Sedert eenige dagen bevatten bijna alle bladen, die te Londen uitkwamen, het verhaal van een geheimzinnigen, in vodden gehulden, ouden man, die zich sedert een paar weken bij verschillende instellingen van liefdadigheid, tehuizen voor dakloozen, gasthuizen en andere inrichtingen kwam aanmelden, en dat niet om onderstand te vragen, zooals natuurlijk de portiers van die inrichtingen aanstonds meenden, zoodra zij den haveloozen man zagen aankomen, die moeilijk op een stok geleund ging, maar integendeel, om een gift weg te schenken.
In de meeste gevallen bedroeg deze waarlijk koninklijke gift vijf honderd pond sterling in een enkel bankbiljet.
De geheimzinnige grijsaard had een grijs linnen zak bij zich, die met deze kostbare biljetten wel geheel volgepropt scheen te zijn, want geldswaardig papier van minder waarde gebruikte hij maar hoogst zelden.
De onbekende schenker van deze groote giften vertoefde altijd slechts zeer kort op de plaats van zijn bestemming.
Meestal vroeg hij den directeur te spreken, maar ook gaf hij vaak zijn bankbiljetten van vijf honderd pond aan een hoofdverpleegster en zelfs wel eens, zonder een woord van dank af te wachten, eenvoudig aan den portier om dan dadelijk weer rechtsomkeert te maken en weder heen te strompelen, leunend op zijn zwaren stok, het witte hoofd naar den grond gebogen, de hand van zijn linkerarm op den rug tot een vuist ineen gebald.
Het kon niet uitblijven, of te eeniger tijd werden de rondgangen van dezen geheimzinnigen schenker bekend.
Men zag hem meestal in de arme wijken van de onmetelijke wereldstad, nu eens in Houndsditch, dan weder in het Cockney district, in de buurt van de dokken. Op den eenen dag in het Zuiden, dan weder in het Noorden en overal liet hij zijn biljetten van vijf honderd pond achter.
Een globale berekening, door een blad gepubliceerd, bewees al spoedig, dat de vrijgevige grijsaard binnen een paar weken een bedrag van niet minder dan vijftig duizend pond had weg geschonken en [3]zoo kon het niet uitblijven, of sommige personen begonnen argwaan te koesteren en vroegen zich af, of de bankbiljetten wel echt waren, welke de grijsaard met zijn eerwaardig uiterlijk en zijn langen witten baard bij tientallen aan inrichtingen van liefdadigheid achterliet.
Maar er behoefde geen seconde aan te worden getwijfeld. De bankbiljetten waren volkomen echt.
Eenige directies hadden ze naar de Bank van Engeland ter onderzoek opgezonden en het antwoord luidde, dat de biljetten zoo echt en degelijk waren, als men ze maar kon verlangen.
Nog nimmer had de grijsaard, hij moest wel minstens vijf en zeventig jaar zijn, zijn naam willen noemen, en ook had hij altijd geweigerd een kwitantie voor zijn gift in ontvangst te nemen.
Zoodra men het hem wat lastig begon te maken met vragen en er bij hem op aandrong, toch een kwitantie in ontvangst te nemen, liep hij zoo vlug hij kon weg om zich te onttrekken aan dezen rompslomp, zooals hij het noemde.
Deze of gene directeur had hem al eens gevraagd, of hij bij de eenigszins langdurige voortzetting van zijn rondgang langs de gasthuizen niet straatarm zou worden, maar de geheimzinnige grijsaard had eenvoudig geglimlacht, en de verklaring afgelegd dat hij oud werd en het geld hem toch van geen nut meer was.
Familieleden bezat hij niet en als hij wilde, zou hij nog geruimen tijd kunnen voortgaan, zijn biljetten van vijf honderd pond weg te geven.
Niemand wist waar hij woonde en de grijsaard scheen er zeer bepaald op gesteld te zijn, dat men hem niet volgde, teneinde dit te ontdekken, want zoodra hij slechts het vermoeden koesterde, dat men hem na ging, riep hij een huurauto aan en verdween daarmede snel.
Maar het verwonderlijkste was misschien wel het volgende:
Eens had de portier van een instelling, waarvan de directeur het er bepaald op gezet had, den naam en de verblijfplaats van den edelen weldoener te leeren kennen, zeer duidelijk letters en nummers van de huurauto gezien, waarmede de geheimzinnige grijsaard snel wegreed, toen hij zag dat men hem iemand uit de inrichting achterna zond.
De portier had dit nummer aan den directeur medegedeeld en deze was er vlug bij geweest om bij verschillende maatschappijen navraag te doen naar den chauffeur, die deze auto gereden had, teneinde van dezen man te vernemen, waar hij den grijsaard had moeten brengen.
Maar tot groote verwondering van dezen directeur moest hij vernemen, dat op dien dag en dat uur een huurauto van dat nummer onmogelijk in de bewuste straat kon zijn gezien, daar het voertuig juist den dag te voren in reparatie was gedaan en de eerste dagen zeker niet gereed zou zijn.
Aanvankelijk hield de portier stijf en sterk staande, dat hij een auto met dat nummer wel degelijk had zien wegrijden, maar tenslotte begon de man te twijfelen en eindelijk meende hij, dat hij zich dan zeker wel vergist zou hebben.
Intusschen was dit kleine voorval wel geëigend om de groote belangstelling voor den edelen weldoener te vermeerderen.
Men wist toen nog niet dat de grijsaard zijn rondgang even plotseling zou staken, als hij dien begonnen was en dat men binnen een paar dagen niets meer van hem zou vernemen.…
Het was in het begin van den winter, die zeer fel had ingezet, toen de geheimzinnige grijsaard met zijn gewone boodschap aanschelde aan de deur van een eenvoudig huis in een der volksbuurten, een van die toevluchten voor onbehuisden, die maar al te vaak met geldnood te kampen hebben en meestal moeten bestaan van giften, daar de lieden, die hier hun toevlucht komen zoeken, zoo weinig betalen, dat de instelling daarvan onmogelijk kan rondkomen.
Een man in grijs linnen werkpak gekleed opende de deur en vroeg wat hij wenschte.
„Ik kom niet om onderdak vragen, goede vriend,” antwoordde de grijsaard glimlachend. „Is de directeur te spreken?”
„Daar komt hij juist aan, vadertje,” hernam de man in het linnen pak, die meende, met een zwerver te doen te hebben, die misschien een fantastisch verhaal zou komen opdisschen over zijn rampspoeden en waarschijnlijk zou eindigen met gratis een bord soep te vragen.
De directeur, een man met een vriendelijk gelaat, trad op den grijsaard toe.
Deze had reeds de hand in zijn grijs linnen boodschappenzak gestoken en haalde er een van zijn bankbiljetten van vijf honderd pond uit. [4]
Aanstonds scheen de directeur te begrijpen, met wien hij te doen had.
Hij was dus niet eens verrast, toen de vreemdeling hem het biljet toestak met de woorden:
„Ik denk, dat gij dit wel zult kunnen gebruiken, mijnheer. Ik zelf zal er toch niet lang van kunnen profiteeren.”
De directeur nam het biljet aan en zeide op ontroerenden toon:
„Ik dank u, mijnheer, uit naam van de ongelukkigen, die bij mij een toevlucht komen zoeken en die ik niet steeds kan helpen, zooals ik dit zou wenschen. Uw gift is mij zeer welkom. Ik verzeker u, dat die goed besteed zal worden.”
„Daar ben ik van overtuigd, mijnheer,” hernam de grijsaard en reeds wendde hij zich weder naar de deur.
„Wilt gij geen kwitantie, mijnheer,” riep de directeur hem achterna.
„Dat is volstrekt niet noodig.”
„Maar wilt gij mij dan tenminste toestaan, u mijn inrichting te laten zien, opdat gij weet waaraan gij uw geld besteedt.”
„Ook dit is volkomen overbodig, mijnheer. Ik ken uw tehuis zeer goed, dat verzeker ik u. Gij kunt er van overtuigd zijn, dat ik altijd een grondig onderzoek laat instellen naar de inrichtingen waaraan ik mijn kleine giften schenk.”
Hij lichtte even zijn verschoten hoed op en het volgende oogenblik had hij het huis verlaten.
Met gebogen hoofd ging hij verder, nu en dan omziende, teneinde zich te overtuigen dat men hem niet volgde.
De grijsaard bevond zich op dat oogenblik in de buurt van White Chapel en wel in de buurt van de koninklijke munt, die niet ver van de Tower is gelegen.
Hij liep langzaam verder, zonder zich te overhaasten en al dien tijd volgde hem een ledige huurauto, achter welks stuurwiel een reusachtig gebouwd chauffeur gezeten was, een man met een nek als van een stier, en verbazend breede schouders en vuisten als smidshamers, die er naar uitzagen, alsof zij met het grootste gemak het stuurwiel zouden kunnen versplinteren, dat zij met vasten greep omklemd hielden.
De grijsaard sloeg nu de Dockstreet in, welke in de richting van de groote Londensche dokken loopt.
Hij stond nu en dan een oogenblik stil, om een klein stukje papier te raadplegen, dat blijkbaar een aantal namen bevatte, namen van instellingen, welke hij dien dag wilde bezoeken.
Maar er zou iets geschieden, hetwelk zijn plannen voor dien dag zouden wijzigen …
De Dockstreet loopt uit op Smithfield.
Daar op den hoek van laatstgenoemde straat en Penningtonstreet verheft zich een reusachtig fabrieksgebouw, waar machines, draaibanken, fraisbanken, persen en dergelijke vervaardigd worden, en die het eigendom is van de heeren Bates & Holborn.
Het is een geweldig complex gebouwen, voor het grootste gedeelte omgeven door een twee meter hoogen muur, en dat in onmiddellijke verbinding staat met de Londensche dokken.
Rondom een groote binnenplaats, van waar een aantal spoorlijnen naar de dokken voert, onder een geweldige poort door, verheffen zich de verschillende fabrieksgebouwen, die daar in den loop der jaren zijn verrezen, en daar nu zwart berookt, log en onwrikbaar oprijzen.
De fabriek telt bijna drie duizend arbeiders, en sedert het begin van den oorlog had zij volop werk gehad.
Een schier eindelooze muur strekte zich uit langs Penningtonstreet, slechts hier en daar onderbroken door een zwaar ijzeren hek.
Het was bij één van deze hekken, dat de grijsaard een grooten oploop waarnam, een groep van schreeuwende en tierende mannen, die verontwaardigd schenen te zijn.
Eén van de beide vleugels van het hek stond open, en daarachter stond een portier met bleek gelaat, en die zich blijkbaar in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
Toen de grijsaard naderbij kwam, nog altijd gevolgd door de langzaam rijdende huurauto, bemerkte hij dat de groep uit een dertigtal tierende en opgewonden mannen bestond, die zich verdrongen rondom een boom van een kerel, massief gebouwd en met een kop, die zeer veel herinnerde aan dien van Richepin, dezelfde overvloed van verwarde grijze lokken, dezelfde rechte, groote neus, dezelfde hoekige wenkbrauwen, als een puntdak boven de scherpe, doordringende oogen, dezelfde waaiervormig [5]geknipte ruige baard. De man was zeer bleek, er lag een woeste uitdrukking op zijn gelaat.
Hij zelf sprak niet, maar des te meer schreeuwden de mannen, die om hem heen stonden.
De grijsaard was nu zoo dicht genaderd, dat hij duidelijk hoorde, wat de opgewonden mannen schreeuwden.
„Als jij eruit gaat, Jim, dan gaan wij allemaal mee! Het is een schande, dat de patroon je om zoo’n bagatel op straat werpt! Wij zijn allemaal wel eens driftig op onzen tijd, en het zal hem goed doen, als één van ons dien schurk van een Bates eens de waarheid zegt! Als je binnen een uur niet weer in dienst bent genomen, leggen wij allemaal het werk neer! Hij heeft je niet eens een behoorlijke reden voor het ontslag kunnen opgeven! Wij willen jou als werkbaas op de afdeeling, en niemand anders! Laat hij oppassen, die Bates, of het zal hem nog eens slecht vergaan!”
Terwijl de mannen zoo schreeuwden en dreigden stond de zwaar gebouwde man in het midden, dien zij als Jim hadden aangesproken, met gebogen hoofd en gebalde vuisten tegenover hen, voor zich uitstarende zonder een woord terug te zeggen.
Maar nu hief hij eensklaps het hoofd op, legde den mannen met een gebaar het zwijgen op, en zeide met vaste stem:
„Dat mogen jullie in geen geval doen, kameraden! Wat er is tusschen Bates en mij—dat gaat jullie niet aan! Wel wil ik je zeggen, dat hij de grootste schurk is, dien ik ken en dat hij zich voor mij in acht zal moeten nemen, maar dat alles mag voor jullie geen reden zijn om het werk neer te leggen.”
„Het is wel om minder gedaan, Jim,” riep één van de fabrieksarbeiders uit. „Als wij niet eens meer mogen staken om een onrechtvaardig ontslag, waarom moeten wij het dan doen?”
„Ik wil niet, kameraden, dat jullie om mijnentwege het werk er bij neerlegt,” hernam de werkbaas. „Wat ik op te knappen heb met Bates, dat zal ik zelf wel doen. De winter is begonnen en jullie vrouwen zouden je slecht ontvangen, als je nu thuis kwam met de boodschap, dat je ter wille van een werkbaas de staking had uitgeroepen. Ga dus weer rustig terug en doe geen domheden. Ik dank jullie voor je vriendschap en goede bedoelingen.”
„Maar waarom wil je niet dat wij staken, Jim?” riep dezelfde arbeider van zooeven. „Een jaar geleden heb je zelf aangedrongen op een staking, toen één van de machinisten om een wissewasje aan den dijk werd gezet. Ook midden in den winter, en ofschoon je zes kinderen te eten moet geven.”
„Dat was wat anders,” bromde de werkbaas op grimmigen toon. „Wat er met den machinist gebeurd was, mocht het licht zien, maar ik wil niet dat er iemand ontdekt, wat er tusschen Bates en mij bestaat, versta je, dat wil ik niet. Er zijn dingen, die iedereen voor zich houdt, omdat je het zou besterven als anderen het wisten en gaan jullie nu dadelijk aan het werk. De patroons zullen toch al woedend zijn, dat jullie mij zijt nageloopen. Jullie hoort nog wel van mij.”
Schoorvoetend en als met tegenzin, grommend en terwijl sommigen de vuisten dreigend naar de fabriek uitstaken, gingen de arbeiders het hek weder binnen, hetwelk de portier weer haastig achter hen sloot.
De werkbaas bleef alleen.
Hij wendde zich langzaam af en wilde heen gaan, na een blik van woesten haat op de fabriek te hebben geworpen, toen hij een hand op zijn schouder voelde.
Hij keerde zich onwillig om en keek in het gelaat van den grijsaard, die gehoord had wat er zooeven was gezegd.
„Wat is er vader,” vroeg de werkbaas met gefronste wenkbrauwen.
„Zeg mij eens eerst, of je mij niet herkent, Jim Macloed.”
De werkbaas keek den grijsaard verrast aan en riep na eenige aarzeling:
„Welzeker, gij zijt de brave man, die een paar dagen geleden vijf honderd pond sterling zijt komen brengen voor de weduwen- en weezenkas, die de arbeiders van de fabriek onder elkaar hebben opgericht, en waarvan ik het beheer voer.”
„Het verheugt mij dat ge mij herkent. Wilt ge mij toestaan dat ik u help?”
Jim Macloed boog het hoofd en een smartelijke uitdrukking kwam er op zijn krachtig gelaat en toen klonk het op doffen toon:
„Ik ben niet te helpen, mijnheer. Wat mij geschied is, dat is nooit meer goed te maken.” [6]