Het uur van de lunch was aangebroken, en Dougall verliet zijn kamer en daalde op het hooren van de groote gong, die in de vestibule hing, haastig de trappen af om zich naar de eetzaal te begeven.
Maar toen hij een hoek van de gang omsloeg, had hij bijna Grace Keating ondersteboven geloopen, die zich met hetzelfde doel naar beneden wilde begeven.
Het meisje slaakte een lichten kreet van schrik en vreugde, werd vuurrood, en stak toen den jongen schuchter de hand toe, terwijl zij stamelde:
„Je bent dus werkelijk terug, Dougall. Ik dacht dat Hundsley mij voor het lapje wilde houden. Wat zie je er bruin uit. Is het nu voor lang, of ga je er over een week al weer uit?”
De jonge man had de beide handen van Grace gegrepen, keek haar diep in de oogen en zei op fluisterenden toon:
„Zou je liever hebben, dat ik nu maar wat thuis bleef, Grace?”
Het jonge meisje boog het hoofd en antwoordde niet, maar op haar gelaat scheen Dougall iets te zien, dat hem groot genoegen deed, want hij zeide opgewekt:
„Ik denk er niet aan, er weer uit te trekken, meisje. Ik geloof, dat ik hier iets beters te doen krijg. Ik kom nu regelrecht uit Cairo, en ik weet niet hoe het komt, maar de reis duurde mij ditmaal buitengewoon lang. Voordat ik weg ging, hadden we een tamelijk ernstig gesprek met elkander, weet je dat wel, en aan dat gesprek moest ik herhaaldelijk denken, waar ik ook rond zwierf, in Brazilië, in China, of in het hartje van Afrika. Er is nu een jaar sinds dien verloopen en nu vraag ik je nog eens, Grace, houdt je nog een beetje van me?”
In plaats van te antwoorden, verborg het jonge meisje haar hoofdje aan zijn borst en knikte eenige malen snel achter elkaar zonder op te zien.
Maar met een onderdrukten juichkreet tilde Dougall haar lief gezichtje bij de kin op, keek haar diep in de oogen en drukte toen het zachtjes tegenstribbelende meisje een kus op de lippen.
Toen echter rukte Grace zich los en zeide op bestraffenden toon:
„Je moet je schamen, Dougall. Hier op de gang. Als er eens een bediende aankwam.”
„Welnu, die zullen het toch gauw genoeg te hooren krijgen,” riep Dougall overmoedig uit. „Ik denk er nu geen gras over te laten groeien. Wij trouwen heel gauw, kleintje.”
Grace werd nog rooder en zeide toen op guitigen toon:
„Misschien is het goed, dat je je wat haast. Er zijn kapers op de kust.”
„Wat zeg je daar?” riep Dougall verontwaardigd. „Heeft iemand het durven wagen, je van liefde te spreken?”
„Wel niet direct, Dougall, maar een vrouw ziet scherp in dergelijke dingen. Er is iemand, die mij ook heel graag tot vrouw zou willen maken.”
„Noem den naam van dien aterling en ik zal hem met eigen handen vermoorden,” riep Dougall op theatralen toon.
„Neen, ik zeg je niet wie het is, dat moet je zelf maar uitvinden,” riep Grace plagend. „Ik wil je schranderheid eens op de proef stellen, maar vergis [21]je vooral niet hoor, daar zouden groote ongelukken van kunnen komen.”
„Nu, ik geloof dat het goed is, dat ik hier ben en dat ik juist bijtijds ben terug gekeerd,” riep Dougall glimlachend.
„Je had geen week moeten weg blijven, of het ongeluk was gebeurd,” riep Grace op plagenden toon. „Kom, ik zal je een klein eindje op weg helpen. Die heer in kwestie is van adel en vanmorgen wilde hij me komen afhalen in zijn splinternieuwe auto.”
„En? Je bent niet meegegaan?” riep Dougall verheugd uit, terwijl hij opnieuw de hand van het jonge meisje drukte. „Je hebt dus een groote hekel aan hem?”
„O, neen, heelemaal niet. De zaak is, tante was me voor, en ging met hem mee uit rijden.”
„Wat is dat nu? Is mama uit rijden gegaan met een pretendent naar jouw hand?”
„Zoo is het.”
„En vond die adellijke heer dat goed? Nam hij genoegen met dien ruil?”
„Dat is meer dan ik je zeggen kan, Dougall, en al kon ik het zeggen dan zou ik het nog niet doen.”
„Nu, ik denk wel, dat ik aan jouw aanwijzingen genoeg heb om spoedig uit te vinden, welke schelm jou aan mij heeft willen ontfutselen.”
Op dat oogenblik werden er naderende voetstappen gehoord en haastig namen de geliefden met een kushand afscheid van elkaar, om elkander spoedig daarna in de eetzaal terug te vinden.
Gravin Eleonora was daar reeds aanwezig, en Dougall had nu spoedig ontdekt, dat zijn moeder zich in een zeer zenuwachtigen toestand bevond.
Toch sprak zij gedurenden den lunch weinig meer over den diefstal.
Wel deelde zij terloops mede, dat zij dien middag een conferentie zou hebben met haar zaakwaarnemer en haar notaris. Zij stond er op, den omvang van haar vermogen, zooals het nu was, nauwkeurig te laten vaststellen.
Terwijl de gravin dat zei, had zij haar zoon een schuwen blik toegeworpen, maar Dougall vond de zaak blijkbaar van weinig belang en sloeg er in het geheel geen acht op.
Zoodra de buttler, die het kleine gezin met een der knechts had bediend, en deze het vertrek verlaten had, zeide de gravin Eleonora haastig en op gedempten loon, zonder de oogen te durven opslaan tot haar zoon:
„Dougall, ik moet je vanmiddag noodzakelijk spreken. Liefst zoo spoedig mogelijk. Het is een zaak van belang. Een hoogst ernstige aangelegenheid.”
„Ik ben tot uw dienst, mama, er schijnt haast bij te zijn.”
„Groote haast. Heb je vanmiddag iets te doen?”
„Niets, wat ik niet gemakkelijk ter wille van mijn moeder kan uitstellen,” zeide Dougall op hartelijken toon.
„Dan wacht ik je in mijn boudoir over een kwartier.”
En reeds was de gravin opgestaan en had met haastige schreden het vertrek verlaten.
Dougall keek haar vragend na en zag toen Grace vragend aan.
„Wat is er met mama,” vroeg hij toen, „wat doet zij vreemd.”
„Dat is niet zoo erg te verwonderen, Dougall. Jij zoudt waarschijnlijk ook niet normaal zijn, als men je een diamanten halssnoer ter waarde van veertig duizend pond ontstal.”
Maar Dougall haalde de schouders op en zeide met de lichtzinnigheid der jeugd:
„Wat zou mij dat raken, als ik zoo schatrijk was als mama, die een notaris en een zaakwaarnemer noodig heeft om den omvang van haar vermogen te laten vaststellen. Ik ben benieuwd wat ze mij te zeggen heeft.”
„Misschien heeft tante wel een passende vrouw voor je uitgezocht, Dougall,” antwoordde Grace met een ondeugend glimlachje. „Passender voor je dan ik ben, want ik ben maar arm, dat weet je.”
„Dat is nog niet zoo zeker.” kwam Dougall. „Ik heb den notaris van mama wel eens hooren zeggen, dat je bij je meerderjarigheid recht hebt op een groot kapitaal van een verren bloedverwant. Ik zeg je dat in vertrouwen, en omdat je naderhand niet zult kunnen zeggen, dat ik dit, ofschoon ik het wist, verzwegen heb.”
„Ik wist er niets van Dougall, maar in ieder geval zul je altijd zeer veel rijker blijven.”
„Dat doet er immers niets toe, kleintje,” hernam Dougall, terwijl hij liefkoozend over haar hand streek, die zij hem over het tafellaken had toegestoken. „Wat heeft geld er nu mee te maken. Al kon ik [22]beschikken over alle schatten der aarde, en al was jij maar een klein arm geitenhoedstertje, ik zou jou en niemand anders tot vrouw willen hebben.”
Dougall stond op, liep om de tafel heen, trok Grace van haar stoel en aan zijn borst en de volgende tien minuten waren gewijd aan het spelletje, dat reeds eeuwen oud is, zoo oud als de wereld zelf en dat toch nog steeds dezelfde aantrekkelijkheid schijnt te behouden voor degenen, die er zich mede vermaken.
Er werd echter een plotseling einde gemaakt door het binnen treden van Hundsley.
De geliefden stoven snel uit elkander, maar de oude buttler had ze alle vijf goed bij mekaar, zooals hij steeds met trots van zichzelf placht te verzekeren en hij had ook goede oogen in het hoofd.
Maar hij was even bescheiden als vlug van begrip en daarom kuchte hij maar eens zachtjes voor zich heen, deed alsof hij volstrekt niets bemerkte van de verwarring van de beide jongelieden, die het eensklaps zeer druk hadden met het pellen van een paar amandelen, welke zij van een vruchtenschaal hadden genomen.
Maar toen de oude getrouwe weder in het bediendenvertrek terug was, keek hij de keukenmeid, die zeker ook al sedert twintig jaar in dienst van de familie was, met een slimme uitdrukking in zijn oogen aan en zeide op geheimzinnigen toon:
„Ik geloof, dat de jongeheer voorloopig wel niet meer op reis zal gaan, tenminste niet meer alleen.”
„Wat, zou hij mevrouw de gravin meenemen?”
„Neen, uilskuiken, een jonge man neemt nooit zijn moeder mee om op zijn huwelijksreis te gaan.”
En voor de bedaagde keukenprinses van haar verwondering was bekomen, had Hundsley het vertrek al weer verlaten.
Dougall had zich intusschen naar het vertrek van zijn moeder begeven, die hem daar reeds wachtte, gekleed in een costuum, die haar een jeugdig uiterlijk moest geven.
Zij begroette haar zoon met een zenuwachtig lachje, liet hem naast zich op de breede rustbank neerzitten en begon:
„Luister eens, Dougall. Ik moet ernstig met je praten.”
Dougall lachte, met een blik op de witzijden blouse en den korten rok, die de fijne zijden ajour-bewerkte kousen vrij liet en de lage goudlederen schoentjes.
„Neen, Dougall, spot niet, het is werkelijk ernstig,” hernam gravin Eleonora. „Je weet dat ik niet gewend ben, lang ergens omheen te draaien, en daarom val ik met de deur in huis. Ik wil je mededeelen, Dougall, dat er in onze familie wellicht binnenkort groote gebeurtenissen op komst zullen zijn. Ik moet aan de toekomst denken. Ik ben volstrekt niet oud, al heb ik een zoon van vier en twintig jaar.…”
„Vijf en twintig, mamaatje.”
„Nu ja, dat ben je pas een maand. En je hoeft het niet zoo voortdurend aan de groote klok te hangen. In ieder geval gevoel ik mij nog zeer jong, en.… kortom.… ik moet rekening houden met de mogelijkheid dat er een pretendent zal komen opdagen naar de hand van Grace, en wanneer jij dan weer veel gaat reizen, dan blijf ik alleen, heelemaal alleen, in dit groote huis, en dat zal ik niet kunnen verdragen.”
Dougall had verbaasd toegeluisterd, nog steeds niet begrijpend, waar zijn moeder heen wilde. Maar zij maakte aan alle onzekerheid plotseling een einde, door op vasten toon te zeggen:
„Ik wil hertrouwen, Dougall.”
De uitroep van verbazing, welke haar zoon slaakte was niet zeer vleiend voor de gravin, maar zij sloeg er geen acht op en vervolgde:
„Ik ben heel gelukkig geweest met je vader. Ik zal hem altijd met liefde herdenken, maar hij is nu reeds bijna zeven jaren dood en ook het leven stelt zijn eischen.”
„Het is dus ernst, mama?” stotterde Dougall.
„Waarom zou het mij geen ernst zijn?” riep gravin Eleonora geprikkeld uit. „Acht je me soms al te oud?”
„Maar moeder, dat moogt gij niet zeggen. Ik dacht alleen maar, ik meende.… in ieder geval is het een zaak, waarover gij wel eens lang en ernstig moogt nadenken. Ik zou er natuurlijk niet aan denken, u het recht te ontzeggen, te doen wat gij noodzakelijk acht voor uw levensgeluk, maar ik zou het vreeselijk vinden, als het later misschien zou blijken, dat gij.… u vergiste.”
„In welk opzicht zou ik mij kunnen vergissen,” vroeg de gravin koeltjes. „Ik weet, dat er een man is, een man van adel, die naar mijn hand dingt, op [23]wie volstrekt geen aanmerking te maken is, en die mij tot Lady zou maken.”
„Een Lord dus,” riep Dougall uit, thans met verbazing in zijn stem.
„Ja, een Lord.”
„Zijn naam?”
„Lord Cecil Binning.”
Dougall liet zich achterover tegen den muur vallen, waartegen de rustbank geplaatst stond, in de eerste oogenblikken te verbaasd om te spreken.
Toen kwam het langzaam over zijn lippen:
„Lord Binning, Lord Cecil, is lid van de Windsorclub.”
„Dezelfde. Ken je hem intiem?”
„Dat niet. Ik ken hem echter genoeg om te durven zeggen, dat er inderdaad weinig op hem valt aan te merken, en dat ik hem voor de rest als een sukkel en als niet overmatig verstandig beschouw.”
„Ik dank je voor je meening over je aanstaanden stiefvader,” zeide de gravin op scherpen toon.
„Moeder, het is immers beter, dat u precies weet hoe ik over Binning denk,” zeide Dougall hoofdschuddend. „Maar is het u bekend, dat Lord Cecil nog geen vijf en veertig jaar is.”
„Dat is mij onverschillig. Ik ben maar een jaar ouder.”
Dougall hield te veel van zijn dwaze moeder, om te zeggen dat hij zeer goed wist hoe oud ze werkelijk was en hij vergenoegde er zich mede, de vraag te stellen:
„Hij heeft dus uw hand gevraagd?”
„Dat niet, maar ik ken zijn plannen.”
„Mag ik dan vragen, moeder, op welke wijze gij die plannen hebt ontdekt,” vroeg Dougall, die maar al te goed de zelfingenomenheid en de ijdelheid van zijn moeder kende.
„Denk je dat een vrouw dat niet spoedig merkt? Hij kwam in den laatsten tijd opvallend veel aan huis. Hij bracht dikwijls bloemen mee. Hij kwam vaak in mijn loge als ik daar met Grace was. Hij kon mij vaak op zulk een eigenaardige wijze aanzien en er dan over klagen, dat hij nog altijd jonggezel was. En nog vandaag heeft hij mij uitgenoodigd een autoritje met hem te maken.”
Plotseling doorflitste Dougall een gedachte.
„In een splinternieuwe auto?” vroeg hij ademloos, terwijl hij zich voorover boog, om zijn moeder met gespannen aandacht aan te zien.
„Ja, in zijn pas gekochte renauto.”
Een oogenblik dacht Dougall er over, zijn ontspanning lucht te geven door een lachbui, maar toen bedacht hij zich. In ieder geval kon deze noodlottige vergissing voor zijn moeder een bittere teleurstelling blijken.
Dat zij Lord Cecil lief had achtte hij weliswaar volkomen buitengesloten, maar voor een vrouw, die klaarblijkelijk zoo vurig terugverlangde naar den huwelijksstaat moest het een ontgoocheling zijn, als zij haar plannen op die wijze in duigen zag vallen.
Het was Dougall een oogenblik duidelijk, dat zijn moeder zich vergist moest hebben in het ware doel van de herhaaldelijke bezoeken van Cecil, die blijkbaar Grace golden.
Hij wachtte zich er echter voor zijn meening kenbaar te maken en zeide alleen op ernstigen toon:
„Lieve moeder, ik zal de laatste zijn, om mij te verzetten tegen uw trouwplannen, wanneer gij daardoor werkelijk gelukkig kunt worden, maar ik smeek u, u goed te overtuigen, of Lord Cecil werkelijk de aangewezen man is, om aan uw zijde te leven. Het zou noodlottig zijn, als deze verbintenis naderhand een vergissing zou blijken.”
„Daarvoor behoef je niet te vreezen. Ik wil niet zeggen, dat ik als een bakvisch verliefd ben op Lord Cecil, maar ik acht hem hoog, al is hij dan volgens jou een sukkel. En hij is in ieder geval van den oudsten en besten adel.”
„Maar totaal berooid, moeder.”
„Dat doet er volstrekt niets toe. Ik ben rijk genoeg en ik weet zeker, dat het hem niet om mijn geld te doen is.”
„Dat hoop ik,” zeide Dougall droogjes. „Hebt gij mij nog iets te zeggen, moeder?”
„Alleen nog dit. Ik heb Lord Cecil hedenmorgen de toezegging gedaan, dat ik hem mijn hand zou schenken, wanneer hij er in zou slagen, mij mijn diamanten collier terug te bezorgen. Ik weet zeker, dat hem dat zal aansporen, zijn uiterste best te doen, om mijn steenen terug te vinden.”
„Dus wanneer hij er niet in slaagt de diamanten terug te vinden.…” riep Dougall opgewonden uit.
Eigenlijk gezegd, had de gravin zich nimmer bezig gehouden met deze mogelijkheid en daarom klemde [24]zij de lippen op elkaar, speelde zenuwachtig met haar horlogeketting en antwoordde eindelijk ongeduldig:
„Hij zal ze wel weten op te sporen en als hij er niet in slaagt, dan, wel dan zal ik er toch nog eens over denken, of ik den goeden wil voor de daad zal nemen.”
Dougall was opgestaan en vatte de hand van zijn moeder.
Zijn stem had een warmen klank, toen hij zeide:
„Ik hoop van ganscher harte, moeder, dat dit alles tot iets goeds moge leiden. Meer kan ik niet zeggen.”