[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Op het dak.

Raffles liet zich volstrekt niet beïnvloeden door het vooruitzicht, dat hij waarschijnlijk uren in de koude op het dak moest doorbrengen en at met den grootsten smaak, opgewekt door het denkbeeld, dat hij misschien in de gelegenheid zou zijn, de hotelratten op hun beurt te ontlasten van hetgeen zij in dit hotel en wie weet waar nog meer hadden buit gemaakt.

Terwijl hij kalm een peer zat te schillen zeide hij tot Charly:

„Het is geen groote kunst goede sier te slaan van andermans geld, waarvan men zich meester heeft gemaakt, het stelen zelf is veel moeilijker en onder alle andere omstandigheden zou ik er waarschijnlijk niet aan denken, de heeren concurrenten lastig te vallen en in de wielen te rijden, maar uit het kleine arsenaal, dat wij in de woning van Deary hebben gevonden, blijkt in de eerste plaats, dat zij voor geweld blijkbaar niet terug deinzen. Daarop wijst in ieder geval de dolk en de ploertendooder. Van de browning zal ik nu maar niet spreken, evenmin als van de chloroform. Dat is mij al weinig sympathiek en ook lijkt het mij heel onwaarschijnlijk, dat het edele drietal het gestolen goud op dezelfde wijze zal aanwenden, als ik reeds sedert jaren doe. Ik maak er dus volstrekt geen gewetenszaak uit, een klein spelletje met die heeren te spelen. Een spelletje, dat ik hoop te winnen.”

„Maar, veronderstel nu eens, Edward, dat ze het vannacht juist op ons voorzien hebben?”

„Wel, dan vangen zij natuurlijk bot,” zeide Raffles glimlachend.

„Maar zij zullen onze kamer leeg vinden.”

„Wat zou dat. Denk je dat ze daaruit onmiddellijk afleiden, dat wij boven hun hoofd op het dak zitten om op hen te wachten?”

„Dat nu niet, maar zij zullen misschien aanstonds rechts om keert maken, onverrichterzake, en zij zullen zich dus ook niet naar de plek begeven, waar zij hun buit bewaren.”

„Daar moeten wij het op aan laten komen, Charly. Ik voor mij geloof niet, dat zij, als zij eenmaal den tocht begonnen zijn, met leege handen zullen terug keeren. Als zij ons vertrek ledig vinden, of liever zonder geldswaarde, want onze persoon zal hen wel volkomen onverschillig zijn, dan zullen zij het eenvoudig een weinig verder beproeven en zeg me nu eens, wat je denkt over een bezoek aan het Garricktheater, waar zij vanavond een stuk van Pinero vertoonen?”

„Ik heb er volstrekt niets op tegen,” antwoordde Charly. „Als wij maar bijtijds terug zijn.”

„Maak je daaromtrent niet bezorgd. Ik weet zeker, dat we ons niet behoeven te haasten. De kellner die in het complot is, zal hen wel op de een of andere wijze met lichtseinen, of iets dergelijks, of eenvoudig per huistelefoon, waarvan de draden over het dak kunnen loopen, waarschuwen, als het slachtoffer zich ter ruste heeft begeven. Wanneer de drie heeren inderdaad het op ons voorzien hebben, dan zou de zaak zich wel ongeveer als volgt toedragen. De medeplichtige kellner houdt zijn oogen goed open en bewaakt meer speciaal onze kamers. Zoodra wij het hotel zijn binnen gegaan, wijdt hij zijn bijzondere aandacht aan ons en wanneer wij ons in onze slaapvertrekken hebben begeven, waarschuwt hij zijn kornuiten, die dan een aanvang kunnen maken met hun kleine onderneming. Maar daar zij wel [27]een uur op zijn minst zullen laten verloopen tusschen de ontvangst van het waarschuwingssein en inbraak, als men het zoo noemen mag, want van braak in eigen, rechtskundigen zin van het woord is geen sprake, zullen wij gelegenheid in overvloed hebben ons naar het dak te begeven.”

„Alles goed en wel, maar dan zullen zij des te meer achterdocht koesteren als zij ons niet meer in de kamers aanwezig vinden.”

Raffles dacht een oogenblik na en hernam toen:

„Je kunt misschien wel gelijk hebben. In ieder geval moeten we daarmee rekening houden. Dan zouden wij wellicht beter doen, wanneer wij ons dadelijk maar meester maken van de schelmen, maar dan toch pas, wanneer zij op den terug weg zijn. Ik laat het er liever op aankomen, dat zij aan een plotseling vertrek van de beide Galiciërs gelooven, en laten wij ons nu gereed maken voor de voorstelling, het is laat.”

Een half uur later ongeveer bevonden de beide vrienden zich in het Garricktheater, waar Raffles sedert eenigen tijd een vaste loge had en genoten van het voortreffelijk spel de beide hoofdpersonen in Pinero’s tragisch spel van liefde en wraakzucht „Mid-Channel”.

Zooals gewoonlijk was de geheele aandacht van Raffles bij het spel en niets verried op het gelaat van dezen merkwaardigen man dat hij zich binnen weinige uren ging begeven in een avontuur dat wel eens niet zonder gevaar kon zijn.

Zooals steeds „leefde” hij het oogenblik, zooals hij het placht te zeggen, want wat later kwam was van later zorg.

Om ruim elf uur verlieten de beide vrienden den schouwburg en lieten zich met een huurauto naar hun hotel terug rijden.

Zij gebruikten een klein souper in de eetzaal op hun eigen verdieping, en hadden daarbij de gelegenheid op te merken, dat de blonde kellner inderdaad tamelijk veel aandacht aan hen wijdde.

Het was bijna half een voor zij hun slaapkamer gingen opzoeken.

Raffles sloot zorgvuldig de gordijnen voor de balkondeuren en begon de weinige kostbaarheden, die de schijnbaar schatrijke Galiciërs hadden mede genomen, in zijn valies te pakken. Het kon wel eens noodzakelijk zijn, het hotel sneller te verlaten dan waarop hij gerekend had.

Daarna werden de revolvers goed nagezien, men moest op alle gebeurlijkheden voorbereid zijn en de drie schavuiten konden wel voornemens zijn, zich gewapenderhand te weer te stellen.

Van te voren had Charly er zich deugdelijk van overtuigd, dat de sleutel zoodanig in het slot stak, dat het onmogelijk was door het sleutelgat te kijken.

Nu zocht Raffles een lang en zeer sterk touw uit zijn bagage, aan het einde voorzien van een stalen haak en rolde dit zorgvuldig op.

„Waarvoor dient dit touw?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Ter vervanging van de trap, wanneer wij snel naar beneden moeten gaan,” antwoordde Raffles. „Men kan nooit genoeg voorzorgsmaatregelen nemen. Dat is een beginsel, waarbij ik me altijd goed heb bevonden. Voor touwen vooral heb ik steeds een bijzondere voorliefde gehad. Een touw is werkelijk van buitengewoon nut, vooral wanneer het van een voortreffelijke hoedanigheid als dit is. Het is niet te dik, doch ijzersterk en kan gemakkelijk het gewicht van drie mannen tegelijk dragen. Men kan twintig meter touw om het middel winden, onder de kleederen, zonder dat het opvalt.”

Hij had onder het spreken een blik op zijn horloge geworpen en vervolgde:

„Het is niet ver van half twee en wij zijn reeds een kwartier in onze kamer. Het wordt dus langzamerhand tijd, onze observatiepost op het dak te gaan innemen. Trek je dikke pels aan want het zal daarboven nijpen.”

Charly gaf aanstonds gehoor aan deze uitnoodiging en trok een dik gevoerde korte pels aan die warm zat en hem toch niet zou hinderen in zijn bewegingen.

Terwijl hij het kleedingstuk dicht knoopte, vroeg hij:

„Dat is waar ook. Weet je den weg naar het dak te vinden?”

Raffles keek Charly een oogenblik zwijgend en hoofdschuddend aan en zeide toen op bestraffenden toon:

„Wij werken al eenige jaren samen, Charly. Je hebt ruimschoots gelegenheid gevonden, je met mijn methoden vertrouwd te maken. Je weet dat ik slechts weinig van het toeval laat afhangen en je vraagt of ik den weg naar het dak weet. Maar mijn waarde, de weg naar het dak is in ieder vreemd huis steeds de eerste weg dien ik verken. Je weet [28]niet welke mogelijkheden er schuilen in een behoorlijk begaanbaar dak. Lees er de bladen maar eens over. Wanneer de politie een inbreker op het spoor is en de man weet niettemin te ontvluchten uit het huis waar hij des nachts een bezoek bracht, dan zal die ontvluchting negen van de tien keer over de daken plaats vinden, maar dat lukt slechts dan wanneer de dief zich van te voren goed op de hoogte heeft gebracht van de plaatselijke gesteldheid.”

„Dan heb ik niets meer op te merken, Edward, en ik maak je mijn verontschuldiging, dat ik je die vraag stelde.”

„Dan nu naar het dak en ik hoop, dat wij niet te lang meer behoeven te wachten.”

Raffles doofde het licht, trad op de kamerdeur toe, en luisterde eenige oogenblikken met de grootste aandacht.

Daar het echter buiten in de gang volkomen stil was, opende hij behoedzaam de deur, keek naar buiten, luisterde nogmaals en wenkte Charly.

Zoodra de beide mannen op de gang waren, sloot Raffles de kamerdeur van buiten, liet den sleutel in den zak glijden, en liep onhoorbaar en zeer snel voort, zoo dat Charly eenige moeite had, hem in de halve duisternis, die hier heerschte, bij te houden.

Aan het einde van deze dwarsgang opende Raffles een deur en nu bevonden de twee mannen zich op een smal portaal, slechts flauwtjes verlicht door een kaarslantaarn, en waar een ijzeren wenteltrap begon, die naar de zolderverdieping voerde.

Zonder meer gerucht te maken, dan katten gedaan zouden hebben, beklommen Raffles en Charly deze trap, die bleek uit te komen op een ruimen droogzolder, waar zich een mangelpers van geweldige afmeting bevond, met een wit geschuurde tafel, waarop naar alle waarschijnlijkheid het tafelgoed van het hotel behandeld werd.

Over een aantal drooglijnen hingen tallooze stukken linnengoed, beddenlakens, tafellakens en servetten.

De zolder had twee vensters, waarboven zich twee hijschbalken bevonden.

Charly kon dit echter slechts als het ware in vogelvlucht opmerken, want Raffles trok hem met zich mede, en beklom een ladder, die toegang bleek te geven tot het zolderluik.

Een oogenblik later bevonden de beide vrienden zich op het dak.

Het was tamelijk onregelmatig van vorm, als gevolg van de bouworde van het hotel, en niet overal even hoog.

Maar nergens was het verschil zoo groot, dat men het niet gemakkelijk kon overklimmen.

In de duisternis rezen hier en daar schoorsteenpijpen op, logge, vierkante gevaarten van baksteen.

Sommige schoorsteenpijpen waren zoo hoog, dat zij geschoord moesten worden door ijzeren steunstangen, stevig in het metselwerk verankerd.

„Nu zul je wel inzien,” begon Raffles fluisterend, „op welk een betrekkelijk gemakkelijke wijze de dieven zich konden laten zakken, door het einde van hun touwladdertje te bevestigen aan een van die sterke ijzeren steunsels. En kom nu mede naar het einde van het dak, waar wij ons verdekt zullen opstellen, en de heeren dieven zullen opwachten!”

De beide mannen begaven zich, moeite doende om hun schreden zooveel mogelijk te dempen, op het dunne laagje grint, waarmede het zink van het dak bedekt was, naar het einde van het dak, waar zich het huis bevond, hetwelk den drie mannen tot punt van uitgang diende, wanneer zij op rooftocht uitgingen.

Zoo bereikten zij den rand van het dak, en toen Charly zich daarover heenboog, zag hij daar het kleine laddertje staan, hetwelk hij reeds bij een vroegere gelegenheid had ontdekt.

Hij wilde een sigaret opsteken, maar snel legde Raffles zijn hand op zijn arm, met de waarschuwing:

„Niet rooken, Charly! Bedenk dat wij hier als het ware onder het oog van den vijand in een vooruitgeschoven stelling op wacht zitten. Wij hebben stellig niet met ezels te doen, en al verschuilen wij ons achter dezen schoorsteen, zij zouden den rook van je sigaret toch kunnen zien—en haar kunnen ruiken ook, want de wind is van ons af!”

Charly gehoorzaamde zuchtend, en daarop posteerden de beide vrienden zich achter een der zware schoorsteenen, zoodat slechts hun hoofd er boven uitstak en tuurden aandachtig naar het dak van het huis, waar Deary verblijf hield.

Er verliep een half uur, waarin weinig gesproken werd.

Maar eensklaps hieven zij bijna tegelijker tijd het hoofd op,—hun scherp oor had eenig gerucht ontvangen.

Ingespannen tuurden zij in de duisternis.

Het kon niet worden geloochend—er klonken [29]ergens gedempte schreden, niet ver van hen af.

En eensklaps fluisterde Charly:

„Daar komen zij aan—zij kruipen juist achter dien schoorsteen vandaan.”

Hij had goed gezien—daar naderden de drie hotelratten, allen met donkere kleederen aan, ten einde zoo weinig mogelijk in het oog te vallen.

Maar de maan, welke dien avond vol was, scheen hen juist in het gelaat en zelfs op dien afstand herkende Raffles hen aanstonds.

Behoedzaam kwamen de drie schelmen naderbij—en het zou niet lang duren of zij zouden het kleine laddertje bereikt hebben.

Maar eensklaps had er iets plaats, hetwelk een volslagen ommekeer bracht in den toestand.

Want plotseling, voor Raffles en Charly er op verdacht waren, verhieven zich drie gedaanten achter hen, en een stentorstem riep op bevelenden toon:

„Handen op, en geef u over! Gehoorzaam of wij schieten!”

In het maanlicht schitterden de loopen van drie revolvers, die een even duidelijke als onweerstaanbare taal spraken. [30]