[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Vervlogen geluk.

Het was omstreeks negen uur in den morgen van den volgenden dag, toen een huurauto, weder door Henderson bestuurd, stil hield voor een eenvoudig huis in de Sloane Street, niet ver verwijderd van de fabriek der heeren Bates en Holborn.

Daar woonde Macloed en zijn klein gezin, de vroeger zoo gelukkige werkbaas over wiens hoofd thans het ongeluk scheen te zijn los gebroken.

Uit de auto stapte John Raffles, weder vermomd als weldoende grijsaard, die gedurende eenige weken de nieuwsgierigheid had gaande gemaakt van ontelbaar veel Londenaren.

Hij belde aan, na op zachten toon eenige woorden te hebben gewisseld met Henderson, die dadelijk wegreed, een hoek van de zijstraat omsloeg en dicht daarbij bleef wachten.

De deur werd Raffles geopend door een vrouw, met nog bijna geheel zwart haar en die vroeger zeker heel mooi was geweest, maar op wier bleek gelaat nu slechts diepe droefheid en zorg te lezen stonden.

Zij keek den vroegen bezoeker verbaasd aan en vroeg toen:

„Wat is er van uw verlangen, mijnheer. Moet gij in ons huisje zijn?”

„Ik zou gaarne mijnheer Macloed spreken,” antwoordde Raffles. „Is hij thuis?”

„Ja, mijnheer, mijn man is thuis. Uw naam?”

„Mijn naam doet er volstrekt niets toe, goede vrouw. Zeg uw man slechts dat een oude heer hem wenscht te spreken, met wien hij gisteren een kort onderhoud had, toen hij de fabriek van Bates en Holborn verliet.”

„Dat zijt gij dus, mijnheer,” kwam vrouw Macloed haastig. „Treed dan binnen, mijn man heeft over u gesproken, gij schijnt een vriend van hem te zijn.”

„Ik schijn het niet alleen te zijn, ik hoop te toonen, dat ik het ook werkelijk ben, goede vrouw,” hernam Raffles. „Ik hoopte natuurlijk dat gij mij zoudt zeggen dat uw man reeds weder werk gevonden had.”

De vrouw schudde droevig het hoofd en zeide, terwijl zij de deur achter Raffles sloot:

„Daarop zal voorloopig wel geen kans zijn, mijnheer. Mijn man denkt er ook al over, het land uit te gaan, desnoods naar Frankrijk en als het moet naar Duitschland. Hij is een heel bekwaam werkman en er is hier weinig meer, dat ons bindt.”

Zij had reeds weder een deur van een kleine kamer geopend, waar zij Raffles binnen liet gaan.

Deze nam plaats op een stoel, dien zij hem had toegeschoven en zeide op zachten toon, terwijl hij het hoofd schudde:

„Ik vrees, dat het niet zoo gemakkelijk zal gaan, als uw man zich dat voorstelt, vrouw Macloed. Wat Duitschland aangaat, dat moet hij zich maar aanstonds uit het hoofd zetten, want daar is volstrekt geen sprake van. En in Frankrijk is men al blij dat men het eigen werkvolk ten koste van groote offers aan het werk kan houden. Ook andere onzijdige landen moeten niets van buitenlandsche werkkrachten hebben en zeker niet in het speciale beroep van uw man, want ook daar dreigt reeds werkeloosheid op groote schaal.”

„Als dat waar zou zijn, mijnheer, dan weet ik niet wat er van ons moet worden,” sprak de vrouw [11]terwijl zij haar boezelaar voor de oogen bracht.

Met gebukt hoofd ging ze de kamer uit en in de gang gekomen zeide zij op gesmoorden toon:

„Ik zal mijn man bij u zenden.”

Er verliepen slechts een paar minuten en toen trad Macloed het kleine kamertje binnen.

Raffles was opgestaan. Hij stak den werkbaas de hand toe, die hem nog bleeker toescheen dan den vorigen dag.

„Het zal u wel wat verbazen, mij hier te zien, goede vriend,” begon Raffles. „Laat ik u dadelijk zeggen dat ik slechts gedreven word door mijn oprechten wensch, u van dienst te zijn. Gij zult nu misschien zelf wel hebben ingezien dat het voor u niet zoo gemakkelijk zal zijn opnieuw een betrekking te krijgen.”

„Als het tenminste niet onmogelijk is, mijnheer,” zeide Macloed op bitteren toon. „Ik heb het al gemerkt. Zij hebben me op de zwarte lijst gezet. Nog in den loop van gistermiddag ben ik aan vier groote fabrieken geweest en aan de houding van de portiers zag ik al hoe laat het was, en ik weet zeker dat er bij twee van die fabrieken plaatsen open waren.”

„Dat zal dan ook voor u een reden moeten zijn, mijn waarde Macloed, om mijn hulp niet af te slaan,” hernam Raffles. „Ik weet dat gij die ten volle verdient. Ik weet nog meer. Het is me thans bekend, waarom ge gisteren plotseling ontslagen zijt.”

Macloed sprong op van den stoel, waarop hij had plaats genomen, schoof het meubel met een ruk achteruit en wierp Raffles een verwilderden straffen blik toe, terwijl hij vreeselijk verbleekte.

Toen kwam het heesch over zijn lippen:

„Wat weet gij dan, hoe weet gij het?”

„Dat kan en wil ik u niet zeggen, vriend, want gij zoudt in dolle drift in staat zijn tot dingen, die u later zouden berouwen. Laat het u genoeg zijn, dat ik het weet.”

Maar de werkbaas trad op Raffles toe met gebalde vuisten, terwijl de nagels hem in de handpalmen drongen, en terwijl hij zich tot het uiterste inspande om kalm te blijven.

Zijn stem had een schorren klank, toen hij zeide:

„Zeg mij hoe gij het weet, mijnheer. Gij ziet dat ik volkomen kalm ben. Gij kunt het mij gerust zeggen. Ik kan dien schurk niet meer verachten, dan ik het nu reeds doe. Ik moet het van u weten, gij moogt mij niet langer martelen en als gij blijft zwijgen, dan ga ik naar het kantoor, al zou ik er den portier voor moeten neer slaan, om er te kunnen binnen dringen. En dan zal ik hem uit den strot wringen, wat gij mij weigert te zeggen.”

Raffles keek den werkbaas een oogenblik onderzoekend aan, en begreep toen, dat het verstandiger zou zijn, den ongelukkigen vader thans de waarheid te zeggen, daar hij die later ongetwijfeld wel op een andere wijze zou vernemen, en dan misschien op een manier die hem tot razernij zou prikkelen, en hem in zijn dolle woede tot daden van geweld zou drijven.

Zonder den armen vader aan te zien, zeide Raffles op gedempten toon:

„Ik weet het, Macloed, omdat ik hoorde, hoe Bates tegenover twee van zijn vrienden over zijn lage daad opsneed, maar laat ik er dadelijk aan toevoegen, dat hij uw naam niet heeft uitgesproken. Ik echter begreep aanstonds, dat ik nu de reden vernomen heb, waarom die schurk u zonder meer weg zond, met een week loon.”

Macloed had zich weder op zijn stoel laten neervallen en zijn gebalde vuisten rustten op zijn knieën, terwijl zijn oogen half schuil gingen achter de ruige wenkbrauwen.

Zoo zat hij een oogenblik onbewegelijk terneer, maar plotseling begroef hij het gelaat in de handen en barstte in een hartverscheurend snikken uit.

Dadelijk was Raffles overeind, om hem de hand op den schouder te leggen en op hetzelfde oogenblik vloog een deur open en stormde een jong meisje het vertrek binnen, bijna een kind nog, dat zonder op den bezoeker acht te slaan, naast haar vader neer knielde en het doodsbleeke, van smart verwrongen gezichtje aan zijn borst verborg, terwijl zij de beide armen om zijn hals sloeg.

Aanstonds wendde Raffles zich bescheiden af en wendde zich naar het raam, als om te zien, wat er op straat geschiedde.

Maar reeds had Macloed zich hersteld en zijn dochter met zachten dwang het vertrek weder doen verlaten.

Hij sloot de deur achter haar, kwam op Raffles toe en zeide met door tranen nog half verstikte stem:

„Gij weet dus nu wat er gebeurd is, mijnheer, [12]maar ik zweer u bij God, dat mijn kleine Lucie geen schuld treft. Met geweld—verstaat gij, met geweld heeft hij haar gedwongen. Hij had haar met een voorwendsel tijdens het schaftuur op zijn kantoor laten komen, en toen.… toen.…”

Macloed kon niet verder gaan.

Hij sloeg met zijn gesloten rechtervuist op zijn borst en kreunde als een gewond dier.

Toen steunde hij zachtjes:

„Mijn alles, mijn kleine lieveling, zij was zoo teer en zacht, mijnheer. Het zonnetje van ons huis. Zij lachte en zong den geheelen dag, ofschoon er op haar afdeeling in de fabriek eigenlijk niet gezongen mocht worden, maar niemand kon het kind iets kwalijk nemen. En zij was verloofd, hoort gij, verloofd met een braven jongen, een teekenaar van de fabriek, met een hart van goud. Mijn God, waarom hebt ge dat geduld. Waarom moest dit over ons komen. Het zal een vreeselijke slag zijn voor hem en nu zal hij haar van zich werpen, haar leven is verbroken.”

„Gij kent mij niet, Macloed, als gij dit zegt,” liet een zachte, maar heldere mannenstem zich hooren.

Met een ruk en een kreet van verbazing wendde de werkbaas het hoofd naar de deur, die een oogenblik van te voren reeds geopend was, zonder dat de beide mannen het bemerkt hadden.

Op den drempel stond een jonge man van omstreeks drie en twintig jaar met een nog baardeloos open gelaat, dat op dit oogenblik echter wasbleek was, glanzende bruine oogen en een klassiek gevormd voorhoofd, dat slechts voor een klein gedeelte bedekt werd door het weelderig krullende haar.

„Jij, Jerry,” riep Macloed uit. „Ben jij het jongen, en heb je gehoord, wat ik zeide?”

„Ja, ik hoorde het en ik herhaal, dat je ongelijk had, Macloed,” hernam de jonge man. „Lucie heeft mij gisteravond geschreven, mij afgeschreven. Ik kreeg den brief vanmorgen met de eerste post en ik kom hier om te zeggen, dat ik me niet laat afschrijven, dat ik Lucie innig lief heb, dat ik even zeker ben van haar schuldeloosheid als van mijn eigen bestaan, dat ik haar niet kan missen, evenmin als lucht en licht, en dat ik haar ondanks alles tot mijn vrouw zal maken.”

Macloed uitte een gedempten kreet van ongeloof en vreugde en staarde den jongen man met groote oogen aan, alsof hij zijn ooren niet kon gelooven.

Toen stotterde hij:

„Dat is.… dat is.… dat is.…”

„Ik weet het wel, Macloed,” hernam de jonge man met een zwak glimlachje. „Men zal het misschien wel ongewoon noemen en ik wil me niet beter maken, dan ik ben. Ik heb met mijzelf moeten worstelen. Ik heb moeite gehad mij los te maken van de afschuwelijke obsessie, dat mijn lief meisje was aangeraakt, besmeurd door een ellendigen, gewetenloozen schoft, maar het slot was toch altijd dat ik haar onmogelijk ontberen kan en dat ik zal trachten goed te maken, wat een eervergeten schurk aan haar misdreven heeft.”

Jerry had dit nauwelijks gezegd, of met een kreet van innige liefde en dankbaarheid stormde Lucie Macloed het vertrek binnen, waarvan de deur open was blijven staan, en wierp zich aan de borst van haar verloofde, die haar teeder in de armen sloot, terwijl zij uitriep:

„Ik dank je, Jerry, ik dank je. Je hebt gedaan, wat ik niet durfde hopen, maar ik neem je offer niet aan. Neen, spreek niet. Het is een offer. Je voelt het zelf nu zoo niet, maar wie weet of je me later niet verwijten zal en dat zou ik nooit kunnen verdragen. Liever zou ik den dood zoeken. Je hebt me gelukkig gemaakt door de weinige woorden, die je zooeven tot mijn vader zei. En daarvoor ben ik je innig dankbaar, Jerry, maar ik wil en ik mag je offer niet aannemen.”

„Wie praat er van een offer, meisje,” kwam Jerry op verwijtenden toon, terwijl hij haar over het goudblonde haar streek. „Noem dat woord niet meer, ik heb je altijd lief gehad. Ik geloof wel haast van het oogenblik dat je voor het eerst op deze zwakke beentjes door dezelfde kamer liep en ik bij je vader teekenles nam. En ik heb je nooit anders kunnen denken, dan als mijn vrouwtje aan mijn zijde. Als wij sterk zijn en als wij deugdelijk willen, dan kunnen wij dat ééne vreeselijke vergeten, ons voorstellen dat het niet bestaan heeft, het weg denken en ik zou mijzelf voorkomen als een hartelooze kerel, als ik je aan je lot had overgelaten. Zou ik je moeten laten boeten voor iets, dat je schuld niet is? Je bent in mijn oogen dezelfde gebleven. Je ziel bleef onbesmet, die heeft met het lichaam niets te maken. Lucie ik [13]heb je lief en nu, nu vraag ik je nogmaals, wordt mijn vrouw. Ik kan zonder jou niet leven.”

Besluiteloos keek Lucie van den één naar den ander. Eindelijk bleef haar blik rusten op Raffles, die zich reeds bij het begin van het gesprek bescheiden had willen verwijderen, maar door Macloed met een gebaar was tegengehouden.

Nu deed Raffles een stap naar voren en wat hem maar zeer zelden gebeurde, zijn stem beefde, toen hij tot het jonge meisje zeide:

„Ik ben u volstrekt vreemd, Miss, en gij behoeft volstrekt geen rekening te houden met wat ik zeg, maar mij dunkt, dat gij mijnheer Jerry geen verdriet moogt aandoen, door een voorstel van de hand te slaan, dat hem als een edel en goed mensch doet kennen. Wat Bates aangaat, ik geef u de verzekering, dat die schurk zijn straf niet zal ontloopen.”

Lucie keek Raffles met door tranen benevelde oogen aan, en keek toen haar vader vragend en eenigszins verbaasd aan.

„Dat is die heer die ons vijf honderd pond heeft gegeven voor onze weerstandskas, kind,” zeide Macloed op zachten toon.

„Hij heeft zich een vriend voor ons betoond en hij weet alles reeds wat die ellendeling van een Bates heeft gedaan.”

Raffles wilde hem met een vlug gebaar het stilzwijgen opleggen, maar Jerry had al begrepen wat de oude Macloed wilde zeggen.

Hij werd zoo mogelijk nog bleeker en voor het eerst verscheen er een woeste uitdrukking op het gelaat toen hij uitriep:

„Heeft de schoft er in het openbaar over durven spreken, zoodat anderen het konden hooren? O, die laffe schurk, maar laat hij zich voor mij in acht nemen, wij zijn nog niet van elkaar af.”

„Ik bid je Jerry, wees kalm,” riep Lucie uit, terwijl zij haar arm met een wanhopig gebaar om den hals van den jongen man sloeg. „Laten wij trachten het te vergeten en laat den vreeselijken man aan zijn lot over.”

„Dat kan ik niet,” riep Jerry op woesten toon. „God is mijn getuige, dat in mijn gevoelens tegenover jou niets veranderd is, maar mijn bloed kookt. Ik ben mijzelf niet meester, als ik aan de laaghartige daad van dien kerel denk. Misschien heeft hij het wel doen voorkomen, alsof je uit eigen wil zijn zin hebt gedaan. Daartoe acht ik hem in staat. Ik herhaal, laat hij zich voor mij in acht nemen.”

Nu trad Raffles, die zich bescheiden in een hoek van het vertrek had teruggetrokken, op Jerry toe en zeide op ernstigen toon:

„Wij kunnen ons allen zeer goed voorstellen, wat er in u omgaat, waarde vriend Jerry. Uw gevoelens zijn volkomen gerechtvaardigd, maar toch, nu gij het plan hebt opgevat Miss Lucie tot uw vrouw te maken, nu moet gij zelf niet meer als wreker willen optreden, laat dat aan anderen over. Bates zal op harde wijze gestraft worden, daar sta ik u borg voor. Ga nu weder aan uw werk. Gij moogt uw toekomst niet op het spel zetten, door weg te blijven.”

Maar Jerry keek Raffles met groote oogen aan en barstte toen uit:

„Wat denkt gij, mijnheer, dat ik zou kunnen blijven werken voor den man, die het liefste, wat ik op aarde bezit, ontheiligd heeft? Denkt gij, dat ik het zou kunnen velen, dien man met zijn hatelijken lach om zijn dikke lippen voor mij te zien? Denkt gij dat ik mij zou kunnen inhouden om hem neer te slaan? Neen, daartoe zou ik niet bij machte zijn. Ik blijf nog eenige dagen om geen gelegenheid te geven, mij een getuigschrift te weigeren en dan ga ik heen. Ik geloof, dat ik niet onbekwaam ben in mijn vak en ik zal wel elders een betrekking kunnen vinden.”

„Blijf dan bij dat plan, maar ga dan nu ook heen,” drong Raffles aan. „Bedwing u zooveel mogelijk. Bedenk dat gij Miss Lucie nog ongelukkiger zoudt maken dan ze nu reeds is, door u door uw drift te laten medesleepen en daardoor uw geheele toekomst in gevaar te brengen. Geef mij in ieder geval uw adres, ik wilde u gaarne eens spreken.”

Jerry haalde een visitekaartje te voorschijn en stak het Raffles toe met de woorden:

„Hier is mijn adres, mijnheer, een kwartier loopen hier vandaan.”

Vervolgens nam hij het hoofd van Lucie tusschen zijn handen, drukte een kus op haar voorhoofd, stak den ouden Macloed de hand toe, en stormde toen weg, alsof ieder oogenblik verzuim hem noodlottig zou kunnen worden.

Raffles wierp een blik op het kaartje en las:

„Gerard Humber, geeft onderwijs in machineteekenen. Lowstreet 37.” [14]

Daarop trad hij weder op Macloed en zijn dochter toe, die zich aan de borst van haar vader had geworpen en zeide:

„Gij moet het mij niet ten kwade duiden, dat ik getuige ben geweest van dit tooneeltje. Gij kunt er verzekerd van zijn, dat er over mijn lippen nimmer een woord zal komen, met betrekking tot deze zaak. En als Miss Lucie daaraan iets gelegen is, dan wil ik haar wel de verzekering geven, dat zij in mijn oogen evenveel hoogachting en liefde verdient als vroeger.”

Raffles wilde nog iets zeggen, toen de deur opnieuw geopend werd en de moeder van Lucie binnentrad.

Er lag een verschrikte uitdrukking op het gelaat, toen zij zich, zonder zich om den bezoeker te bekommeren, tot haar man zeide:

„Daar is mijnheer Bates.” [15]