[Inhoud]
Het diamanten Halssnoer.

Het diamanten Halssnoer.

HOOFDSTUK I.

Het collier van gravin Mac Dougall.

Niet ver van de Kensington Gardens, en ten noorden van dit prachtige park, hetwelk deel uitmaakt van het wereldbefaamde Hyde Park, bevindt zich de Cleveland Square, waar slechts de rijkste en deftigste Londenaars wonen, die er allen hun eigen huizen hebben, voor zeer aanzienlijke kapitalen gekocht, daar de grond hier bijna even duur is als in het hartje van Londen.

In het midden van het plein van dien naam strekt zich een vrij groot plantsoen uit, waar het altijd zeer stil en rustig is.

Des middags ziet men er de kinderen van de rijke lieden, die aan het plein wonen, spelen onder de hoede van deftige nurses, Fransche gouvernantes en zelfs van Duitsche fräuleins.

Ter rechterzijde van het plein verheft zich ongeveer in het midden een alleenstaand huis, hetwelk gebouwd werd tijdens het renaissance tijdperk, en sedert dien tijd het eigendom is van het geslacht der graven Dougall.

Het is een trotsch, zeer groot huis, van grijze steen opgetrokken en aan drie zijden omgeven door een zelfs voor deze buurt zeer grooten tuin, terwijl een breed grasveld, doorsneden door een oprijlaan, welke op het marmeren terras uitloopt, het heerenhuis scheidt van den openbaren weg.

Op het oogenblik, waarop ons verhaal een aanvang neemt, werd het huis bewoond door gravin Eleonora Mac Dougall, een trotsche telg voor haar geslacht en die zich, ondanks haar vijftig jaren, gaarne een air van jeugdigheid gaf, hetgeen haar moeilijk viel, daar zij zeer lang, zeer mager en ten overvloede, verre van mooi was.

Haar echtgenoot was reeds in de eerste dagen van den wereldoorlog gevallen, een van haar beide zoons zocht het adellijke schoon in Schotland, en de tweede, een jonge man van zes en twintig jaar deed weinig anders dan door de geheele wereld reizen en zijn moeder zag hem slechts zelden, hetgeen zij slechts ten halve betreurde, want de flink opgeschoten Dougall, met zijn zware knevel was er niet bepaald toe geschikt, haar jonger te maken en booze tongen beweerden dat de gravin volstrekt geen tegenzin had in een tweede huwelijk, ingeval [2]er slechts aannemelijke aspiranten kwamen opdagen, van adel als zij, rijk als zij en op wiens verleden natuurlijk niets mocht zijn aan te merken.

De vijandinnen van gravin Eleonora, en zij waren talrijk, verklaarden onomwonden dat de bewoonster van het prachtige huis aan het Cleveland Square een zottin was, en haar benijdsters, die waren er nog talrijker, mompelden, dat er allicht een man te vinden zou zijn, zotter dan zij, die lust en moed zou gevoelen, de spichtige, trotsche en verre van aantrekkelijke dame ten huwelijk te vragen.

Gravin Eleonora liet de booze tongen praten, lachte minachtend met haar dunne, bloedelooze lippen en gaf ondertusschen partij op partij in haar prachtig huis.

Menigeen vroeg zich af, waartoe eigenlijk dit heerenhuis met zijn vijf en twintig kamers en zijn zes zalen, door de gravin als woonstee was uitverkoren, want zij verbleef daar slechts in gezelschap van haar jeugdige nicht, Miss Grace Keating, de spruit van een verarmde zijlinie van het grafelijk geslacht, die zij tot dame van gezelschap had verheven, een oude huishoudster, Miss Arabella More geheeten, en voorts de noodige bedienden, die onder bevel stonden van een deftigen ouden buttler, die reeds tientallen jaren in dienst van Mac Dougall was.

De gravin had in Londen nog twee andere huizen, heel wat kleiner dan dit en die zeker vrij wat geriefelijker waren, maar zij had er nu eenmaal haar zinnen op gezet, in dit paleisachtige huis te wonen, dat zich in ieder geval beter leende om partijen te geven.

Het seizoen was niet lang begonnen en het was in het laatst van November toen er weder een soiree plaats vond, door gravin Eleonora gegeven, waarop tal van edellieden, bekende kunstenaars, parlementsleden, steunpilaren van de beurs en eenige zeer rijke industrieelen waren uitgenoodigd.

De soiree werd gegeven in een der vleugels van het groote heerenhuis, waarvan de eerste verdieping daghelder verlicht was.

Daar bevond zich een van de groote zalen, die gemakkelijk zes honderd personen kon bergen en die voor dergelijke doeleinden bij uitstek geschikt was.

Drie zware electrische kronen hingen van het rijk versierde plafond af, dat door niemand minder dan den beroemden Franschen kunstenaar Fragonard beschilderd was en zij deden de groote zaal in een zee van licht baden.

Een drietal kleinere nevenvertrekken waren tevens bestemd om de gasten van gravin Mac Dougall te ontvangen en in een er van was een koud buffet aangericht waar men zich door een van de vier bedienden, die hier hadden post gevat, fijne spijzen kon laten toereiken, welke men staande moest nuttigen.

Een paar honderd personen hadden gevolg gegeven aan de uitnoodiging van de gravin en daaronder waren zeer vele jongelieden, want er zou gedanst worden.

Gravin Eleonora had wel begrepen, dat zij deze concessie moest doen, want zij bezat nog juist genoeg zelfkennis om in te zien, dat haar conversatie en haar goede keuken alleen niet voldoende zouden zijn, om gasten tot zich te lokken.

Een strijkje van vier man, op een verhevenheid achter een fraai bewerkt kamerschut opgesteld, speelde bijna voortdurend sleepende walsen en zelfs nu en dan een Two step, hetwelk oogluikend door de gravin werd toegelaten, die niet voor al het goud van de wereld zou wenschen, dat men haar voor benepen of achterlijk hield.

De gravin zelve had haar gasten bij de breede dubbele deur, die van de groote zaal direct uitkwam op het portaal, waarop de geweldige marmeren statietrap toegang gaf, begroet.

Zij was gekleed in een baljapon van zeegroene zijde, tamelijk laag gedekoletteerd en zoo kort, dat men de fijne enkels goed kon bewonderen, de eenige uiterlijke schoonheid, waarop de gravin in dit stadium van haar leven nog kon bogen en welke zij dan ook druk exploiteerde.

Het nog altijd blonde haar, waaruit het grijze zorgvuldig was verwijderd, was zeer hoog opgemaakt en dit deed haar smal gelaat nog langer en beenderiger schijnen.

Maar voor alles werd de aandacht van den bezoeker getrokken door het collier van prachtige diamanten, hetwelk gravin Eleonora om den hals droeg.

Het was een drievoudig snoer, de diamanten waren van het zuiverste water en de grootste, bijzonder vaak geslepen, waren niet veel kleiner dan een duivenei. [3]

De gravin droeg dit halssnoer slechts bij feestelijke gelegenheden en vrij wat gasten kenden het reeds, en wisten er de waarde van. Graaf Mac Dougall had er in het begin van zijn huwelijk de kapitale som van vijf en veertig duizend pond sterling voor moeten betalen.

En sedert dien was het kostbare kleinood zeker nog in waarde toegenomen.

Niet ver van de gravin verwijderd stond een bevallig jongmeisje, in een smaakvol baltoilet.

Dat was Miss Grace Keating.

Zij kon hoogstens twintig jaar zijn en ondanks de minder aangename positie welke zij in het huis bekleedde, straalden de mooie donkere oogen van levenslust in het ronde, blozende gezichtje, dat omgeven werd door een overvloed van zwart haar en glanzende krullen.

Ook zij nam deel aan de begroeting en nu en dan wenkte gravin Eleonora haar en gaf op zachten toon een of ander bevel, hetwelk het jonge meisje zich haastte op te volgen.

Maar ten slotte trok de gravin zich toch uit haar vooruitgeschoven stelling bij de deur terug en mengde zich onder haar gasten.

En het duurde niet lang, of dezen zagen haar in druk en opgewekt gesprek met Lord Binning, een man van omstreeks vijftigjarigen leeftijd, die nog zeer groote zorg aan zijn uiterlijk besteedde en niet geschroomd had zijn haar en korte snor gitzwart te verven.

Men zeide van hem, dat hij de beste kleermaker van Weenen zijn clandisie gunde en dat deze kunstenaar hem wist te kleeden op een wijze, zooals geen Londensche tailleur hem kon verbeteren.

En aanstonds nam het gefluister een aanvang.

En het fluisteren werd tot mompelen, toen de gravin achtereenvolgens twee dansen met Lord Binning danste.

Het was zoo duidelijk als de dag, de gravin had den Lord reeds zoo goed als in haar netten en het zou niet lang duren of men zou een sierlijke kaart ontvangen, waarin Lord Binning kennis gaf van zijn voorgenomen huwelijk met gravin Eleonora Mac Dougall.

Ook deed zijne Lordschap een paar dansen met Miss Grace, maar dat beteekende natuurlijk niets.

Iedereen hier in het vertrek wist, dat Lord Binning weliswaar een adellijken titel had, maar weinig contanten, en dat hij leefde van de opbrengst van een paar landgoederen, die intusschen zwaar verhypothekeerd waren en waarvan hij bijna geen roede zijn eigendom kon noemen. En Miss Grace was arm, zij had volstrekt niets te wachten, voor zoover men wist, en zij was al evenmin van adel, want verarmde zijtakken kon men toch met den besten wil niet tot den hoogen adel rekenen.

Lord Binning zou dus een domheid doen als hij het meisje ten huwelijk vroeg, en tot een domheid achtten degenen die hem goed kenden, Mylord niet in staat.

Intusschen scheen de gravin het samenzijn van Lord Binning en haar nichtje met tamelijk scheele oogen aan te zien, en zij scheen deswege op tamelijk vinnigen toon een paar woorden tot het meisje te richten, dat beurtelings vuurrood en bleek werd en zich in een hoekje terug trok, waaruit zij echter spoedig weer werd te voorschijn gehaald door een knappen luitenant van de garde, die zich om alles minder bekommerde dan om het zure kijken van zijn gastvrouw, of door het verbod, door haar uitgevaardigd.

Het kon echter niet ontkend worden, dat gravin Eleonora succes had met haar soiree. De gasten schenen zich goed te amuseeren. Het koude buffet was overvloedig en voortreffelijk ingericht. De vier muzikanten schenen onvermoeibaar en men had een uitmuntend onderwerp voor een gesprek gevonden, in een drietal schandalen in de groote wereld, die op dat oogenblik alle tongen in beweging brachten.

Zoo werd het half twaalf, en reeds hadden een aantal gasten zich terug getrokken, die wisten, dat de gravin aan haar uiterlijk verplicht meende te zijn, haar gezondheid zooveel mogelijk te ontzien en dus nooit heel laat op bleef.

Op dat oogenblik trad er een heer van middelbaren leeftijd, met een tamelijk ouderwetsche rok aan, maar in wiens overhemd een paar kostbare zwarte parels glansden, met nog koolzwart glanzend haar en een uiterlijk, dat duidelijk zijn Slavische afkomst verried, buigend en met wrangen glimlach op de lippen op de gravin toe.

Het was Paul Orlow, de juwelier van het Strand. [4]

Hij was ongeveer een half uur geleden verschenen en had de eer genoten, eenige walstoeren met zijn grafelijke gastvrouw te mogen doen, die hem wel kende, daar zij vroeger wel eens iets in zijn welbekende zaak gekocht had en er ook nu wel eens reparaties liet verrichten.

Orlow bleef voor haar stil staan, kuchte een paar maal verlegen achter zijn hand, als iemand die niet weet hoe te beginnen en zeide toen, na een snellen blik om zich heen te hebben geworpen:

„Verschoon mij, mevrouw de gravin. Hebt gij wellicht eenige minuten voor mij?

Gravin Eleonora trok haar wenkbrauwen hoog op, als vreesde zij niet goed te hebben verstaan.

„Ik zou niet zoo vrijpostig zijn, gravin,” vervolgde de juwelier haastig, „als ik niet iets zeer belangrijks en voor u zeer onaangenaams heb mede te deelen. Het spijt mij dat ik dit juist bij deze gelegenheid moet doen, maar ik durf de waarheid niet langer verborgen te houden.”

„Mijn hemel Orlow, gij maakt mij aan het schrikken,” riep de gravin uit, nu werkelijk ontsteld door de woorden van den juwelier. „Wat kunt gij mij wel hebben mede te deelen. Is de ring zoek geraakt of gestolen, dien ik een paar dagen geleden bij u liet brengen?”

„Uw ring ligt in mijn brandkast, gravin,” antwoordde Orlow zacht. „Het is veel erger, veel veel erger, maar ik kan het u hier niet zeggen in de balzaal en daarom verzocht ik u, mij in een van uw vertrekken even te woord te staan. Ik heb met opzet gewacht, tot de soiree bijna geëindigd is, want ik moest wel vreezen, gravin, dat gij, als gij mij zult hebben aangehoord, weinig lust zult gevoelen uw taak als gastvrouw voort te zetten.”

Nu nam gravin Mac Dougall zonder verder een woord te spreken den juwelier bij een mouw van zijn rok en trok hem, zonder acht te slaan op haar gasten die vrij verbaasd toekeken, met zich mede, de groote zaal uit, dwars het portaal over en tenslotte een klein fraai vertrek binnen.

Zij had bij het binnenkomen den schakelaar omgedraaid, sloot nu de deur, duwde Orlow zonder omslag in een stoel neer en zeide toen ongeduldig, terwijl haar dunne lippen een weinig trilden:

„Zeg me nu spoedig wat ge te zeggen hebt, Orlow. Ik kan me volstrekt niet begrijpen wat het is, wat ge me onder vier oogen moet mededeelen.”

„Het is zeer moeilijk om het u te zeggen, gravin,” begon de juwelier stotterend.

En terwijl hij deze woorden sprak, gleden zijn blikken naar het diamanten halssnoer, hetwelk gravin Eleonora om haar mageren gelen hals droeg.

En onwillekeurig gleed de zwaar beringde hand van de gravin langzaam naar boven en haar beenige vingers betastten zenuwachtig de kostbare steenen.

„Wat kijkt ge naar mijn halssnoer, Orlow,” vroeg ze toen. „Alle steenen zijn er toch nog? Maar man spreek toch. Zie je niet dat ik op heete kolen zit.”

„De steenen zijn er nog allen, gravin,” hernam Orlow op fluisterenden toon, terwijl hij schuw langs zijn gastvrouw heen keek, „maar zij zijn valsch.”

Het was goed, dat de gravin juist voor een sofa stond, want ze knikte als het ware dubbel, alsof haar beenen plotseling onder haar waren weg geslagen, en staarde toen Orlow aan, alsof zij vreesde met een gek te doen te hebben.

Toen herhaalde zij heesch:

„Valsch. Zijt gij niet goed bij uw verstand? Durft gij beweren, dat het collier, dat ik vijf en twintig jaar geleden van mijn echtgenoot kreeg, niet echt is.”

„Het collier, dat mijnheer uw echtgenoot u schonk, gravin, is zonder eenigen twijfel echt geweest. Ik ken het. Ik heb het herhaaldelijk gezien, maar de snoeren diamanten, welke gij daar om den hals draagt, zijn niet dezelfde. Ik had zooeven de eer, met u te mogen walsen, ik had alle gelegenheid het halssnoer te bewonderen en ik kon er niet aan twijfelen, de prachtige steenen waren vervangen door anderen, die door een meesterhand moeten zijn nagemaakt. Wilt gij mij veroorloven het snoer van wat naderbij te bezien?”

Als onder den invloed van een boozen droom, maakte de gravin langzaam de sluiting los en overhandigde Orlow het drievoudige snoer, dat tintelde en schitterde in het electrische licht.

De juwelier bekeek een tiental van de steenen met de grootste aandacht door een kleine loupe, die hem slechts zelden verliet, nam er een tusschen duim en wijsvinger van zijn linkerhand, en maakte [5]met den diamant die in den dikken gouden ring van zijn rechterpink prijkte, een streepje op den steen.

De kras was duidelijk zichtbaar.

Zwijgend liet hij den bekrasten steen aan de gravin zien, die het snoer weder aannam en er als wezenloos naar staarde.

Toen hernam de juwelier op een toon van beklag:

„Kristal, gravin, bergkristal, uit de Jura. Een zeer harde soort, die ook niet heel goedkoop is, maar toch moet ik u tot mijn spijt zeggen, dat ik voor dit snoer, zooals het daar is, niet meer zou over hebben dan veertig pond sterling, en dan nog, omdat er voor ongeveer dertig pond goud aan zit. Hoe het mogelijk is, dat men de steenen van uw snoer heeft kunnen vervangen, zonder dat gij het bemerkt hebt, dat weet ik natuurlijk niet. Maar ik kan u niet in het onzekere laten betreffende het feit, dat ze zijn nagemaakt.”

Nog voor Orlow geheel uitgesproken had, gleed de gravin langzaam van de sofa op den vloer. Zij was flauw gevallen. [6]