Het was omstreeks half vier in den middag en reeds begon de duisternis te vallen, toen voor het prachtige heerenhuis van gravin Mac Dougall een eenvoudige huurauto stil hield, waaruit een niet minder eenvoudig gekleed man stapte, die een oogenblik het huis in oogenschouw nam, eenige woorden met den chauffeur wisselde, en daarop den voortuin door ging, en de zware huisbel overhaalde.
Hundsley, de buttler, opende de deur voor hem.
„Wat wenscht gij, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij tamelijk wantrouwig naar de eenvoudige kleeren van den bezoeker keek.
„Ik wensch je meesteres te spreken. Ik kom in de bekende zaak van de juweelen. Ik ben particulier detective, hier is mijn kaartje. Maak wat voort als ik je verzoeken mag.”
De buttler raakte zeer onder den indruk van deze bevelende woorden, want hij haastte zich spoedig weg met het kaartje, en keerde reeds een paar minuten later terug, met het verzoek hem te willen volgen. Mevrouw de gravin zou hem ontvangen.
Gravin Eleonora ontving den detective in haar boudoir.
Zij zag er tamelijk opgewonden uit, en dat was waarlijk geen wonder, want nog geen half uur geleden had haar zoon haar zoo voorzichtig mogelijk medegedeeld, dat Lord Binning hem verklaard had, geen kans te zien, de diamanten in zijn bezit te krijgen, en dus maar liever afstand had gedaan van de eer, de gravin naar het altaar te mogen leiden.
De gravin wierp een blik op het kaartje, dat zij nog steeds in de hand hield en vroeg, na den bezoeker met een enkelen blik te hebben opgenomen:
„U is mijnheer Lijne?”
„Die ben ik, gravin.”
„De bekende detective?”
„Ik vlei mij inderdaad, gravin, dat mijn naam niet geheel en al onbekend is, zoowel in Engeland als op het vasteland.”
„Zijt gij op de hoogte van de zaak der diamanten?”
„Volkomen, gravin.”
„Wat denkt gij er van?”
„Gravin, ik wil van mijn hart geen moordkuil maken—ik moet beginnen met te verklaren, dat ik wel eenige bewondering koester voor de wijze, waarop John Raffles u van die kostbare steenen heeft beroofd.”
„De steenen en bovendien nog twintig duizend pond, mijnheer,” riep de gravin verontwaardigd.
„Dat is waar ook—die had ik bijna vergeten,” riep Lijne uit.
„Denkt gij, mijnheer, dat er eenige kans bestaat, mijn juweelen terug te krijgen?”
„Gravin—ik herhaal, wat ik u zooeven zeide: Ik ga recht op den man af, en daarom moet ik u zeggen, reeds bij voorbaat, dat de kans, om uw halssnoer terug te krijgen, niet alleen niet zeer groot is, maar daarentegen bijzonder klein.”
„En toch komt gij u bij mij aanmelden?” riep de gravin ongeduldig.
„Gravin, een van mijn beginselen is, dat men zelfs de geringste kans niet moet veronachtzamen! Wie weet doen er zich wel omstandigheden voor, waarop wij van te voren niet gerekend hadden, en die ons ondanks alles toch nog op het spoor van den brutalen Gentleman-Inbreker brengen. Het is echter volstrekt noodig, dat ik verschillende bijzonderheden [29]uit uw mond verneem, en dat ik hier in huis een grondig onderzoek kan instellen.”
„Denkt gij dan dat dat u iets zou baten, mijnheer?” hernam de gravin op ongeloovigen toon. „Ik kan niet inzien, wat er in mijn huis nog te onderzoeken valt. Gij denkt toch zeker niet, dat Raffles de juweelen hier ergens verborgen heeft?”
„Als ik dat dacht, gravin, dan zou ik tevens moeten denken, dat zijn loopbaan teneinde liep,” riep de detective uit. „Een onderzoek kan echter in een of ander opzicht van groot nut zijn. Wat ik zeggen wil, is uw brandkast op dit oogenblik gevuld?”
„Ik heb inderdaad veel geld in huis, mijnheer, want over een kwartier verwacht ik mijn notaris en zaakwaarnemer, die met mij den stand van mijn vermogen moeten vaststellen. Maar waarom doet gij mij die vraag? Dat heeft toch niets met de diamanten te maken?”
„Misschien meer dan gij denkt, gravin,” hernam Lijne. „Vergeet niet, dat Raffles misschien op de een of andere wijze tot de ontdekking komt, dat uw brandkast op dit oogenblik goed gevuld is, en dat hij het misschien op dit oogenblik reeds weet, en dat dus de kans niet is uitgesloten, dat hij nogmaals terug keert, teneinde een aanval op uw geldkast te doen.”
„Zou hij dat werkelijk wagen?” riep de gravin op ongeloovigen toon.
„Ik geloof dat er niet veel is, gravin, dat Raffles niet waagt te ondernemen,” antwoordde Lijne, terwijl hij zijn lichte wenkbrauwen hoog optrok. „Welnu, wij moeten deze kans aangrijpen—misschien zouden wij hem kunnen vangen, door, zonder dat hij het merkt, wel te verstaan, een half dozijn desnoods een dozijn politieagenten op wacht te zetten.”
De detective bleef nog geruimen tijd over dit onderwerp doorpraten, terwijl de gravin nu en dan een opmerking maakte, totdat Hundsley de komst aankondigde van de heeren Playford, notaris en Darley, zaakwaarnemer van mevrouw de gravin, die volgens haar verlangen gekomen waren, om eenige zaken met haar te regelen.
Lijne was opgestaan en de gravin zeide:
„Het spijt me, mijnheer Lijne,—thans roepen mij de gewichtige bezigheden, waarover ik u zooeven reeds sprak. Het spreekt vanzelf, dat ik u volkomen volmacht geef, om alles te doen, wat gij in deze zaak noodig acht, en dat ik niet op een paar honderd pond sterling zal zien, wanneer ik er slechts in slaag, mijn juweelen te herkrijgen. Hoor ik spoedig iets van u?”
„Zeer spoedig, denk ik, gravin,” antwoordde Lijne.
Hij maakte een diepe buiging, en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.
Intusschen had Hundsley zich reeds weder naar de vestibule begeven, teneinde de beide heeren te begeleiden naar het vertrek, naast het boudoir van de gravin gelegen, en waar de brandkast stond opgesteld.
Daar werden zij ontvangen door de gravin, die hen beiden met een paar woorden verwelkomde, en daarop begon:
„Mijne heeren—ik heb u eenmaal verzocht bij mij te komen, en nu gij er zijt, kunnen wij gevolg geven aan mijn plan, dat gij kent, ofschoon de redenen welke er mij toe brachten den juisten staat van mijn vermogen te leeren kennen op dit oogenblik niet meer bestaan. Dit is echter een zaak van particulieren aard, welke u waarschijnlijk weinig belang zal inboezemen. Neem plaats, wat ik u verzoeken mag, dan kunnen wij dadelijk ter zake komen.”
De notaris en de zaakwaarnemer gingen, na hun overgoed te hebben afgelegd, aan de groote tafel zitten, die in het midden van het vertrek stond en begonnen bedachtzaam de dikke portefeuilles te openen en van hun inhoud te ontdoen, die zij zorgvuldig onder hun arm gekneld hielden, toen zij binnen kwamen.
Deze bleken een groot aantal paperassen te bevatten, die allen in een of ander opzicht in verband stonden met het vermogen van de gravin.
Bovendien had Darley een paar dikke registers bij zich, die hij geopend voor zich legde.
De notaris had een hoornen lorgnet op zijn geweldig grooten neus geklemd, en begon met kelderstem:
„Met uw welnemen, gravin, zullen wij het eerst een aanvang maken met den staat van uw onroerend vermogen. Wij hebben dan achtereenvolgens uw kasteel in Schotland. De waarde van den grond bedraagt op dit oogenblik iets meer dan een millioen pond, die van het huis twee honderd duizend pond. Vervolgens hebben wij uw landerijen in Wales, welke wij op dit oogenblik gevoegelijk kunnen taxeeren [30]op een nominale waarde van—hoeveel is het ook weer, Darley?”
„Anderhalf millioen pond, twee maal honderd duizend, mijnheer de notaris,” antwoordde de zaakwaarnemer onmiddellijk.
En zoo werden vervolgens alle bezittingen van de gravin opgenoemd en becijferd, en na een half uur ongeveer waren de beide heeren tot de slotsom gekomen, dat de waarde van de onroerende bezittingen van mevrouw de gravin ongeveer zeven millioen pond bedroegen.
„Als nu gaan wij met uw welnemen, mevrouw de gravin, over tot het roerende gedeelte,” begon notaris Playford deftig, terwijl hij een ander vak van zijn onmetelijke portefeuille open knipte. „Het zal u natuurlijk niet onbekend zijn, dat uw roerend vermogen bij een zestal Engelsche banken is vastgelegd, en dat het meerendeels bestaat uit voortreffelijke, soliede effecten, spoorweg- en mijnaandeelen, en slechts voor een betrekkelijk gering deel, iets meer dan zeven honderd duizend pond sterling uit contanten. Wij zijn echter niet nauwkeurig op de hoogte van het vermogen, dat gij in eigen beheer houdt.”
„Ik zal het u onmiddellijk kunnen zeggen, mijn waarde notaris,” hernam gravin Eleonora, terwijl zij een sleutelbos te voorschijn haalde, en op de brandkast toetrad.
Zij opende de deur, waarbij Darley haastig toeschoot om haar te helpen, en daarop werden stapels goudgeld en bankbiljetten uit de kast gehaald en op de groote tafel neergezet, waarop notaris Playford onmiddellijk begon met de telling.
Na ongeveer tien minuten werken, en eenig gecijfer, verkondigde hij en er lag een plechtige klank in zijn stem:
„Twee en tachtig duizend, drie honderd zes en veertig pond, mevrouw.”
„Ik dank u, mijnheer. Gij bespaart mij op deze wijze de moeite het geld zelf te moeten tellen,” liet eensklaps een heldere stem zich hooren.
Het gordijn, dat de communicatie-deur naar het boudoir verborg, werd snel op zijde geschoven—en daar trad de detective Lijne het vertrek binnen.
Voor een der aanwezigen van de schrik en ontsteltenis bekomen was, had de detective met een bliksemsnelle beweging het tafelkleed aan de vier punten weggenomen, na er de registers met een enkelen zwaai van zijn arm te hebben afgeschoven, en liet vervolgens alles wat er op lag met de snelheid van een goochelaar verdwijnen in de tasch, welke hij ook reeds zooeven bij zich had, en die wel speciaal voor dit doel gemaakt scheen te zijn, zij klapte tenminste schijnbaar vanzelf open en weer dicht, nadat de buit er in verdwenen was.
Vervolgens nam de stoutmoedige indringer met een hoffelijk gebaar zijn slappen hoed af, en zeide, na een buiging voor het verblufte en doodelijk ontstelde gezelschap te hebben gemaakt:
„Het doet mij genoegen, gravin en waarde heeren, dat gij mij niet hebt genoodzaakt, geweld te gebruiken, want daaraan heeft John Raffles altijd een geweldig groote hekel gehad.”
Nu slaakte de gravin voor het eerst een kreet van woede en schrik.
„John Raffles,” schreeuwde zij. „Dat is dus de derde keer. Maar zal niemand mij dan van dien bandiet verlossen?”
„Jawel moeder, ik zal het doen,” liet plotseling de stem van Dougall zich hooren, die op het hooren van een vreemde stem was nader gekomen, en aanstonds vermoed had wat er gaande was, en nu met opgeheven revolver op den drempel van de gangdeur stond.
„Handen op,” beval hij met dreigende stem, „en waag het niet, u te verroeren, want ik verzeker u dat ik zelden mis schiet.”
John Raffles was voor alles een man van de practijk, en hij begreep wel, dat hij op dit oogenblik aan het kortste einde trok, voorloopig tenminste.
Hij stak dus langzaam zijn handen op, na de tasch voor zich op den grond te hebben gezet.
Met de revolver steeds opgeheven trad Dougall langzaam op hem toe en toen duwde hij met den voet de tasch een weinig terzijde en buiten het bereik van Raffles.
De jonge man scheen wel eens vernomen te hebben van de stoutmoedigheid van den Gentleman-Inbreker, en hij begreep heel goed, dat hij al zijn kaarten zou vergooien, wanneer hij zich ook maar een seconde naar de tasch zou bukken.
Steeds het oog op Raffles gevestigd houdend ging hij ruggelings naar de tafel, waar het telefoontoestel stond.
Hij nam den hoorn van den haak, en toen klonk zijn stem: [31]
„Scotland Yard—spoedig als ik u verzoeken mag.”
Een oogenblik bleef het stil.
Raffles stond nog altijd met de handen omhoog geheven, dicht bij een zware kast, die met boeken gevuld was.
Daarop klonk opnieuw de stem van Dougall in de telefoon:
„Gij spreekt met Mac Dougall. Stuur onmiddellijk een zestal van uw beste agenten, ik heb John Raffles gevangen.”
„Nog niet!” klonk de stem van den Grooten Onbekende.
Hij was onmerkbaar een weinig terzij geschoven.
Terwijl zijn blikken snel in het rond vlogen, had hij boven op de kast, juist onder het bereik van zijn uitgestrekte rechterhand, een fraai bewerkten bronzen olifant zien staan.
Juist op het oogenblik dat Dougall zijn vijanden te hulp had geroepen, rukte hij het zware voorwerp van de kast en werp het met vaste hand in de richting van den jongen man.
Het zware voorwerp trof Dougall tegen den rechterarm, juist ter hoogte van den elleboog.
Met een kreet van pijn liet hij de revolver vallen.
Vlugger dan de gedachte was Raffles er op toegeschoten en een bliksemsnelle beweging van zijn voet deed het wapen in den versten hoek van het vertrek vliegen.
In een oogwenk had hij zijn eigen Colt getrokken en op Dougall gericht, die bleek van woede en met gebalde vuisten machteloos tegenover hem stond.
Toen begon Raffles, die geen oogenblik zijn kalmte verloren had, en na een blik op zijn horloge te hebben geworpen:
„Het zal nog wel minstens vijf minuten duren voor de politie hier is, en van dien korten tijd wil ik even gebruik maken, om u te zeggen, dat ik volstrekt geen spijt heb over mijn kleine indiscretie, mevrouw de gravin. Ik stond reeds geruimen tijd achter gindsche deur en ben er dus getuige van geweest, hoe deze eerwaarde heeren den staat van uw vermogen opmaakten. Het is reusachtig groot—en toch heb ik tot mijn leedwezen nog nimmer kunnen constateeren dat gij er veel goede daden mee verricht. Ik heb een klein onderzoek ingesteld, en daaruit is mij gebleken, dat uw rentmeesters op uw bevel altijd zeer streng optreden tegen de pachters, en er nimmer rekening mede houden, als omstandigheden buiten hun wil, zooals hagelslag of overstroomingen, hen het betalen van de pachten zeer moeilijk maken! Eigenlijk gezegd is mij dat van u zeer tegen gevallen. Ook bij het inteekenen op weldadigheidslijsten houdt gij u liefst, uit verkeerd geplaatste bescheidenheid, zoover mogelijk op een afstand. Verzoeken om onderstand van menschen, die het ten volle verdienen, dat zij geholpen zouden worden, vinden bij u nimmer een gunstig onthaal! Kortom, gij behoort tot die rijken, in wier handen het geld tot een doode, logge, onvruchtbare massa wordt—voor niemand tot iets dienstig, niet eens voor u zelve. Wat ik u heb afgenomen beteekent voor u slechts een zeer gering deel van uw groot vermogen—ik daarentegen kan er zeer veel goed mee doen—en dat zal ik ook. Vier minuten zijn om, mevrouw de gravin, en mijne heeren—ik zal verplicht zijn u te verlaten.”
Terwijl Raffles de revolver voortdurend op Dougall gericht hield, nam hij met een vlugge beweging de tasch met den kostbaren inhoud weder van den vloer.
Wat de notaris en de zaakwaarnemer betreft—zij zaten als verwezen aan de tafel, niet in staat, om maar een vingerlid te verroeren.
De gravin was krijtwit van drift, en beefde over al haar leden—het zou slechts een kwestie van tijd zijn, of zij zou, voor den derden keer in slechts een etmaal, opnieuw in zwijm vallen.
Met een enkelen sprong was Raffles bij de deur van de gang en nu stond hij buiten.
Hij draaide den sleutel in het slot om en met een paar stappen was hij bij den hoek van de gang verdwenen.
Reeds hoorde hij achter zich een deur open rukken, waarschijnlijk die van het boudoir, en hij begreep dat zijn voorsprong niet zeer groot was, en dat men spoedig het geheele huis bijeen zou hebben geschreeuwd.
Hij had de tasch met den buit aan een opzettelijk daartoe aangebrachten haak voor den borst gehangen, teneinde de beide handen vrij te hebben en liet zich nu met de vlugheid van een aap langs de trapleuning naar beneden glijden.
Juist toen hij den eersten overloop bereikt had, ging er een deur open en Grace stak verschrikt haar hoofdje naar buiten, aangelokt door het geschreeuw en de voetstappen. [32]
„Mejuffrouw, gij zijt allerliefst en gij verdient het, de vrouw te worden van Dougall, die een ferme kerel is—maar thans zijt gij mij werkelijk een weinig in den weg.” En met zachten dwang duwde hij het meisje weder in haar kamer en deed de deur op slot om dadelijk weer verder te snellen.
Tot zijn geluk hadden de bedienden nog niets van zijn jacht bemerkt.
Daardoor was het hem mogelijk de achtertrap te bereiken, deze op dezelfde vliegensvlugge wijze af te dalen en het huis langs een zijdeur te verlaten.
Op hetzelfde oogenblik kwam over het Cleveland Square een politieauto aanrazen, die dadelijk daarna stilstond voor den hoofdingang.
Raffles glimlachte.
„Dat is een voortreffelijk huis, met zijn twee zij-ingangen,” bromde hij voor zich heen.
Hij stak de hand op en dadelijk kwam een huurauto aanrijden, die door niemand anders dan door Charly Brand bestuurd werd.
Raffles sprong in het voertuig, dat aanstonds in allerijl door de zijstraat weg stoof, op hetzelfde oogenblik dat door de voordeur niet zes, maar wel twaalf agenten als een troep krijgszuchtige Indianen het groote heerenhuis kwam binnenstormen.…