan het schrikken, mijnheer. Hebt u werkelijk dieven in mijn huis gevonden?” riep de corpulente dame uit.

„Nog niet mevrouw en misschien zullen wij hen hier ook niet vinden, maar daarvoor is het noodig dat gij de grootste bescheidenheid en stilzwijgendheid in acht neemt. Morgen zult gij wel nader van ons hooren. Bovendien moogt gij aan niemand van uw huurders, aan niemand, verstaat ge, omtrent onze komst iets mededeelen.”

„Ik beloof het u, mijnheer,” antwoordde de kamerverhuurster op bevenden toon. „Dat ik dat nog moet beleven op mijn ouden dag.”

„Het zal zoo’n vaart niet loopen, mevrouw. Gij behoeft u volstrekt niet ongerust te maken,” hernam Raffles glimlachend. „In ieder geval zult ge natuurlijk vrij uit gaan en geen overlast ondervinden.”

Nog een buiging en daarop waren de beide mannen uit het vertrek verdwenen en een oogenblik later stonden zij op straat.

„Wat doen we nu?” vroeg Charly.

„Dineeren, mijn waarde,” antwoordde Raffles laconiek.

„Waar?”

„In ons eigen hotel.”

„In dit uiterlijk?”

„Neen, we zullen eerst even onze vermomming maken, welke wij droegen toen wij onze kamers bestelden.”

Het was daartoe noodig, dat de beide vrienden zich begaven naar de Victoriastreet, waar Raffles een huis in eigendom had, hetwelk geheel was ingericht voor dergelijke verkleedingen en dat twee ingangen boven den grond en daarenboven nog een in den kelder had.

Zoodra zij zich weder het uiterlijk van rijke, Slavische handelaars hadden gegeven, lieten zij zich in een huurauto weder naar het hotel rijden, waar zij juist bijtijds aankwamen om in de groote eetzaal nog een paar onbezette plaatsen te kunnen vinden.

Terwijl zij zwijgend hun soep nuttigden, stootte Raffles Charly zachtjes aan met den elleboog en zeide:

„Kijk eens naar dien jeugdigen, hoogblonden kellner daar ginds. Hij loopt juist met een koelemmer en een paar flesschen champagne voorbij.

Charly wendde zijn blik in de aangewezen richting, en vroeg toen: [25]

„Wat is er met hem?”

„Dat is de kellner, met wien Deary vanmorgen snel eenige woorden wisselde, welk gesprek mij op het denkbeeld heeft gebracht, dat de heeren hedennacht hun slag denken te slaan.”

„Hij is dus de medeplichtige, dien de hotelratten hier hebben?”

„Ja, hij is als het ware de impresario, de man die alles schikt, die de noodige inlichtingen verstrekt, en die hen waarschijnlijk moet waarschuwen als er onheil dreigt en dat laatste zal hem moeilijk genoeg vallen, want de politie is zeer voorzichtig, wantrouwt iedereen in het hotel en zou het zeker niet aan de groote klok hangen, wanneer zij voornemens is iets te doen, teneinde de daders in hun netten te laten loopen.”

„En wat zijn jouw plannen voor vanavond, Edward?”

„Ik ga op mijn beurt mijn vallen uitzetten, Charly.”

„En waar zal die val worden opgezet?”

„Voor hedennacht op het dak, het is maar voor een keer en wanneer het vannacht niet lukt, dan beloof ik je, dat de voorstelling niet zal worden herhaald.”

„O, mij kan het niet veel schelen. Ik begrijp alleen maar niet goed, wat je op het dak wilt uitvoeren.”

„Het is toch tamelijk eenvoudig. Ik wil hen kalm hun slag laten slaan, ik wil hen ook rustig den terugtocht laten aanvaarden, en daarop wil ik hen volgen, teneinde te zien, waar zij met den buit blijven. Zij zullen dien ongetwijfeld aanstonds bij de rest van het gestolene gaan brengen en zoo zullen zij zelf de speurhond zijn, die ons het wild onder schot brengt.” [26]