Het was in den morgen, die volgde op het soiree van de gravin van Mac Dougall en omstreeks half tien, toen er een eenvoudige huurauto stil hield voor het hek, dat het grasperk voor het prachtige heerenhuis der gravin afsloot. Een ongewone verschijning voorzeker in die deftige buurt, waar men zelden iets anders zag dan eigen auto’s en fraaie equipages.
Uit de auto stapte een rijzig man, smaakvol gekleed, recht als een kaars en met doordringende grijze oogen.
Hij wisselde eenige woorden met den chauffeur, die knikte, een krant uit zijn zak haalde, en op zijn gemak begon te lezen, als iemand die eenigen tijd zou moeten wachten, en volgde daarna met snelle schreden het oprijpad.
Hij beklom het terras, en trok aan de ouderwetsche zware koperen bel aan de huisdeur.
Het duurde eenigen tijd voor de deur geopend werd door een bediende, die den bezoeker een tamelijk verbaasden blik toewierp, zijn kleederen taxeerde en vroeg:
„Wat wenscht gij, mijnheer?”
„Ik wensch mevrouw de gravin te spreken.”
De bediende trok zijn wenkbrauwen hoog op en hernam, alsof hij zijn ooren niet vertrouwde:
„Gij wilt mevrouw de gravin spreken? Om half tien in den morgen. Maar de gravin kan nog nauwelijks haar kamer hebben verlaten.”
„Dat doet er niets toe, mijn vriend,” zeide de bezoeker bedaard. „Ik weet zeker dat zij me zal ontvangen, wanneer je zegt, dat ik in de zaak van de diamanten kom en dat ik haar dienaangaande een zeer belangrijke mededeeling heb te doen.”
„De diamanten? Welke diamanten?” vroeg de bediende verwonderd.
„Weet je er niets van?” kwam de bezoeker nu. „Nu het is ook eigenlijk geen zaak, die het personeel aangaat,” liet hij er op hoogen toon op volgen, die niet naliet indruk op den huisknecht te maken.
Hij deed de deur wat verder open, liet den bezoeker in de reusachtige hal en zeide toen, terwijl hij een reusachtigen leunstoel vooruit schoof:
„Ik zal in ieder geval mevrouw de gravin uw verzoek om haar te spreken overbrengen. Wees zoo goed om even te wachten.”
De bezoeker was gaan zitten zonder nog iets te zeggen en wachtte.
De bediende kwam in heel wat vlugger tempo terug, dan hij gebruikt had om de marmeren trap te bestijgen en hij had deze nog niet halverwege afgedaald, toen hij den bezoeker toeriep:
„Mevrouw de gravin laat verzoeken bij haar te komen.”
De bezoeker stond op, besteeg op zijn beurt de trap, waar de bediende hem wachtte en volgde deze totdat de man stil stond voor een hooge, wit gelakte deur, niet ver van het einde van de trap.
Hij klopte aan en daar hij geen naam kon noemen, liet hij den bezoeker zwijgend passeeren. Hij sloot de deur weder achter hem.
Uit een gemakkelijken stoel, dicht bij een der vensters, was gravin Eleonora opgestaan, gekleed in een peignoir, welke zij blijkbaar haastig had omgeslagen en die eigenlijk beter geschikt geweest zou zijn voor een vrouw in de glans van haar jeugd en schoonheid.
Daar zij blijkbaar een slechten nacht had doorgebracht en oogenschijnlijk ook nog geen tijd had gevonden de tallooze schoonheidsmiddeltjes aan te wenden, waarmede zij zich placht te verjongen, vertoonde zij op dit oogenblik een uiterlijk, dat [7]Lord Binning zeker zou hebben afgeschrikt, als hij het had kunnen zien.
Zij deed een paar schreden in de richting van den bezoeker, keek hem met haar knipperende, sterk bijziende oogen aandachtig aan en zeide toen:
„Gij komt hier in verband met de diamanten. Hoe is het mogelijk, mijnheer, hoe kunt gij weten wat er hier gisteren is voorgevallen? Ik had het geheim gehouden en ook Orlow verzocht er volstrekt niet over te spreken.”
„Ik wist het niet gravin, ik vermoedde het slechts,” antwoordde de bezoeker glimlachend. „Ik was natuurlijk op de hoogte van uw soiree, ik wist dat gij daarbij uw diamanten halssnoer zoudt dragen, en ik wist evenzeer dat de juwelier Orlow het plan koesterde, naar uw soiree heen te gaan.”
„Dat begrijp ik niet,” hernam de gravin met starenden blik. „Al wist gij dat alles, hoe kon gij dan vermoeden, dat Orlow tot de ontdekking zou komen, van.…”
„Van de valschheid uwer diamanten, gravin?” vulde de bezoeker op kalmen toon aan. „Ik kan mij voorstellen, dat gij u hierover verbaast, maar uw verwondering zal minder groot zijn, als ik u zeg, dat ik wel zeer nauwkeurig op de hoogte moest zijn, om de afdoende reden, dat ik de man ben, die uw diamanten gestolen heb.”
De gravin plofte meer dan zij neerzat in een stoel, die zich onder haar bereik bevond en keek den bezoeker aan met een mengeling van schrik, ongeloof en woede.
Toen herhaalde zij toonloos:
„Die mijn diamanten gestolen heeft? Die ze veranderd heeft voor valsche? En dat durft gij mij hier in mijn eigen huis komen mededeelen?”
„O, daar is niet zooveel moed toe noodig, gravin”, antwoordde de bezoeker rustig. „Gij zult wel begrijpen, dat ik mijn maatregelen heb genomen. Ik zie daar bijvoorbeeld een telefoontoestel staan, waarvan gij u zoudt kunnen bedienen, maar ik moet u zeggen, dat het weinig zou baten, want de draden zijn doorgeknipt. Gij hebt niet met een beginner of met een onhandigen sukkel te doen. Ik ben John Raffles.”
De gravin schoof met den rug den stoel achteruit en geruimen tijd kon ze geen woord over haar lippen brengen. Toen fluisterde zij op heeschen toon:
„John Raffles, de Gentleman-Inbreker, op wiens hoofd een prijs van twee duizend pond sterling is gesteld.”
„Sedert vele jaren, gravin, en zonder dat Scotland Yard ooit die som heeft behoeven uit te betalen.” bevestigde Raffles glimlachend en met een kleine buiging.
„Ik heb menigmaal staaltjes van uw stoutmoedigheid en weergalooze onbeschaamdheid gehoord, John Raffles, maar ik wist niet dat ge dit zoudt durven,” riep de gravin uit.
„Wat valt er eigenlijk te durven, gravin?” kwam Raffles met een onschuldig gelaat.
„Vraagt gij dat nog?” riep gravin Eleonora uit. „Al kan ik niet telefoneeren, denkt gij daarom dat gij ongemoeid mijn huis zult verlaten?”
„Daar ben ik volkomen zeker van, gravin,” antwoordde Raffles op denzelfden bedaarden toon.
„Maar ik zal schreeuwen. Ik zal het huis bij elkaar roepen. Ik zal drie, vier bedienden voor de huisdeur op post zetten,” riep de gravin woedend uit.
„En dacht gij met zulke onnoozele hulpmiddeltjes een man als John Raffles te beletten uw huis te verlaten?” vroeg Raffles schouderophalend. „Ik zie wel, dat ge mij niet kent, gravin. Veronderstel eens, dat ik u niet verhinderde uw stem uit te zetten, dacht u soms, dat ik niet verre weg de meerdere zou zijn, met mijn revolver en.… eenige andere werktuigjes, tegen eenige ongewapende bedienden. Denkt gij soms, dat ik niet weet dat er wel drie andere uitgangen zijn, dan de voordeur en dat ik hun plaats niet zeer nauwkeurig ken? Lieve hemel, bij uw eerste gil zou ik reeds de trap af zijn en op straat staan. Kom, gravin, laten we liever rustig met elkander praten.”
„Wat, ik zou praten met John Raffles?” riep de gravin bleek van woede uit.
„Ik verzeker u, gravin, dat ge daardoor u zelf volstrekt niet zoudt vernederen,” hernam Raffles koeltjes. „Zonder iets te willen afdingen op uw rijkdom en uw positie in de maatschappij, kan ik u wel zeggen, dat nog heel andere personen van rang en aanzien met John Raffles hebben gesproken. Goedschiks of kwaadschiks.”
Hoewel nog steeds bevend van woede en machtelooze wraakzucht nam gravin Eleonora op den stoel plaats en zeide op hoogen toon:
„Zeg dan wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer, ofschoon ik mij volstrekt niet kan voorstellen, wat [8]gij mij wel mede te deelen kunt hebben. En maak het kort, wat ik u verzoeken mag.”
„Ik zal het niet langer maken, gravin, dan volstrekt noodzakelijk is. Gij hebt het mij wel niet verzocht, maar ik zal toch zoo vrij zijn, plaats te nemen, want ik ben niet gewend dat men mij laat staan, zelfs niet ten hove.”
„Ten hove,” herhaalde de gravin met een minachtend schouder ophalen. „Ik heb wel eens hooren verhalen van uw groote stoutmoedigheid, John Raffles, maar voor gij mij zoudt kunnen wijs maken, dat gij ooit een voet aan het hof hebt gezet, zou er heel wat moeten gebeuren.”
„Gravin, ik heb hofbals bijgewoond, hier te Londen, te Madrid, en te Berlijn, toen daar nog keizer Wilhelm aan het bewind was. Gij moogt mij gelooven of niet, maar het is de waarheid. Laat ik er onmiddellijk aan toevoegen dat mijn bezoeken in al die gevallen vrij onaangename gevolgen hadden voor dezen of genen grootwaardigheidsbekleeder en eenmaal had ik zelfs de eer en het groote voorrecht, koning Alfons van Spanje onder mijn slachtoffers te mogen rekenen, bijna had ik gezegd, onder mijn clientèle. Wanneer mevrouw de gravin zich wellicht de desbetreffende verslagen in de dagbladen wil herinneren, zou zij moeten erkennen, dat ik geen naneef ben van baron van Münchhausen. Van opsnijden heb ik een ingekankerde afkeer. Nu echter ter zake, want ik zou bijna vreezen misbruik te maken van uw vriendelijkheid.”
„Van mijn vriendelijkheid,” barstte de gravin uit. „Waagt gij het, mijnheer, mij voor den gek te houden? Gij schijnt te meenen, dat gij volkomen veilig zijt.”
„Dat meen ik ook, gravin, meer nog, ik ben er zeker van. Ik behoor niet tot die lieden die over een nacht ijs gaan en voor ik mij kwam aanmelden, zoo vroeg in den morgen, heb ik mij deugdelijk overtuigd, dat men mij hier niet al te zeer in den weg zal loopen en ik ken alle trappen, gangen, vertrekken en ramen in uw huis, de balkons en de brandladder, de kelder zoowel als de zolder, minstens even goed en waarschijnlijk beter dan gij zelf. Ik had het genoegen een paar weken in uw dienst te zijn, jammer genoeg hebt gij mij toen wegens onverbeterlijke dronkenschap moeten ontslaan.”
„Wat, die huisknecht, dien man dien ik een paar weken geleden in dienst nam,” stamelde de gravin.
„Die man was ik, gravin,” zeide Raffles met een vriendelijken glimlach op zijn gelaat en een beleefde buiging. „Ik moest wel tot deze kleine list mijn toevlucht nemen, teneinde op de hoogte te komen van de beste wijze, de steenen van uw collier te kunnen vervangen door anderen, hetgeen mij een paar dagen geleden gelukt is, en nu mijn voorstel, gravin.”
„Een voorstel,” kwam de gravin verwonderd en verontwaardigd,
„Of mijn aanbod, als gij dat woord soms liever hoort.”
De gravin stampvoette van drift en zeide toen tusschen de tanden:
„Laat hooren.”
„Gij staat dus voor het feit, gravin,” begon Raffles met de grootste kalmte, „dat gij uw juweelen kwijt zijt, en dat ik ze vervangen heb door kunstmatige. Wel ga ik er niet prat op, dat mijn steenen de vergelijking kunnen doorstaan met die, welke thans vervaardigd worden door de Nobelmaatschappij, maar ik geloof toch, dat de mijne heel aardig zijn, dat een man als de juwelier Orlow ze herkent, verwondert mij niet zeer, want hij is een bekwaam man, maar ik geloof wel te mogen zeggen dat niet vele leeken op de gedachten zijn gekomen, dat uw diamanten collier niet het collier was, hetwelk wijlen uw echtgenoot u schonk.”
„Dat doet er niet toe, mijnheer,” riep de gravin uit. „Al zou niemand het kunnen zien, zelfs de bekwaamste deskundige niet, denkt gij soms, dat een gravin Mac Dougall met valsche diamanten wil loopen?”
„Ik heb steeds het tegendeel gedacht, gravin, en juist daarom ben ik hier gekomen, teneinde u het voorstel te doen, uw diamanten van mij terug te koopen.”
Raffles liet zich nonchalant achterover in zijn stoel terug vallen en keek de gravin glimlachend aan, die naar adem snakte en aanstalten scheen te maken flauw te vallen.
Zij wist zich echter te beheerschen en zeide:
„Gij waagt het mij het voorstel te doen, mijn eigen diamanten terug te koopen? Dat is wel het toppunt van onbeschaamdheid.”
„Ik ontken het niet, gravin. Het is mogelijk, dat ge daarin gelijk hebt. Maar bedenk wel, dat mijn eigenaardig beroep meebrengt, dat ik poog zooveel mogelijk geld te maken van mijn kleine ondernemingen. Gij hebt te kiezen of te deelen. Ik zal u [9]een redelijken prijs noemen, dien gij, naar ik heel goed weet, zeer gemakkelijk zoudt kunnen betalen. Doet gij dat niet, dan zijt gij uw juweelen voor goed kwijt, en ik zou desnoods jarenlang kunnen wachten, alvorens ze aan den man te brengen, zonder gevaar voor ontdekking, en langs wegen, welke ik tot mijn spijt en om begrijpelijke redenen verborgen moet houden. Betaalt gij echter wel den prijs, dien ik zal noemen dan komt gij weder in bezit van uw geliefde diamanten, waarmede gij zoo gaarne pronkt.”
Raffles zweeg en wierp de gravin een scherpen onderzoekenden blik toe uit zijn staalgrijze doordringende oogen.
Gravin Eleonora beet zich op de lippen, speelde zenuwachtig met haar dunnen, gouden horlogeketting en scheen aan een hevigen tweestrijd ten prooi te zijn tusschen haar trots en haar zuinigheid.
Maar de begeerte om haar juweelen weder in bezit te hebben won het ten slotte.
Zij hield den blik afgewend op een der groote bloemen van het Smymatapijt terwijl zij kortaf vroeg:
„Hoeveel?”
„Wat denkt u van twintig duizend pond, gravin?”
Weer zette gravin Eleonora haar kleine witte tanden in haar bovenlip en toen antwoordde zij plotseling en vastberaden: „Het is goed. Ik zal een cheque voor dat bedrag schrijven.”
Raffles liet een spottend lachje hooren, legde toen zijn eene been over het andere, perste de toppen van zijn vingers tegenover elkaar en zeide:
„Dat dacht ik wel, ik meende reeds zooiets op uw gelaat te hebben gelezen. Maar gravin, gij beleedigt mij. Denkt ge soms te doen te hebben met een ezel, met een beginneling, met een boertje. Een cheque, maar ik zou immers nauwelijks de stoep af zijn, of gij zoudt reeds naar uw bank telefoneeren, met een vriendelijk verzoek, desnoods een half dozijn agenten in een hinderlaag te leggen, die mij aanstonds op het lijf zou vallen, zoodra ik daar mijn opwachting kwam maken om het bedrag te innen.”
De gravin maakte een gebaar van ongeduld en drift, nu haar plan doorzien was en hernam:
„Wat wilt gij dan?”
„Contanten, gravin,” antwoordde Raffles laconiek.
„Wat, twintig duizend pond in contanten?” riep de gravin opgewonden uit. „En denkt gij dat ik zulk een groot bedrag zoo maar in huis heb?”
„Ik denk het niet alleen, gravin. Ik weet het volmaakt zeker,” antwoordde Raffles rustig. „Tot mijn leedwezen ben ik opnieuw genoodzaakt er u opmerkzaam op te maken, dat John Raffles niet de eerste de beste is. Ik weet heel wat af van uw geldelijke omstandigheden, onder andere, dat u juist gistermiddag, niet lang voor uw eerste gasten kwamen, uw twee rentmeesters hebt ontvangen, die u de opbrengst van een pacht kwamen brengen. Een zeer groot bedrag en dat pleit voor de ijver van uw boeren. Neen, gravin, gij kunt voor mij niets verborgen houden. Het geld ligt op het oogenblik in uw brandkast en die staat in het boudoir hiernaast.”
„Maar als ik u die som betaal, wie waarborgt mij dan dat u mij de diamanten zult terug bezorgen?” riep gravin Eleonora uit.
„Hier zijn ze, gravin,” antwoordde Raffles glimlachend.
Hij had de hand in den binnenzak van zijn dikke ulster gestoken en haalde er nu een fraai rood marokkijnlederen etui uit, hetwelk hij geopend op zijn knie plaatste.
Daar schitterde in oogverblindende pracht het prachtige collier van drie snoeren.
En de gravin zelve moest erkennen, dat het valsche sieraad werkelijk prachtig was nagemaakt tot in de minste bijzonderheden.
Zij stak haastig de beide handen naar het etui uit, maar Raffles klapte het bedaard weder dicht, keek de gravin recht in het gezicht en zeide:
„Eerst de kleine, maar moeilijke tocht naar uw brandkast, gravin.”
„Gij zult me de diamanten terug geven?”
„Ik zal het genoegen hebben, gravin, ze eigenhandig in uw brandkast te plaatsen, naast het zwart lederen etui, dat de nagemaakte bevat.”
De gravin scheen nog een oogenblik te aarzelen, maar toen begreep ze blijkbaar dat haar geen andere uitweg overbleef dan te betalen.
Zuchtend stond zij op en dadelijk volgde Raffles haar voorbeeld.
Hij volgde haar op den voet, hij liet haar geen oogenblik uit het oog, toen zij haar schreden naar de tusschendeur richtte, deze opende, het aangrenzende boudoir binnen ging en naar de brandkast liep, een sierlijk meubel, dat niet ver van een van de ramen tegen den muur stond.
Raffles plaatste zich dadelijk tusschen het raam [10]en de kast en zag glimlachend toe, hoe de gravin de deur van de brandkast opende en er een dikke stapel bankbiljetten uitnam, die in een stuk grauw papier gewikkeld waren.
Zij deed het papier open en nam twee pakjes bankbiljetten, door een elastiekje bijeen gehouden. Ieder van de pakjes bevatten honderd biljetten van honderd pond.
Raffles had intusschen het etui weder uit zijn zak gehaald, plaatste het in de kast en nam de beide pakjes met een buiging uit de handen van de gravin aan.
Toen zeide hij:
„Gij hebt er ongeveer vijf en zestig duizend pond sterling aan goud, bankpapier en effecten in uw kast, gravin, en het zou mij al zeer gemakkelijk vallen, mij dat alles toe te eigenen, maar ik wil niet al te inhalig zijn. Ik heb eenmaal mijn prijs genoemd en daarbij blijf ik. Misschien zijt gij er wel wat verwonderd over, dat ik niet liever het snoer en de diamanten afzonderlijk verkoop na eenige jaren te wachten, maar ik kies het zekere voor het onzekere. Niemand kan zeggen, of een diamant over een vijftal jaren meer waard is dan een keisteen, als de ontdekking van de ingenieurs der dynamietfabriek, welke ik zooeven noemde, werkelijk gunstige resultaten opleveren. Bovendien, twintig duizend pond is een goede prijs en daar mij thans niets meer hier houdt, gravin, heb ik het genoegen u te groeten.”
En voor de gravin zelfs den tijd had gehad iets te zeggen, had Raffles het boudoir en de ontvangkamer reeds verlaten.
De gravin had hem niet hooren loopen, zelfs geen deur hooren open gaan, en toch viel er met aan te twijfelen, of de stoutmoedige Gentleman-Inbreker was vertrokken.
De gravin ijlde naar de deur van het boudoir, die op de gang uit kwam met het doel, dadelijk de bedienden bijeen te schreeuwen. De deur was gesloten.
Zij begreep aanstonds, dat Raffles dit reeds gedaan moest hebben, voor hij binnentrad, of misschien, terwijl zij bezig was aan de kast.
Zij vloog woedend naar de ontvangkamer, ijlde naar de deur. Ook deze was van buiten op slot gedraaid.
De gravin wierp de ramen open, die op den achtertuin uitkwamen en schreeuwde zoo luid, dat tenslotte een bediende, die juist de binnenplaats overstak, verschrikt opkeek en toen haastig in het huis verdween. [11]