Er behoefde niet aan te worden getwijfeld—de drie mannen die zoo onverhoeds ten tooneele waren verschenen, behoorden tot de politie—het was een inspecteur, door twee detectives vergezeld.
Een gevoel van woede en spijt maakte zich van Raffles meester, dat hij niet kon onderdrukken.
Door de schuld van deze drie domkoppen zou hem wellicht een prachtige gelegenheid ontgaan, om een goeden slag te slaan, ten koste van de hotelratten.
„Ezels!” kwam het sissend over zijn lippen. „Je hebt de verkeerde voor!”
„Maak geen praatjes, en volg ons, of wij gebruiken geweld!”
„Schreeuw niet zoo hard! Je jaagt de werkelijke dieven op den loop!” kwam Raffles, die veel lust had de drie agenten te oorvegen.
Het was maar al te waar, de drie dieven hadden het stemgerucht gehoord, wat niet te verwonderen viel, want de inspecteur had hard genoeg geschreeuwd, toen hij Raffles het bevel gaf de handen op te steken en zij kozen nu ijlings het hazenpad. Hun gestalten waren zeer duidelijk zichtbaar, zooals zij daar over het platte dak heensnelden.
Maar de inspecteur liet slechts een kort lachje hooren en zeide:
„Jullie medeplichtigen! Dacht je dat ik je spelletje niet doorzag, vriend? Maak geen beweging of het zou je berouwen!”
„Ik denk er niet aan om beweging te maken!” riep Raffles ongeduldig. „Ik denk er alleen maar aan, als mijn overtuiging te kennen te geven, dat ik menigmaal leeghoofden onder de politie heb aangetroffen, maar gij tot dusver het record slaat! Zult gij die mannen laten ontsnappen?”
„Wij zullen hen wel krijgen! Je zult wel zoo verstandig zijn je medeplichtigen te verraden!” liet de inspecteur op korten toon zich hooren. „En nu vooruit, en niet langer tegenstribbelen of getracht mij om den tuin te leiden met onnoozele praatjes, want je bederft er je zaak maar mee! ’t Was toch maar een goed denkbeeld van mij vannacht maar eens op het dak te gaan neuzen!”
Raffles haalde de schouders op, en zeide op zachten toon eenige woorden tot Charly, in een voor den inspecteur en zijn mannen volkomen onbegrijpelijke taal.
„Wat zeg je daar?” vroeg de inspecteur dreigend.
„Niets van beteekenis, inspecteur!” antwoordde Raffles op hoffelijken toon. „Ik zeide slechts tot mijn vriend dat hij zich in acht moet nemen voor de scherpe nachtlucht!”
En hierop werd de tocht aanvaard.
De inspecteur liep vooraan, daarop volgden Raffles en Charly, en de beide detectives sloten den stoet, en de twee vrienden voelden onophoudelijk de bedreiging van de beide revolverloopen in hun rug.
Zoo bereikten zij het nog steeds openstaande zolderluik.
De inspecteur zette het eerst zijn voet op de ladder, de revolver nog altijd in de rechtervuist geklemd en begon haar af te dalen.
Raffles volgde hem, na hem kwam Charly en vervolgens de beide detectives.
Deze opstelling bleek maar al te spoedig strategisch verkeerd te zijn.…
Want juist toen de inspecteur zich ongeveer halverwege de ladder bevond, en de eerste detective dit voorwerp wilde gaan afdalen, zette Raffles zijn voet in de lendenen van den politiebeambte, en deed hem sneller dan zijn bedoeling was, de ladder aftuimelen, terwijl Charly met een vlugge beweging en terwijl hij zich snel bukte, teneinde het zware voorwerp niet op zijn hoofd te krijgen, de stang onder het luik weg trok, dat met een luiden klap dicht viel.
En het zou niet zoo gemakkelijk weder open zijn te krijgen, want er bevond zich aan de buitenzijde geen ring, of iets dergelijks.
De inspecteur had in zijn val onwillekeurig beide handen voor zich uitgestrekt met het natuurlijke gevolg, dat hij zijn revolver moest missen die een eind verder neer kwam. In ieder geval buiten zijn bereik.
De inspecteur krabbelde spoedig overeind; een weinig verdoofd, maar woedend en vol strijdlust, [31]maar de arme man zou dien nacht geen kans meer krijgen.
Hij stormde vol van drift, met opgeheven vuisten op Raffles toe en hij was een sterk man, wiens vuisten zeker kwaad genoeg konden aanrichten.
Maar de Groote Onbekende wist zich voortreffelijk aan de omstandigheden aan te passen, en hij werd op dat merkwaardige oogenblik tot stierenvechter.
Met een vlugge beweging had hij een van de groote lakens van de drooglijn getrokken en toen de inspecteur op hem toestormde liep hij als een snoek in de fuik, en zag zichzelf als het ware gevangen in de plooien van het beddelaken.
Hij struikelde er over, slaakte een vloek, die iedere kaaiwerker hem had moeten benijden, en een onderdeel van een seconde later had Raffles en Charly de punten van het laken kruiselings over den gevallen man heen geslagen en bakerden hem nu vliegensvlug in, alsof hij een zuigeling was.
„Het is verwonderlijk, welk een remmende kracht een nieuw sterk beddelaken kan hebben op de beweging van een krachtig man als gij zijt, mijnheer de inspecteur,” kwam Raffles glimlachend. „Men zou het niet gelooven, maar gij zoudt op zijn minst wel een kwartier noodig hebben, om u uit dit laken weder te bevrijden. Het schreeuwen zullen we u maar niet beletten, want dat heeft toch geen doel. Ik hoorde daar reeds voetstappen naderen, men heeft zeker het lawaai van het luik reeds vernomen. Kom mede, amice.”
Dit laatste was gericht tot Charly Brand, die de punten van het laken met een paar stevige knoopen had dicht gebonden, zoodat de inspecteur zich als in een dwangbuis bevond, dat ook zijn beenen tot onbewegelijkheid doemde.
Raffles snelde intusschen naar de zolderdeur en wist deze op behendige wijze af te sluiten met behulp van een zwaren droogstok, dien hij er schuin voor plaatste en schoor zette tegen een uitstekende plank in den vloer.
Daarop haalde hij zijn touw te voorschijn, ging op de vensterbank van de ramen staan, en sloeg den stalen haak om den sterken ring van het hijschblok.
Hij wierp het touw naar beneden, en liet zich aanstonds zakken, terwijl hij tot Charly riep:
„Volg mij. Er is niet veel tijd te verliezen.”
Een oogenblik later was zijn hoofd onder den rand van de vensterbank verdwenen, terwijl de inspecteur brulde op een wijze, zooals hij waarschijnlijk nog nimmer gebruld had.
Charly zwaaide zich op zijn beurt over de vensterbank en liet zich langs een touw naar beneden glijden.
Maar Raffles liet zich niet geheel en al naar omlaag glijden, zooals de jonge man gedacht had, maar sprong op het balkon van de bovenste verdieping, haalde snel de pennen uit de scharnieren van de eerste de beste deur, en duwde de helft van het raam voorzichtig open. Charly volgde hem op den voet.
„Groote hemel, welk een noodlottige vergissing,” zeide Raffles zachtjes, terwijl hij een spottenden blik in het rond wierp. „Het is niet onze eigen kamer.”
„Welke kamer is het dan?”
„De kamer van een dame, en nog wel van een dame, die zeer veel zorg aan haar uiterlijk besteed. Zie maar eens naar al die potjes, doosjes en flaconnetjes, naar het fijne ondergoed, en naar de zilveren toiletgarnituren. Charly, ik geloof, dat de voorzienigheid met me is. De vergissing is lang niet zoo noodlottig, als ik eerst dacht. Wij zijn hier in de kamer van een zeer rijke dame, en daar staat het kistje met juweelen, dat ons als het ware tegenlonkt.”
Juist toen Raffles het voorwerp greep en in zijn zak liet glijden, werd de dame wakker, richtte zich met een schreeuw in haar bed op, en riep:
„Wie zijt gij? Wat wilt gij?”
„Het is van weinig belang, madame, en uw laatste vraag komt te laat. Wat ik wilde heb ik reeds verricht. Het spijt mij, dat wij u in uw slaap hebben gestoord. Doe vooral geen moeite om ons uit te laten. We vinden den weg wel.”
En Raffles sprong op de deur toe, schoof de grendels terug, draaide den sleutel om en stond in de gang.
Snel als de wind liepen zij de gang teneinde, renden een kellner ondersteboven, die juist den hoek omkwam, stormden de trappen af en bereikten ongehinderd de vestibule.
Daar was alles in de meest volkomen rust, want het was onmogelijk hier iets te hooren van hetgeen er op het dak of de bovenste verdieping plaats vond. En zoo schreden Raffles en Charly heel kalm langs den slaperigen nachtportier en bereikten de straat. Geen volle vijf minuten, nadat voor het eerst de dreigende stem van den inspecteur in hun ooren had geklonken. [32]
Raffles zette twee vingers in den mond, en een schril gefluit klonk door de nachtelijke stilte.
Bijna aanstonds kwam er een auto aanrijden die bestuurd bleek te worden door Henderson, den geweldig sterken chauffeur van Lord Aberdeen.
„Waar gaan wij heen?” vroeg Charly.
„Naar het andere huis van Deary.”
„Om wat te doen?”
„Om de drie schelmen daar op te wachten.”
„Denk je dan dat ze daar heen zullen gaan?”
„Dat zou volstrekt niet verwonderlijk zijn. Zij hebben door het intermezzo op het dak begrepen, dat men hen in de kaart heeft gezien en daar zij vreezen dat men hen kent, zullen zij zich haasten te vluchten. Maar niet nadat zij den buit zijn gaan halen en ik denk wel haast, dat die in het oude huis van Deary verborgen is.
„Hoe het ook zij, zij zullen ons niet meer ontsnappen, komen ze daar niet, dan vinden wij hen wel elders.”
Hij wendde zich tot Henderson en zeide:
„Rijd zoo snel als je kunt. Het adres heb ik je reeds gegeven. Bedenk dat we vijf minuten achter zijn.”
De reus knikte. Raffles en Charly sprongen in de auto, en deze zette zich in beweging, om na een zeer snellen rit van een half uur stil te staan voor het huis van Deary.
De twee vrienden stapten uit, Henderson ging de auto stallen in een nachtgarage op een dertig pas afstand en kwam zich toen bij de anderen voegen.
Reeds was op het schellen van Raffles de deur geopend door een slaperigen portier, die hem echter aanstonds binnen liet, toen Raffles hem zijn penning als detective toonde en hem een pond sterling in de hand had gedrukt.
Nadat de man bevel had gekregen, alle lichten weder te dooven, en zich te houden alsof hij sliep, begaven de drie mannen zich snel naar de woning van Deary, waar zij nadat Raffles de deur met zijn looper geopend had, binnentraden en zich verscholen achter de gordijnen en achter een zware boekenkast.
Zij behoefden niet lang te wachten, want een kwartier later klonken er schreden, de deur werd geopend, het electrische licht werd ontstoken, en Deary en zijn beide medeplichtigen traden binnen.
Zij schenen groote haast te hebben, want Deary verloor volstrekt geen tijd, maar liep op de boekenkast toe, opende ze, nam er een geweldig zwaar en dik boek uit, en toen hij dit openklapte, na de koperen sloten te hebben geopend, vertoonde zich een menigte sieraden, diamanten ringen, oorhangers, kostbare colliers, en ook eenige pakken bankbiljetten.
„Dat zou ik zonder uw hulp zeker zoo spoedig niet gevonden hebben!” liet eensklaps de stem van Raffles zich hooren, die met opgeheven revolver van achter zijn gordijn te voorschijn kwam.
Met een schreeuw van woede en wraakzucht wilden de drie hoteldieven zich op hem werpen, maar Henderson sprak een woordje mee, en in een ommezien was nu het pleit beslecht!
De drie kerels rolden als kegels door de kamer, en voor zij konden overeind krabbelen, waren zij al stevig gebonden en gekneveld.
Raffles stak den buit met een koel glimlachje bij zich, en zeide, met een blik op de drie gevangen bandieten:
„Het was een goede dag, mijne heeren! En nu zal ik u kans laten! Want ik ben van oordeel, dat men ook anderen gelegenheid moet geven om weg te loopen! Ik zal over een uur de politie waarschuwen, en hier heen zenden! Hebt gij u binnen dien tijd weten te bevrijden, des te beter voor u! Zijt gij er dan echter niet in geslaagd, het spijt mij, maar dan zal het uw eigen schuld zijn. Ik wensch u het beste toe, mijne heeren, ik geef u mijn oprechte bewondering te kennen over uw geniale vondst met die hoteldeuren, en ik heb de eer u te groeten!”