Het was goed, dat de juwelier inderdaad eenige opwekkende middelen bij de hand had, want op het vernemen van deze jobstijding had de gravin een dramatischen gil geslaakt, en was volgens alle regelen der kunst in zwijm gevallen.
De huishoudster van Paul Orlow kwam spoedig toesnellen, gewapend met verschillende fleschjes en poedertjes, men draafde met doeken en koudwatercompressen. Lord Binning klopte de bewustelooze in de handpalm, met een ijver alsof zijn leven er van af hing. Kortom de consternatie vierde eenige oogenblikken hoogtij in de deftige ontvangkamer van den juwelier.
Na verloop van een kwartier ongeveer sloeg de gravin de oogen even op en vroeg zwakjes:
„Waar ben ik. Wat is er toch met me gebeurd?”
Eensklaps scheen ze tot bezinning te komen en het volgende oogenblik was het alsof er een woedende tijger was los gebroken, die in de rustige weelderige kamer een inval had gedaan.
De gravin vloog op, begon het vertrek met groote stappen op en neder te loopen en gilde: „Scotland Yard, bel Scotland Yard op. Laten zij een detective sturen, vijf detectives, twintig als het noodig is. Ik wil mijn diamanten terug, ik moet mijn diamanten halssnoer terug hebben. O, die bedrieger, die schavuit, die bandiet. Mijn halssnoer is weg en twintig duizend pond sterling. Bel Scotland Yard op. Is het nog niet gebeurd. Waar wacht gij op. Zit ik hier dan tusschen kleine kinderen. Is het hier dan een bewaarschool. Is hier geen telefoon in huis. Ik loof honderd pond sterling, neen twee honderd pond sterling uit, als het moet zelfs drie honderd aan dengene, die den dief weet aan te wijzen, en mij het echte collier terug bezorgt, die krijgt.… die krijgt.…”
Zij maakte den zin niet af maar greep den onthutsten Lord plotseling bij zijn arm, sleepte hem met zich mee, zonder van Orlow verder notitie te nemen en trok hem de straat op.
Bijna was zij met haar slachtoffer aangebotst tegen een leeglooper, die blijkbaar niet veel om handen had en die met de handen in de zakken op den rand van het trottoir stond.
De man scheen haar deze bejeegening echter volstrekt niet kwalijk te nemen, maar keek haar met een eigenaardigen glimlach op het gelaat na, toen zij verder ijlde, steeds den Lord stevig in haar greep vasthoudend, en met hem in de kleine auto plaats nam.…
Maar Lord Binning had de auto nog nauwelijks [16]in beweging gebracht, in de verste verte niet wetend, wat eigenlijk het doel van den tocht was, of de gravin riep uit:
„Is er nu getelefoneerd?”
„Ik geloof, dat ik toen wij heen gingen Orlow aan de telefoon heb zien staan, gravin.”
„Overtuig er u dan van en rijd dan aanstonds naar huis terug wat ik u verzoeken mag.”
En zij duwde den onthutsten Lord half en half van zijn zetel en keek toe, hoe hij weder den juwelierswinkel binnen ging en eenige minuten later weder terugkwam.
„Welnu?” vroeg de gravin, toen hij in het bereik van haar stem kwam.
„Orlow heeft getelefoneerd. Scotland Yard zal onmiddellijk James Sullivan, een van haar knapste detectives, naar uw huis zenden.”
„Stap dan in Mylord en rijd me spoedig naar huis. Wat treuzelt gij daar.”
„Neem me niet kwalijk, gravin,” kwam Lord Cecil haastig en verlegen. „We zullen snel rijden.”
Zijn Lordschap hield woord en ongeveer een half uur later stond de fraaie sportauto weder stil voor het prachtige huis in Cleveland Square.
Weer greep de gravin Mylord vast, juist alsof hij zelf de dief van de diamanten was geweest en trok hem met zich mede, over het oprijpad van den voortuin.
„Mijn auto, gravin,” riep Lord Binning verschrikt.
„Ik zal een van de bedienden zenden om er op te passen. Wat bekommert gij u om een armzalige auto als ik een diamanten halssnoer door diefstal verloren heb.”
Reeds werd de deur voor de gravin geopend en snel gaf zij de noodige bevelen.
Een der bedienden snelde naar buiten om bij de auto post te vatten, maar toen de gravin Mylord met zich mede wilde trekken, de trap op, viel haar oog op eenige groote reiskoffers en zware lederen handvaliezen, die in een hoek van de groote vestibule waren opgestapeld.
„Wat is dat?” zoo wendde zij zich tot den buttler die eerbiedig terzijde was blijven staan.
„De jongeheer is zooeven teruggekomen van zijn reis, gravin,” antwoordde Hundsley.
„Wat is dat? Is Dougall terug?” riep de gravin uit. „Dat is weer juist iets voor hem om ons zoo te verrassen. Waar is hij nu, Hundsley?”
„Op zijn kamer, gravin, om zich een weinig te verfrisschen.”
„Ga naar hem toe en zeg dat ik zooeven ben thuis gekomen en dat hij me kan begroeten in de kleine blauwe kamer. Ik moet hem iets zeer belangrijks mededeelen.”
En als een wervelwind trok de gravin zijne Lordschap mee en hield niet op voor zij de kleine blauwe kamer had bereikt, met welke naam haar boudoir op de tweede verdieping werd aangeduid.
Daar gekomen, wees zij den Lord een stoel, nam zelf plaats en begon:
„Luister, Mylord. Gij kent me nu lang genoeg om te weten, dat ik niet gewoon ben ergens lang om heen te draaien. Wij zullen spijkers met koppen slaan. Ik stel veel vertrouwen in Scotland Yard, maar minstens evenveel in uw schranderheid. Het is niet onopgemerkt voor mij gebleven, dat ge mij het hof hebt gemaakt, en ik wil u niet verzwijgen, dat ge mij niet onverschillig zijt. Welnu, u bezorgt mij het diamanten halssnoer terug en ik zal uw liefste wenschen vervullen.”
Mylord was half van zijn stoel opgestaan, en keek de gravin aan met een uitdrukking op zijn gelaat, die haar waarschijnlijk spoedig genoeg ondanks haar zelfgenoegzaamheid en ijdelheid, haar schromelijke vergissing zou hebben doen inzien, maar die thans ongemerkt aan haar voorbij ging, daar al haar gedachten door haar verlies in beslag waren genomen.
„Mevrouw de gravin.…,” begon hij stamelend.
Maar weer sneed gravin Eleonora hem met een ongeduldig gebaar het woord af en zeide:
„Ja, ik weet wel, wat gij zeggen wilt. Een groote eer voor u. Het treft u buitengewoon en gij weet niet hoe mij te danken. Gij zijt er heelemaal confuus van en meer van dat moois. Laten wij liever ter zake te komen. Ziet gij kans, mij te helpen bij het opsporen van mijn diamanten.”
„Geen kans hoegenaamd, gravin,” antwoordde zijne Lordschap op jammerenden toon.
„Wat?” riep de gravin met fonkelenden blik. „Gij zoudt dus dat niet eens voor mij over hebben? Kunt gij uw vernuft dan niet scherpen, als het een vrouw betreft, welke gij zoo ondubbelzinnig hebt doen blijken van uw genegenheid?”
„Gravin, ik verzeker u.…,” begon de beklagenswaardige Lord opnieuw. [17]
„Verzeker mij alleen maar of gij genoeg voor mij over hebt, om pogingen te doen, mijn juweelen te hervinden.”
„Natuurlijk wil ik dat zeer gaarne, gravin. Maar ik twijfel of mijn zwakke krachten.…”
„Met geld doet men veel, Mylord. Loof een hooge premie uit, mijnentwege duizend pond.”
„Duizend pond?” riep Lord Binning verschrikt. „Dat is een buitengewoon groot bedrag, gravin.”
„Maar dat ge toch zeker wel voor mij zoudt over hebben,” viel Eleonora hem in de rede. „Wilt gij helpen, ja, of neen?”
„Ja, natuurlijk, gravin, van ganscher harte. Maar er is een andere kwestie. Een vergissing.… Hoe moet ik het noemen.…”
„Dat boezemt mij geen belang in, Mylord,” kwam de gravin kortaf. „De hoofdzaak is, dat gij mij wilt helpen. Gij kent nu den prijs voor uw ijver en schranderheid. Het staat aan u dien te verdienen.”
Op dat oogenblik ging de deur open en er verscheen een krachtig gebouwde jonge man van omstreeks vijf en twintig jaar met een vroolijk gebruind gelaat en lachende bruine oogen op den drempel.
„Daar ben ik weer eens, mama,” riep hij uit. terwijl hij op zijn moeder toetrad en hartelijk op de beide wangen kuste.
De gravin scheen maar half gesteld te zijn op deze onverhoedsche terugkomst van haar volwassen telg en zeide eenigszins baloorig:
„Mij dunkt, dat je wel eens had kunnen waarschuwen, Dougall. Het is hier toch geen hotel?”
„Kom, kom, mama, u moet me nu toch wel kennen,” riep Dougall lachend uit. „Ik weet den eenen dag immers nooit wat ik den volgenden dag zal doen. Hallo Lord Cecil, hoe gaat het er mee?”
Hij had Lord Binning de hand toegestoken en schudde die zoo krachtig dat de ander een pijnlijk gezicht trok.
„Het gaat goed, Dougall, merci. Je weet zeker nog niet welk een ongeluk er hier in huis gebeurd is?”
Dougall deed een stap achteruit en riep uit:
„Een ongeluk? Er is toch hoop ik niets met Grace gebeurd?”
„Met Grace?” kwam de gravin, terwijl ze met ongeduld de schouders ophaalde. „Wat zou er nu met Grace gebeurd kunnen zijn! Men heeft de juweelen van je moeder gestolen, haar diamanten halssnoer!”
„Wat?” riep Dougall verschrikt uit. „Het geschenk dat papa u gaf? Het beroemde halssnoer?”
„Ja.”
„Wanneer is dat gebeurd?”
„Gisteravond en vanmorgen.”
„Wat is dat nu? Is er tweemaal gestolen?” riep Dougall verwonderd.
„Ga zitten, mijn jongen, dan zal ik je vertellen. Je bent zoo akelig lang geworden. Ik kan zoo niet met je praten.”
„Dat is geen wonder, mama. Als men vijf en twintig jaar is,” riep Dougall uit.
De gravin beet zich op de lippen en zeide:
„Verleden maand ben je pas vijf en twintig geworden en ga nu zitten en luister!”
En nu deed de gravin het omstandige verhaal van de berooving, waarbij Lord Binning een kleine opmerking plaatste.
Dougall had toegeluisterd, zonder zijn moeder een enkele maal in de rede te vallen en toen ze gereed was merkte hij op:
„Dat is een zeer brutaal stukje. Als het een ander betrof dan juist mijn mama, dan zou ik bijna zeggen dat het een geniale zet is.”
„Jij mag dat zoo vinden, Dougall, maar ik denk er anders over,” hernam de gravin op scherpen toon.
„U hebt natuurlijk dadelijk de politie gewaarschuwd.”
„Dat spreekt vanzelf. Ik verwacht ieder oogenblik een detective van Scotland Yard.”
Maar Dougall schudde het hoofd en hernam op een toon van twijfel:
„Als het werkelijk John Raffles is geweest die den diefstal pleegde, en daaraan behoeven we niet te twijfelen, dan vrees ik, mama, dat Scotland Yard er zeer weinig aan doen kan. Ik heb heel veel over Raffles hooren spreken, tot zelfs in het buitenland, in Zuid-Amerika, en uit al die gesprekken ben ik tot de overtuiging gekomen, dat hij een te sterke partij is voor de officieele politie. Hij schijnt over middelen te beschikken van welken omvang wij ons slechts een klein denkbeeld kunnen vormen en er is geen sprake van dat Scotland Yard hem met gelijksoortige middelen zou kunnen bestrijden.”
„Als de officieele detectives ons niet kunnen helpen, dan zullen we particulieren in de arm nemen,” hernam de gravin met een zijdelingschen blik op [18]Lord Binning, die er uit zag alsof hij niets liever zou willen dan afscheid nemen.
„Gij kunt het natuurlijk probeeren en het spreekt ook vanzelf, dat er iets gedaan moet worden,” hernam Dougall, „maar ik acht het beter u maar dadelijk te waarschuwen, dat uw kansen om het halssnoer weder in bezit te krijgen al zeer laag staan. Raffles is niet de eerste de beste, hij heeft nooit haast en hij zal zeker de fout niet begaan van bijna alle andere inbrekers en dieven, die zich altijd haasten hun buit aan den man te brengen en juist daardoor de politie op hun spoor brengen en in de val loopen.”
„Wij zullen wel zien,” hernam de gravin kortaf, terwijl ze opstond.
Juist werd er op de deur geklopt en trad er een bediende binnen om het bezoek van James Sullivan aan te kondigen.
Een oogenblik later trad er een krachtig gebouwd man met een schrander uiterlijk en grijsgroene doordringende oogen onder zwarte borstelige wenkbrauwen het vertrek binnen.
Die man was James Sullivan, een der beste detectives van Scotland Yard, en een langjarig tegenstander van den Gentleman-Inbreker.
Lord Binning was opgestaan en wilde van de gelegenheid gebruik maken om afscheid te nemen, maar de gravin hield hem met een gebaar tegen en zeide:
„Blijf nog een oogenblik, Lord Cecil, gij hebt mij beloofd, dat ook gij een onderzoek zoudt instellen en het kan u wellicht van nut zijn te hooren, wat deze heer te zeggen heeft.”
Gedwee ging zijne Lordschap weder zitten, en nadat de gravin Sullivan had uitgenoodigd plaats te nemen, deed zij voor de tweede maal op dien dag het verhaal van de diefstal.
De beroemde detective had haar rustig laten uitspreken, zonder haar een enkele maal in de rede te vallen en bleef eenigen tijd in gedachten zitten, nadat zij haar verklaring had afgelegd.
Toen hief hij het hoofd op en zeide:
„Wij behoeven er natuurlijk niet aan te twijfelen, of Raffles is op de hoogte geweest van de omstandigheid dat de juwelier Orlow voor zaken op reis moest en dat is niet zoo verwonderlijk, want hij doet zich in talrijke gedaanten voor en heeft overal zijn connecties. Hij moest er natuurlijk wel rekening mede houden dat Orlow u wellicht zou schrijven, dat hij de uitnoodiging niet kon aannemen, maar niets zou hem hebben belet te zeggen, dat zijn zakenreis eensklaps was afgesprongen, als gij hem uw verbazing zoudt hebben te kennen gegeven, dat hij toch gekomen was. Eigenlijk is de zaak zeer eenvoudig, gravin. Wij behoeven niet meer naar den persoon van den dader te zoeken. Wij weten wie hij is, want hijzelf heeft dat gezegd. De geheele zaak komt dus hierop neer, dat wij John Raffles moeten grijpen, maar ik wil u niet verheelen, gravin, dat dit juist in de hoogste mate bezwaarlijk en misschien wel onmogelijk zal blijken te zijn. En zie hier, waarom. Niemand onzer weet, wie of John Raffles eigenlijk is. Alles wat wij weten is, dat hij zich in honderden gestalten te Londen beweegt, dat hij zich op ongelooflijk snelle wijze weet te verplaatsen, en dat het reeds eenige malen is voorgekomen, dat men hem des Zondags te Londen en den Maandag daarop te New York bevond. Wij weten, dat hij zich de sympathie heeft weten te veroveren van duizenden armen en gebreklijdenden, die hij helpt, en die niet zouden aarzelen hem voor ons te verbergen, wanneer wij hem mochten achtervolgen. John Raffles beschikt over een schranderheid en een stoutmoedigheid, zooals men het slechts weinig aantreft en tenslotte over rijkdommen, die inderdaad fabelachtig groot moeten zijn. Liever dan u met een valsche hoop te vleien, gravin, verklaar ik u reeds nu openhartig, al is het dan ook met groot leedwezen, dat het ons zeer moeilijk zal vallen, eenig spoor van Raffles te ontdekken.”
De gravin had met alle teekenen van ongeduld naar deze toespraak geluisterd en barstte nu uit: „Maar waar bestaat dan eigenlijk de Londensche politie voor?”
„Zij bestaat, gravin, om misdadigers te vangen, die men „normaal” zou kunnen noemen en ik geloof te mogen zeggen, dat zij die zaak niet al te slecht verricht, maar met tegenstanders als John Raffles is de zaak anders. Dien kan men met den besten wil van de wereld onmogelijk normaal noemen. Het is ons bekend, dat hij hier te Londen op zijn minst een vijftal verschillende huizen moet hebben, die hem als toevlucht dienen, en waar hij zich snel kan vermommen. Een paar maal zijn we er in geslaagd, zulk een huis uit te vinden, maar het bracht ons niet veel verder. Het bleek dan in het bezit te zijn [19]van een geheimzinnig personage, dat men zeer zelden zag en die natuurlijk steeds een valschen naam droeg. Wij hielden dan zoo’n huis weken lang, soms zelfs maanden in het oog, in de flauwe hoop, dat Raffles er zich wel eens zou vertoonen en dat wij hem dan zouden kunnen arresteeren, maar hij was steeds slimmer dan wij, hij schijnt wel met een zesde zintuig begiftigd te zijn, dat hem waarschuwde en bovendien staat het vast, dat hij bijna alle detectives en rechercheurs in dienst van Scotland Yard van aanzien kent en hij heeft een zeldzaam geheugen voor gezichten. Wij probeerden het ook met gewone politieagenten in burgerkleeding gestoken. Raffles scheen ze op een mijl afstand te ruiken, en bleef buiten hun bereik. Het is ons zelfs wel eens gebeurd, dat hij naderhand aanwezig bleek te zijn geweest in een van zijn huizen, dat wij zorgvuldig bewaakten. Hij was er eenvoudig door een kelder en een geheimzinnige onderaardsche gang binnen gegaan.”
„Kort en goed, mijnheer Sullivan, gij meent me alle hoop te moeten ontnemen, dat ik mijn diamanten halssnoer ooit zal terug zien?” riep gravin Eleonora toornig uit.
„Het is beter dat ge dit doet, gravin, wanneer Raffles het halssnoer inderdaad in zijn bezit heeft,” antwoordde Sullivan. „Natuurlijk zullen we alles doen om zijn spoor te ontdekken, maar ik zeide u reeds, dat we een kostbaar richtsnoer zullen missen, omdat Raffles de diamanten eenvoudig in zijn brandkast zal weg sluiten en ze daar jaren lang zal laten om ze later desnoods stukgewijze te verkoopen. Misschien nadat hij er door slijpen den vorm een weinig van heeft veranderd.”
„Het is goed, mijnheer,” zeide de gravin kortaf. „Ik apprecieer het tenminste dat gij zoo oprecht tegen mij hebt gesproken. Op mijn beurt wil ik thans eerlijk zijn en u mededeelen, dat ik thans niet zal aarzelen, een particulier detective in mijn dienst te nemen, tien als het moet.”
Sullivan haalde opmerkzaam de schouders op en hernam glimlachend:
„Waar het John Raffles betreft, gravin, kunnen wij ons van Scotland Yard door zulke maatregelen niet beleedigd achten. Ik wil overigens volstrekt niets afdoen aan de bekwaamheid van vele amateur-detectives, maar ik geef u de verzekering, dat zij onmogelijk meer kunnen verrichten dan de officieele politie. Wees nu zoo goed, mij het snoer nauwkeurig te beschrijven, men kan nooit weten.” [20]