[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

De medeminnaars.

Ongeveer een uur nadat dit gesprek had plaats gehad, begaf Dougall zich naar de Windsorclub teneinde eenige vrienden te ontmoeten.

In de groote conversatiezaal trof hij onder anderen den vice-precident, Lord William Aberdeen, diens secretaris, Charly Brand, een jonge man, met een blozend gelaat en groote glanzende blauwe oogen en ook Lord Cecil.

Op het oogenblik maakte Dougall bij zichzelf de opmerking, dat zijne Lordschap er in het geheel niet uitzag als een gelukkige aanstaande bruigom, en zich ook volstrekt niet overmatig scheen in te spannen, de diamanten en daarmede hart en hand van gravin Eleonora in zijn bezit te krijgen.

Mylord hing als een zoutzak in een stoel, dicht bij een der breede ramen, welke uitzicht gaven op de Oxfordstreet en keek tamelijk somber voor zich uit, maar klaarblijkelijk zonder iets te zien.

Hij nam er zelfs zoo goed als geen notitie van toen Dougall binnen trad, knikte hem slechts even toe, en staarde toen weder naar het drukke gewoel in de Oxfordstreet.

Maar langzaam scheen er wat beweging in zijn trekken te komen.

Hij wendde zijn blikken naar Dougall en wenkte hem toe, toen de jonge man in zijn richting keek, met een hoofdbeweging bij zich te komen.

Met gemengde gevoelens bezield, trad Dougall op hem toe, en toch moest hij bij zichzelf zeggen, dat Lord Cecil in dit geval volstrekt geen schuld kon treffen en dat deze uitsluitend bij zijn moeder berustte.

Hoewel hij hartelijk veel van gravin Eleonora hield, begreep Dougall toch aanstonds, dat Lord Cecil, die zeker vijf jaar jonger was dan zij, hoogstwaarschijnlijk nooit de minste aanleiding zou hebben gegeven tot het vermoeden, dat hij naar de hand van de gravin dong.

Toch begroette hij hem tamelijk koeltjes, als zijn medeminnaar, al was het er dan een, die niet het minste succes zou hebben.

Het was daar een eenzaam plekje bij het groote raam en de twee mannen konden dus ongestoord praten.

Lord Cecil noodigde Dougall met een gebaar uit, tegenover hem plaats te nemen, zocht een oogenblik naar zijn woorden en begon toen met een kinderachtig stemgeluid:

„Dougall, het verheugt mij, dat ik je even onder vier oogen kan spreken. Ik bevind mij in een zeer moeilijk parket. In een hoogst delicaten toestand. Het valt me zeer moeilijk er juist met jou over te spreken, maar ik kan onmogelijk een anderen uitweg zien. Er bestaat een misverstand, mijn waarde [25]Dougall, waarvan ik het slachtoffer ben, en dat, ik bezweer het je, niet door mij in het leven is geroepen, maar laat ik van te voren af beginnen. Je moet de zaak goed kennen, alvorens mij raad te kunnen geven. Ik herhaal je nogmaals, dat het een zeer kiesche aangelegenheid is. Maar wij zijn reeds jarenlang vrienden en ik kan niet inzien, hoe ik aan dezen toestand op een andere wijze een einde kan maken.”

„Draai er niet zoo lang omheen, amice en steek van wal,” zeide Dougall eenigszins ongeduldig.

Zijn Lordschap draaide ongedurig in zijn ruimen gemakkelijken stoel heen en weder en begon, zijn nagels bestudeerend:

„Je moet weten, dat ik sedert eenige maanden een vrij trouwe gast ben geweest in het huis van je mama, gravin Eleonora. Aanstonds zul je wel te hooren krijgen, waarom ik daar zoo gaarne verscheen. Daarop heb jij recht op als zoon des huizes. Ongelukkigerwijze en op een voor mij volkomen raadselachtige wijze heeft mevrouw de gravin uit deze herhaaldelijke bezoeken conclusies getrokken, conclusies, die voor mij zeer vleiend zijn, maar die, ja hoe zal ik het moeten zeggen, van een verkeerd principe uitgaan, van een onjuiste grondstelling, als ik het zoo noemen mag.”

Dougall had met eenig leedwezen de wanhopige pogingen van zijne Lordschap gade geslagen, hem zoo voorzichtig mogelijk een zaak mede te deelen, welke hem reeds bekend was.

Maar thans ontfermde hij zich over den ongelukkigen Lord en zeide glimlachend, terwijl hij hem op de magere knie klopte: „Stil maar Cecil, ik weet er alles van. Het is niet zoo heel erg en je moogt er rond voor uitkomen. Je opinie is, dat moeder in de veronderstelling verkeert, dat je haar gaarne tot vrouw zoudt hebben, is het niet zoo?”

Lord Cecil knikte eenige malen snel achter elkander, heftig bewegend met het hoofd en zeide toen:

„Zoo is het, zoo is het. Heeft zij het je gezegd?”

„Een uur geleden.”

„Maar Dougall, ik kan werkelijk, ik ben niet.… het was mijn voornemen niet,” stamelde Lord Cecil, die zich niet te wenden of te keeren wist van verlegenheid.

„Ook dat weet ik, mijn waarde. Je bent heelemaal niet van plan de hand van mama te vragen, zooals zij verkeerdelijk meent. Je plannen liggen waarschijnlijk in een geheel andere richting.”

„Je hebt het alweer geraden. Zoo is het inderdaad,” zeide Lord Cecil verheugd. „Luister eens, Dougall, dan zal ik je het groote geheim mede deelen. Je bent in langen tijd niet thuis geweest en je hebt dus niet kunnen waarnemen tot welk een bevallige bloem Grace is opgegroeid, die nog haast een kind was, toen je den laatsten keer op reis ging. Welnu, haar golden mijn bezoeken. Hoe mevrouw de gravin heeft kunnen denken, dat.… het anders was, is mij volkomen onbegrijpelijk.”

„Wel, wel, je hebt dus trouwplannen ten aanzien van de bevallige Grace?” vroeg Dougall spottend. „Weet je wel dat ze verre van rijk is?”

„Nu nog, maar wanneer ze meerderjarig is, of trouwt, wat natuurlijk daarmede gelijk staat, ontvangt ze een zeer groot vermogen. Zooiets als zes maal honderd duizend pond sterling!”

„Hoe weet je dat?” vroeg Dougall verbaasd.

„Het is tamelijk algemeen bekend in een kleinen kring van mijn familieleden, die verre bloedverwanten zijn van de oude Lady, welke het vermogen aan het meisje naliet!”

„Dat vermogen vormt natuurlijk een groote attractie van de lieve Grace?” vroeg Dougall op denzelfden spottenden toon.

„Dat wil ik volstrekt niet beweren! Ik sta er miserabel voor. Ik heb heel wat geld verspeeld, zwaar bij de wedrennen verloren den laatsten tijd. En ik kan dus werkelijk alleen een zeer rijke vrouw trouwen.”

„Voortreffelijk geredeneerd. Weet Grace dat het je bekend is, wat zij te wachten heeft bij haar meerderjarigheid, of als zij trouwt?”

„Neen, maar waartoe zou ik haar dat hebben gezegd?”

„Zeer juist. Dat had volstrekt geen doel.”

„Dat meen ik ook.”

„En geloof je dat Grace gevoelig is voor de avances?”

„Volkomen zeker ben ik er niet van, maar eh.… zij plaagt me vaak en dat is geloof ik een goed teeken.”

„Een bedriegelijk teeken.”

„Maar wat raadt je me nu te doen, Dougall? Als man van eer kan ik toch onmogelijk zeggen aan mevrouw de gravin, dat ze zich vergist?” [26]

„Als de nood aan den man mocht komen, dan zal ik dat wel voor je doen, Cecil,” zeide Dougall.

„Zou je dat werkelijk?” riep Lord Cecil verheugd uit. „Daarvoor zou ik je zeer dankbaar zijn.”

„Dat is volstrekt niet noodig,” hernam Dougall met een eigenaardig glimlachje. „Ik geloof niet dat je bijzonder veel redenen hebt om dankbaar te zijn.”

„Hoe zoo?” vroeg zijne Lordschap met een onnoozele uitdrukking op zijn gelaat.

„Wel, je wilt toch immers met Grace Keating trouwen?”

„Ja zeker, dat is mijn vast plan.”

„Maar je zult aan dat plan geen gevolg kunnen geven, waarde Lord.”

„Waarom niet?”

„Omdat ik met haar trouw.”

Lord Cecil viel weder in zijn vorige houding in zijn stoel terug en staarde den glimlachenden Dougall met open mond aan.

Toen hakkelde hij, terwijl alle kleur uit zijn gelaat geweken was:

„Je maakt er toch zeker een grapje mee?”

„Met dergelijke ernstige zaken spot ik als beginsel nooit.”

„Maar dan zal ik genoodzaakt zijn met je te duelleeren,” riep Lord Cecil op tragischen toon.

„Dat zou ik je om verschillende redenen afraden, mijn waarde,” hernam Dougall lachend. „Ten eerste mag je me in den grond van je hart graag lijden, ten tweede is het tweegevecht in Engeland verboden en ten derde zou men je, indien het niet verboden was, zeer waarschijnlijk in een betreurenswaardigen toestand van die plek der ontmoeting vervoeren, want ik wil het niet onder stoelen of banken steken, dat ik meester ben op alle wapens en op zestig pas afstand vijf malen van de zes een aas uit de kaart schiet en met meer dan vijftien pas zou ik zeker geen genoegen nemen, als ik met de pistool in de vuist tegenover een medeminnaar kwam te staan.”

Deze mededeeling scheen zijne Lordschap tot nadenken te stemmen.

Hij liet een verlegen zenuwachtig lachje hooren en toen scheen hij de zaak van den practischen kant te willen opvatten.

„Er is dus niets aan te doen. Je wilt me in de wielen rijden?” vroeg hij.

„Die uitdrukking is niet op haar plaats, mijn goede vriend Binning. Daarvan kan geen sprake zijn. Want Grace en ik waren het reeds vroeger met elkander eens dan vandaag.”

„Maar ik heb den indruk gekregen, dat ze mij nog al graag mag lijden,” hernam Lord Binning wanhopig.

„Dan was die indruk een verkeerde,” hernam Dougall droogjes, „zij geeft volstrekt niets om je.”

„Ben je daar zeker van?”

„Volmaakt zeker.”

„Heeft ze jou het jawoord reeds gegeven.”

„Als er niets in den weg komt, trouwen wij over twee maanden.”

„Goede hemel, wat een ervaring op een dag,” kwam het jammerend over de lippen van zijne Lordschap.

„Ik erken dat het niet zeer aangenaam voor u is, mijn waarde,” kwam Dougall en nogmaals daalde zijn krachtige hand met een harden klap op de schrale dij van Lord Binning neder, zoodat deze met een pijnlijk gezicht zijn been terug trok. „Je moet je er echter maar in schikken, ongetwijfeld zwemmen er in de Londensche High Life nog wel meer goudvischjes rond.”

„Maar het was niet het geld alleen, dat verzeker ik je, Dougall. Het uiterlijk van het jonge meisje had een grooten indruk op mij gemaakt.”

„Dat wil ik graag aannemen, dat deed het ook op mij,” hernam Dougall kalm. „Ik heb haar al lief gehad, zoover ik kan terug denken en ik heb het alleen niet goed durven zeggen. Tijdens mijn laatste reis ben ik tot de overtuiging gekomen, dat ik zonder haar onmogelijk zou kunnen leven en dat heb ik haar zooeven gezegd, en omdat Grace een medelijdend hartje heeft en niet kon toezien, hoe ik om harentwege verkwijnde, daarom heeft zij er in toegestemd, mijn vrouwtje te worden.”

Zijn Lordschap slaakte een zucht, die men op straat wel had kunnen hooren en die verscheidene leden van de club verschrikt zijn richting deden uitzien, en daarmede was de zaak voor hem beëindigd—hij schikte zich in het onvermijdelijke.

Na eenige oogenblikken zeide hij:

„Dan zal ik het veld voor je moeten ruimen, Dougall. Ik ben niet zelfingenomen genoeg om te gelooven, dat ik tegen jou den strijd zou kunnen volhouden. Maar doe mij dan tenminste den dienst, en maak aan je mama, mevrouw de gravin duidelijk, [27]dat er werkelijk van een echtverbintenis tusschen ons niets kan komen. Deel het haar voorzichtig mede—ik zou voor al het geld van de wereld niet willen, dat zij zich door mij beleedigd zou achten.”

„Ik beloof het je, Cecil,” zeide Dougall, terwijl hij opstond, en den ander gulhartig de hand reikte.

Een oogenblik scheen Lord Binning te aarzelen, of hij die hand wel kon aannemen, maar toen nam hij een kloek besluit en sloeg toe.

Lord Aberdeen had de beide heeren geen oogenblik uit het oog verloren, en toen zij vertrokken waren, wendde hij zich tot zijn secretaris en zeide op zachten toon:

„De zaak is gelukkig onbloedig verloopen. Aan de eer schijnt voldaan te zijn.”

„Heb je dan alles kunnen hooren wat zij zeiden?” vroeg Charly Brand op verbaasden toon.

„Er is mij maar heel weinig ontgaan, mijn jongen. Ja het is een groot gemak, wanneer men zich de kunst van lippen lezen heeft eigen gemaakt.”

„Hiermede is de zaak van de diamanten voor jou waarschijnlijk geëindigd?”

„Nog niet geheel en al, mijn waarde,” antwoordde Lord Aberdeen, achter wien zich reeds vele jaren de persoon van den Gentleman-Inbreker verborg. „Ik geloof, dat ik nog niet alle mogelijkheden heb uitgeput—en het zal spoedig genoeg blijken, of ik mij vergist heb.” [28]