Macloed had één van de spijlen van het hek gegrepen en stond daar nu gebogen als een man, die het lot voor altijd heeft neergeslagen.
Zijn gelaat was smartelijk verwrongen en achter zijn oogen voelde hij de tranen branden, welke hij met geweld terug trachtte te houden.
De grijsaard naderde hem opnieuw, legde hem weder de hand op den schouder en dwong hem zoo, hem in het gelaat te zien.
Toen hernam hij op een toon, vol innige deelneming:
„Ik wilde, dat gij in mij een vriend zou zien. Gij kunt mij vertrouwen. Ik weet reeds veel van u, van de fabriek daar ginds, van haar beide eigenaren. Ik ken de beide compagnons persoonlijk en ik weet zeer nauwkeurig wat zij waard zijn. Ik kan ook heel wat van uw familieomstandigheden.…”
Macloed wendde hem met een ruk het gelaat toe en riep:
„Wat weet gij van mijn familieomstandigheden, wat? Ik had u nooit tevoren gezien, voor gij bij mij kwaamt met uw gift.”
„Ik heb altijd veel belang in u gesteld, vriend Macloed,” hernam de grijsaard op zachten toon. „Wilt gij mij niet zeggen om welke reden men u ontslagen heeft. Misschien kan ik dat ontslag wel ongedaan maken. Ik beschik over meer macht, dan gij denkt.”
Macloed schudde het hoofd en antwoordde op doffen toon:
„Gij kunt mijn ontslag niet ongedaan maken, mijnheer, en zelfs, al zoudt gij het kunnen, dan nog zou het mij onmogelijk zijn, weder te gaan werken op de fabriek, waar de ellendeling het bevel voert, die.… die.…”
Een droge snik belette hem, verder te gaan.
Hij drukte zich de handen voor de oogen en zijn geheele sterke lichaam trilde van ingehouden smart.
„Dan is het dus wel iets zeer ernstigs geweest, dat er bestaat tusschen den man, bij wien gij twintig jaar in dienst zijt geweest, en u?”
„Iets zeer ernstigs, mijnheer, en ik wilde dat ik het u ook kon zeggen, maar ik kan het niet. Het wil mij niet over de lippen.”
„Zeg het dan niet,” hernam de grijsaard op vriendelijken toon. „Ik denk er niet aan u een geheim te ontlokken, dat gij alleen wenscht te bezitten, maar in ieder geval zijt ge nu zonder werk. Wilt ge dan volstrekt niet toestaan, dat ik u op een andere wijze help.”
„Ik heb wat geld over kunnen sparen, mijnheer,” antwoordde Macloed op gesmoorden toon. „Ik dank u voor uw aanbod. Gij schijnt een edel, een goed mensch te zijn. Maar Jim Macloed heeft nog nooit een aalmoes aangenomen. En hij hoopt het ook nimmer te doen. Ik wil u met die woorden volstrekt niet kwetsen, mijnheer. Ik waardeer uw goede bedoeling, maar ook een arbeider heeft zijn eergevoel, nietwaar?”
„Ik denk er niet aan, u iets tegen uw zin op te dringen, mijn vriend. En over een aalmoes moogt gij ook in het geheel niet spreken. Ik had u slechts willen aanbieden u geldelijk bij te staan, totdat gij een nieuwe betrekking zoudt hebben gevonden, hetgeen voor u zeker niet moeilijk zou zijn.”
„Zeg dat niet, mijnheer,” hernam de werkbaas op moedeloozen toon. „Gij weet niet, welke macht Bates en Holborn bezitten. Als zij willen kunnen zij het mij in Londen bijna onmogelijk maken, weder een goede betrekking te vinden. Want zij kennen alle directeuren van machinefabrieken, die voor het meerendeel in één of ander opzicht van hun afhankelijk zijn en hen naar de oogen zien. Gij hebt natuurlijk wel eens gehoord van de zwarte lijst? Zulk een lijst berust bij elken fabriekseigenaar en daar staan de namen op vermeld van alle arbeiders die tot geen prijs in dienst mogen worden genomen. Met de redenen daarvoor er achter: anarchisme, [7]onverbeterlijke drankzucht, ziekelijkheid en dan ook nog brutaliteit. Geen gewone brutaliteit, wel te verstaan, maar een zeker verzet tegen de heeren patroons, om bijzondere redenen, welke ik u echter niet zal noemen. Welnu, ik ben er zeker van, dat ik reeds morgen op die lijsten zal zijn ingeschreven.”
„Een reden te meer om mijn hulp te aanvaarden. Een man met twintig jaar trouwen dienst op dezelfde fabriek mag geen honger kunnen lijden. En, of gij wilt of niet, of gij trotsch zijt of niet, ik zal u bijstaan. Maar in uw geheimen dringen zal ik nooit, tenzij gij het mij toestaat. En nu, vaarwel, of liever tot ziens, Macloed. Wij zullen elkander zeker spoedig terug zien.”
De grijsaard drukte den werkman de hand en wilde zich verwijderen, maar Macloed riep hem terug en zeide aangedaan:
„Ik zou u alles toevertrouwen, mijnheer, want ik weet dat gij een vriend van de arbeiders zijt, wanneer het slechts mijn eigen geheim was, maar het is dat van iemand, die mij zeer, zeer dierbaar is. Niemand kan zeggen, of dat geheim niet op een andere wijze zal uitlekken, maar ikzelf kan en wil het niet zeggen, het zou mij breken.”
En zonder af te wachten, wat de grijsaard zou zeggen, snelde Macloed weg. De oude man bleef hem nog even nakijken en wenkte toen den chauffeur van de huurauto, die zijn voertuig op een afstand van vijftig meter had laten stil staan.
Dadelijk kwam de auto aanrijden en de oude man stapte in, nadat hij op zachten toon tot den chauffeur gezegd had:
„Het is al laat, Henderson, rijd me maar naar huis.”
De chauffeur liet de auto keeren en in snelle vaart reed het voertuig nu door de drukste straten van Londen en vervolgens langs het Theems Embankement naar Pall Mall en vandaar naar de Regentstreet.
De chauffeur opende de deur, de auto reed naar binnen, de deuren sloten zich vanzelf weder en daarop stapte de oude man uit, liep door den tuin op het huis toe, ging toen door een achterdeur binnen en besteeg met een vlugheid, die verwonderlijk mocht heeten voor een vijf en zeventig-jarige, een breede trap op, die naar een tweede verdieping van het huis voerde, tot hij stil stond voor een wit gelakte deur.
Hij opende deze en trad een fraaie slaapkamer binnen.
En daar gekomen deed de grijsaard iets zeer eigenaardigs. Hij nam een witte pruik af, en ontdeed zich vervolgens van den eerwaardigen witten baard, die het benedenste gedeelte van zijn gelaat verborg.
Tenslotte nam hij plaats voor een kaptafel, en begon daar zijn gelaat te ontdoen van een zeer dun laagje van één of ander kleurmiddel, van de rimpels, die naast de oogen en naast den neus door de huid schenen te groeven en die het voorhoofd doorgroefden. Dat alles met behulp van een kleurloos vocht, hetwelk deze eigenaardige schmink als bij tooverslag liet verdwijnen.
Binnen vijf minuten had het gelaat van den grijsaard plaats gemaakt voor dat van een man in de kracht van zijn leven, met doordringende grijze oogen, een hoog gewelfd voorhoofd en scherp geteekende trekken, die van een ontembare wilskracht en een buitengewone schranderheid getuigden.
De man, die daar voor den spiegel zat en de laatste restjes van het kleursel met een schoone witte lap van zijn gelaat veegde, was John Raffles, alias Lord Edward Lister, de Groote Onbekende, door de politie spottenderwijze zoo geheeten, maar bij anderen bekend als de Gentleman-Inbreker, en die dit huis bewoonde onder het mom van Lord William Aberdeen, een schatrijk en eenigszins zonderling filantroop, welbekend bij de meeste Londensche instellingen van liefdadigheid.
Nog terwijl Raffles bezig was, zijn boord aan te doen en zijn das te strikken nadat hij zijn lompen verwisseld had tegen een rokcostuum, een waar kunstgewrocht van een der duurste en bekwaamste Londensche tailleurs, werd er op de deur geklopt en een heldere stem riep:
„Mag men binnen komen?”
„Ben jij het, Charly. Een oogenblikje.”
Raffles trad op de deur toe en draaide den sleutel in het slot om.
Nu trad een jonge man het vertrek binnen, nog in den bloei der jeugd, met een rond lachend gelaat, waarin twee blauwe oogen glansden, wangen als van een meisje, maar met een krachtig geteekende kin, die veel weg nam van den indruk van de vrouwelijke zachtheid, welke het gelaat op het eerste gezicht maakte.
Het was Charly Brand, de trouwe vriend van John [8]Raffles en diens metgezel bij de meeste zijner gevaarlijke avonturen, beleefd in alle werelddeelen, en in verbijsterende opeenvolging, die de zenuwen van een normaal mensch binnen korten tijd zouden hebben geknakt.
Maar de zenuwen van John Raffles en van zijn getrouwe waren van staal, en vooral de Gentleman-Inbreker scheen het begrip „vermoeidheid” slechts van hooren zeggen te kennen.
„Wel, ben je nog al wat kwijt geraakt?” vroeg Charly Brand lachend, terwijl hij Raffles de hand toestak.
„Ditmaal heb ik den inhoud van mijn linnen zak niet geheel kunnen wegschenken, want er heeft zich iets voorgedaan, dat mij lang ophield en verandering in mijn route bracht.”
En nu deelde Raffles in weinige woorden mede, wat hem zooeven in de Penningtonstreet vóór de fabriek van de heeren Bates en Holborn wedervaren was.
Charly had aandachtig toegeluisterd en toen Raffles zijn verhaal geëindigd had, mompelde hij half in gedachten voor zich heen:
„Bates, en mededirecteur van de machinefabriek. Maar die is geloof ik lid van de Windsorclub, die de eer heeft, jou als vice-president te kennen.”
„Zou het dezelfde zijn?” kwam Raffles.
„Dat zou me althans niet verwonderen. Bates is sedert een paar maanden lid, maar ik kan niet zeggen, dat ik veel met hem op heb. Hij is een bruut, een hartelooze schelm, die alles zou opofferen aan zijn persoonlijke genietingen. Maar wat kan hij wel gehad hebben met dien ouden werkbaas, Macloed heet hij, nietwaar?”
„Ja, dat is de naam van dien man. Natuurlijk is het iets, waarmede de eer van Macloed gemoeid is, anders zou hij er zeker niet zoo zorgvuldig het stilzwijgen over bewaren.”
„En zeg me nu eens, Edward, of je voor het overige iets bijzonders is overkomen.”
„Niet in het minst. Men nam overal mijn biljetten van vijf honderd pond aan en men heeft het mij niet al te lastig gemaakt, maar ik geloof, dat ik nu den nobelen grijsaard van het tooneel laat verdwijnen, want de bladen beginnen een weinig al te veel belang in zijn persoon te stellen, naar mijn zin. Ik heb mij intusschen kostelijk vermaakt, met die talrijke verklaringen welke de heeren reporters van de omzwervingen van den onbekenden schenker gaven. Eén was er zelfs zoo brutaal, boutweg te beweren, dat hij den grijsaard zeer goed kende, maar hem de gelofte had moeten afleggen, zijn identiteit niet te verraden—en daarop volgde een uitgebreid relaas van de levenswijze van den geheimzinnigen weldoener, dien hij nooit van zijn leven gezien en nog veel minder gesproken had. Men kon daarin lezen, hoe ik mijn dag pleegde te verdeelen, hoe laat ik op sta, wat mijn lievelingsspijze is, van welken schrijver ik het meest houd en meer nonsens. Van begin tot het einde ontsproten aan de rijke fantasie van den journalist, die het waarschijnlijk in zijn beroep zeer ver zal brengen.”
Raffles raadpleegde zijn horloge en vervolgde:
„Kom, het wordt tijd voor het diner. Wat zou je er van zeggen als we eens op de club dineeren, al was het maar voor de verandering.”
„Ik heb er volstrekt niets tegen, Edward. De Italiaansche kok is voortreffelijk en men kan daar rustig van de kunstproducten van dien artist genieten. Ik ga mij aankleeden.”
Ongeveer een kwartier later bracht Henderson, de chauffeur van Lord William Aberdeen, maar die op de hoogte was van vele geheimen van zijn meester en aan talrijke verre reizen en avonturen van Raffles had deelgenomen, de twee vrienden in de prachtige blauw gelakte limousine naar het clubgebouw, dat in de Oxfordstreet was gelegen, een groot en weelderig ingericht huis, op welker eerste en tweede verdieping zich de lokaliteiten van de Windsorclub bevonden.
Het was ongetwijfeld niet één van de duurste en meest exclusieve sociëteiten van Londen, maar Raffles had met opzet de Windsorclub uitgekozen als terrein voor zijn werkzaamheden, omdat men er tamelijk liberaal was met de ballotage, en men evengoed verarmde edellieden als lid aannam, die dan echter in ieder geval in staat moesten zijn een vrij hooge contributie te betalen, als rijke industrieelen, geleerden, diplomaten en andere personen.
Wel was het bestuur van de Windsorclub indertijd, eenige jaren geleden, er zeer verheugd over geweest, toen men den schatrijken Lord Aberdeen eerst als lid, vervolgens als vice-president, zijn intrede in de club zag doen.
Het was reeds tamelijk laat, toen de beide vrienden de vestibule binnentraden en hun pelzen en hoeden [9]toevertrouwden aan den toesnellenden bediende, die ze naar de garderobe zou brengen.
In de fraai ingerichte eetzaal, welke met vijf ramen uitzicht gaf op de drukke Oxfordstreet, bevonden zich niet veel gasten meer, want over een kwartier zouden de meeste schouwburgen hun voorstelling beginnen.
Raffles en Charly zochten een vrij tafeltje op, en zij hadden nog nauwelijks hun bestelling gedaan aan den deftigen ober, of Charly stootte Raffles onder de tafel met zijn voet aan, wenkte toen naar een tafeltje, waaraan drie heeren gezeten waren, die zooeven hun maaltijd beëindigd schenen te hebben.
„Dat is Arthur Bates,” zeide Charly op fluisterenden toon, „die met die koolzwarte oogen, dat lage voorhoofd en die kale kruin, ofschoon hij nog geen vijf en veertig jaar is.”
„Zoo, zoo, is dat de schatrijke medeeigenaar van de machinefabriek. Is dat de man, die Macloed zooals de arbeiders beweerden, zonder eenige geldige reden op straat heeft gezet?”
Hij keek een oogenblik schuins naar den kleinen man met zijn fonkelende diamanten op overhemd en manchetten, die blijkbaar heel wat meer had gedronken dan goed voor hem was, en met luide stem en drukke gebaren iets aan zijn beide tafelgenooten scheen te verhalen, waarbij hij zichzelf herhaaldelijk in de rede viel, om zijn champagneglas aan te spreken, of een vet lachje te laten hooren.
De beide tafeltjes stonden slechts weinige meters van elkander en terwijl Raffles en Charly zwijgend, zooals het behoort, hun soep lepelden, konden zij duidelijk verstaan, wat de half beschonken fabrieksdirecteur verhaalde.
„En ik zeg je, Philip,” zoo wendde Bates zich juist tot één der andere heeren met een overslaande stem, „dat ik niets moet hebben van jullie geschilderde demi-mondaines. Neen, ik weet beter waar ik terecht moet. Dezer dagen nog had ik een avontuurtje met de dochter van een van mijn werkbazen, een schatje van een kind, Lucie heet ze. Den achternaam zeg ik jullie niet, een man van eer moet discreet zijn, nietwaar? De discretie voor alles, zeg ik maar. Een schatje van nog geen achttien jaar, maar verdere bijzonderheden vertel ik jullie niet. Neen, je behoeft er niet op aan te dringen. Een blondje was het en ik ben dol op blond, moet je weten. Prachtige blauwe oogen, en een mondje, een mondje uit duizenden. En denk je dat de vader het op prijs stelde, dat ik haar tusschen zooveel anderen had uitverkoren, geen kwestie van. De brutale schobbejak speelde op en durfde mij zelfs dreigen. Wat had hij soms gedacht, dat ik het lievertje zou trouwen? Wat zeg jullie er van, vrienden. Dat was toch al te dwaas, niet waar? „Arthur Bates” heeft de eer kennis te geven van zijn voorgenomen huwelijk met juffrouw Lucie.… nu ja de naam doet er niet toe. Ik ben een man van eer en ik weet mijn fatsoen te houden, maar nu is ze geen mejuffrouw meer en haar vader kan toch moeilijk verlangen dat ik met een.…”
Wit van woede was Charly half van zijn stoel opgerezen, want Bates had zijn zin beëindigd met een woord, dat zijn bloed aan het koken bracht, en dat de fabriekseigenaar had laten volgen door een gemeen lachje.
Maar Raffles, die eveneens geen woord gemist had van deze geheele toespraak, trok hem snel weder op zijn stoel en wierp hem een strengen blik toe.
„Maar Edward,” begon Charly, op heesch fluisterenden toon, „moeten wij het dulden, dat in onze tegenwoordigheid die ellendeling op zulk een wijze spreekt over een arm meisje, dat hij zelf.…?”
„Blijf kalm, Charly, de schoft zal zijn straf niet ontgaan, dat verzeker ik je op mijn woord van eer. Wij weten nu wel ongeveer, wat de ellendige reden is geweest van het ontslag van Macloed, en die schavuit daar, met zijn grijnzende tronie zal boeten, of mijn naam is geen Raffles. Ik verheug mij, dat het toeval ons hierheen heeft doen gaan—neen niet het toeval … de rechtvaardigheid.” [10]