[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Bates en Jerry.

Met een ruk duwde Macloed zijn dochter van zich af en zijn gelaat vertrok krampachtig.

Zijn oogen schoten vuur en zijn handen balden zich tot vuisten, toen hij uitriep:

„Wat, wil die schurk zich hier vertoonen? Is hij dan in het geheel niet bevreesd, dat ik hem met mijn eigen handen de keel zal dichtknijpen? Komt hij ons soms nog bespotten na ons ongelukkig te hebben gemaakt?”

„Stel je gerust, Macloed, en blijf bedaard, dat ben ik in het geheel niet van plan,” liet een stem zich hooren.

Arthur Bates stond op den drempel.

Zijn gelaat was bleek en zijn oogen dwaalden onrustig het vertrek rond, tot zij tenslotte gevestigd bleven op het gelaat van den hem onbekenden bezoeker.

Macloed was een stap op hem toegetreden, maar Raffles legde hem aanstonds de hand op den arm, en diens invloed scheen den werkbaas tot bedaren te brengen, want hij dwong zich uit alle macht tot kalmte en vroeg:

„Wat komt gij hier doen? Maak het kort als ik u verzoeken mag.”

Bates scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen:

„Wat ik hier heb te zeggen, Macloed, dat is alleen voor jouw ooren bestemd. Het betreft Miss Lucie.”

„Wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer, dat zult gij mij zeggen in tegenwoordigheid van deze getuigen, anders niet,” hernam Macloed, terwijl hij zich hoog oprichtte. „Deze heer weet alles, meer behoef ik u niet te zeggen. En hij weet het, zooals misschien nog tientallen anderen het zullen weten. Omdat gij de laaghartigheid hebt gehad, in het openbaar te pochen over iets, hetwelk ieder man van eer vol schaamte in zichzelf zou verbergen. Gij kijkt mij verwonderd aan en gij vraagt u misschien af hoe een eenvoudige werkbaas het wagen durft, u op deze wijze aan te spreken, maar ik wil u zeggen, dat ik op dit oogenblik niet uw ondergeschikte ben, maar de vader van het meisje, dat gij met geweld tot de uwe hebt gemaakt. Er is nu geen patroon en geen werkman, er is nu slechts een misdadiger en de vader van het slachtoffer.”

„Laat dien toon varen, Macloed,” hernam Bates met een kort gebaar van ongeduld, en terwijl zijn wenkbrauwen zich fronsten. „Ik kom hier met de beste bedoeling van de wereld en gij hebt niet het recht mij zoo toe te spreken, alvorens gij mij hebt aangehoord.”

„Zeg dan wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer. En dat in tegenwoordigheid van dezen grijsaard, die een vriend van ons is gebleken te zijn en maak het kort. Ik weet niet of ik geduld genoeg zal hebben naar u te luisteren en ik kan mij ook volstrekt niet voorstellen, wat gij mij te zeggen zult hebben.”

„Luister dan,” zeide Bates, terwijl hij ongevraagd op een stoel plaatsnam en zijn hoogen hoed naast zich nederzette, terwijl hij zijn handschoenen begon uit te trekken. „Ik kom u zeggen, dat ik het gebeurde oprecht betreur en dat ik alles wil doen wat in mijn vermogen is, om het zooveel mogelijk weder goed te maken.”

De oude werkbaas deed een stap naar zijn patroon toe, keek hem recht in het gelaat en riep toen:

„Goed maken, hoe denkt gij wel zoo iets te kunnen goed maken? Laat ons eens een oogenblik het ondenkbare aannemen, dat gij haar zoudt aanbieden uw vrouw te worden. Denkt gij soms, dat zij niet duizendmaal liever alle schande en oneer zou willen dragen, die misschien het gevolg zullen zijn van uw wandaad, dan uw vrouw te worden? Wel, zelfs zonder dat ik het haar gevraagd heb, weet ik dat zij het zou weigeren.”

„Dat was mijn bedoeling ook niet,” antwoordde de fabriekseigenaar en een oogenblik vloog er een hatelijk lachje over zijn zinnelijk gelaat. „Er zijn [16]nog wel andere manieren, om.… zulk een vergrijp te herstellen en het gepleegde onrecht weder goed te maken.”

„Zoo, waarlijk? Ik ben nieuwsgierig om die te vernemen,” hernam Macloed op schamperen toon. „Voor mij bestaat er maar één manier, om een jong meisje van zulk een schandvlek weder schoon te wasschen, maar laat eens hooren?”

Bates scheen een oogenblik verlegen te zijn, hoe hij de zaak moest aanpakken en bekeek zijn glad gepolijste nagels.

Toen hief hij, alsof hij zooeven een ingeving had gekregen met een ruk het hoofd op en zeide op eenigszins onzekeren toon:

„Zie eens, waarde Macloed. Ik weet wel, dat mijn optreden ongewoon is, want in de meeste gevallen zou de man, die in mijn toestand verkeerde, zich niet vertoonen in de woning van de ouders van het meisje, dat zich een oogenblik vergeten heeft.”

Met een paar vlugge stappen stond Macloed nu vlak vóór zijn werkgever en keek hem met woeste blikken aan, terwijl de haren van zijn baard als borstels van een everzwijn overeind gingen staan en zijn geheele lichaam trilde van nauwelijks bedwongen drift. Toen barstte hij uit:

„Wat wilt gij daarmede zeggen, mijnheer Bates? Gij zult het toch niet wagen vol te houden, dat mijn dochter, mijn lieve Lucie ook maar één seconde naar uw vleierijen heeft willen luisteren. Gij zult toch niet durven beweren, dat gij haar niet met geweld hebt moeten dwingen. Gij zult mij toch niet wijs willen maken, dat Lucie u hooger stelde dan de straatsteenen, waarover zij liep. Zich vergeten, zijt gij gek geworden.… herroep dat woord aanstonds, of ik sta niet voor mijzelf in.”

Maar nu trad Raffles, die tot op dit oogenblik zwijgend ter zijde had gestaan op hem toe en zeide op overredenden toon:

„Laat u niet door uw woede medesleepen, goede Macloed. Iedereen die Lucie kent, zal wel aanstonds begrijpen dat deze „heer” liegt. Laat hem rustig uitspreken. Gij weet nog steeds niet wat hij u wil aanbieden.”

Bates wierp Raffles een giftigen blik toe en zeide toen op zachten toon:

„Ik heb niet het genoegen dezen heer te kennen, maar in zekeren zin heeft hij het bij het rechte eind. Gij moet mij behoorlijk laten uitspreken en niet telkens in de rede vallen. Ik kom nu aan het eigenlijke doel van mijn bezoek. Wij willen dan in het midden laten, of je dochter al dan niet vrijwillig aan mijn verlangens heeft toegegeven. De hoofdzaak is, dat er zich misschien omstandigheden zullen voordoen, die het wenschelijk maken, dat.… kortom, er zal waarschijnlijk geld, heel wat geld noodig zijn en ik ben geneigd je daar bij te steunen. Ik zal je bewijzen dat ik niet tot de gierigen behoor en om je van mijn goede bedoelingen te overtuigen, bied ik je nu vijf honderd pond sterling aan, als je de zaak laat rusten en ik er naderhand nooit meer iets van hoor.”

Met een schreeuw als van een gewond dier was Macloed, die zich door Raffles naar een stoel had laten leiden, weer opgesprongen. Al het bloed scheen hem naar het hart te zijn terug gevloeid en zijn stem klonk rauw, toen hij uitbarstte:

„Geld, geld dus! Ik vermoedde het reeds. Hij biedt mij geld in ruil voor de eer van mijn dochter. Ik zal u toonen.…”

Maar hij kon niet verder gaan, want op dat oogenblik werd de deur open geworpen en Jerry Humber snelde het vertrek binnen, bleeker dan een doode en met een uitdrukking van krankzinnige woede.

Met opgeheven vuisten stormde hij op den fabriekseigenaar toe, greep hem bij de borst en schudde hem door elkaar zooals een kat het een muis doet, terwijl hij op heeschen toon uitriep:

„Ellendeling! Ik heb je zien aankomen. Ik heb je gevolgd en ik heb ongezien willen weten, wat je zou durven voorstellen aan den vader van het meisje, dat ik lief heb, meer dan mijn leven. Je biedt dus geld, nietwaar? Je bent schatrijk, je bezit millioenen. Wat beteekent voor jou vijf honderd pond?

Het is een handjevol goudgeld en je arbeiders brengen het spoedig genoeg weer in je brandkast, maar voor je slachtoffer is het een heel kapitaal. Is het niet zoo?

Het is meer dan zij in drie jaren verdient. Het is een prachtig en schitterend aanbod. En je zult niet kunnen gelooven, dat iemand zoo stom zal zijn, het af te slaan, niet waar? Vijf honderd pond sterling voor de eer van een onschuldig meisje. Het is goed betaald. Maar hier staat iemand voor je, schoft, die vijf duizend, die vijf honderd duizend pond wel eens niet voldoende kan achten, die met je geheele [17]vermogen geen genoegen zou nemen, en liever zou zien, dat de vrouw, die hij lief heeft, van honger en gebrek voor zijn oogen zou omkomen, dan dat zij een penning zou aannemen uit de handen van een gewetenloozen lafaard, die met geld de gevolgen van zijn misdaad denkt te kunnen afkoopen. Neen, tracht je niet los te rukken, mijn linkerhand is voldoende om je vast te houden en weet je wat ik met de rechter doe? Daarmee sla ik je in je opgeblazen gemeene gelaat.” En op hetzelfde oogenblik daalde de vuist van den jongen man met kracht neer op het vale gelaat van den fabriekseigenaar. Dadelijk stroomde het bloed en de neus zwol dik op.

„Bah, ik heb me bezoedeld,” riep Jerry uit met een klank van namelooze minachting in zijn stem, terwijl hij Bates van zich af wierp met zulk een kracht, dat hij in den hoek van het vertrek rolde.

De fabrikant kwam langzaam weer overeind, met een uitdrukking van haat op zijn gelaat die menigeen schrik zou hebben aangejaagd, maar die aan Jerry Humber slechts een minachtend lachje ontlokte.

Bates had zijn zakdoek uit zijn zak gehaald en veegde het bloed van zijn gelaat, terwijl hij op schorren toon zeide:

„Ik heb hier niets meer te zoeken. Mijn goed bedoeld voorstel is afgeslagen, de gevolgen komen voor jullie rekening. Wat Macloed betreft, hij is een oud man en als hij wil dan kan hij op de fabriek terug komen, maar jij Humber, jij bent van morgen af ontslagen. Jij kunt vanmiddag naar de kas gaan voor een week loon.”

Hij had met bevende hand zijn hoogen hoed van den vloer genomen en strompelde naar de deur terwijl hij met de linkerhand zijn zakdoek tegen zijn gehavenden neus drukte.

Halverwege keerde hij zich nog eens om en zeide op gesmoorden toon, met een blik van giftigen haat in zijn zwarte oogen:

„En wat die meid, je dochter betreft, daar zou ik maar niet zooveel opschudding over maken. Zij is niets anders dan een.…”

Maar voor de schurk het woord had kunnen uitspreken was Raffles bij hem en met een kracht, die Macloed en den jongen teekenaar onbegrijpelijk voorkwam, greep hij Bates in de borst, tilde hem als een kind van den vloer, droeg hem in die houding met twee stappen het vertrek uit, greep hem op de gang gekomen met de linkerhand in zijn kraag vast, sleepte hem zoo als een hond, die in het water heeft gelegen achter zich aan, opende de straatdeur en wierp den fabrikant op straat.

Bates rolde over het trottoir, zijn chauffeur kwam verschrikt van de auto af, die hem hier had gebracht, hielp zijn meester overeind en opende snel het portier nadat Bates hem een paar woorden had toevertrouwd.

Daarna hielp de man zijn meester instappen, deed vlug het portier weder dicht, keek nog eens naar het huis om, en reed tenslotte haastig met de prachtige auto weg.

Maar Raffles trad het vertrek weder binnen, zijn handpalmen over elkaar strijkend, als iemand die iets heel vies heeft aangeraakt en zeide:

„Dat was een onsmakelijk karweitje, goede vrienden, en dat toch moest worden opgeknapt. Men kan gelukkig zijn handen wasschen, en dan raakt men de herinnering aan die walgelijke aanraking wel weer kwijt.”

Jerry had zich doodbleek op een stoel laten neervallen, en staarde met een uitdrukking van wanhoop voor zich uit.

Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide op bemoedigenden toon:

„Gij moet het hoofd ophouden, mijn waarde Humber. Wat doet het er alles welbeschouwd toe, hoe het oordeel is van dien kerel, dien wij zooeven wat hardhandig hebben verwijderd?

En wat uw verloren betrekking betreft. Ik ben er evenals gij van overtuigd, dat iemand van uw kennis, uw jeugd en uw ondernemingsgeest binnen enkele dagen wel weder een nieuwe betrekking zal hebben, en niets zal mij aangenamer zijn dan u daarbij behulpzaam te mogen wezen. Ik heb veel connecties. Ik ken vele fabrikanten, ook op het gebied van den machinebouw en ik zal gaarne uw voorspraak zijn.”

„Ik dank u, mijnheer,” zeide de jonge man toonloos, die maar half scheen te hebben gehoord, wat Raffles zeide.

„Als ik u een goeden raad mag geven, waarde Jerry, dan moet gij maar liever in het geheel niet naar de fabriek terugkeeren. Laat een ander uw loon maar halen. Het is veel beter, als gij Bates niet meer terugziet. Wie kan zeggen of gij u niet door uw drift laat verleiden en er erger dingen gebeuren dan een bloedneus.” [18]

„Ik moet er zijn, om mijn eigen teekenbehoeften terug te halen, mijnheer,” hernam Humber op doffen toon. „Wat het loon betreft, dat wil Macloed misschien wel voor mij innen.”

„Dat zal ik doen, Jerry. Dat beloof ik je,” zeide de werkbaas, die zich nauwelijks kon beheerschen, zoozeer had de woede en drift hem aangegrepen. „Maar wat het terugkomen op zijn vervloekte fabriek betreft, Bates kan lang wachten, eer ik daar weder een voet zet.”

„Dan verlaat ik u nu, maar ik zeg u niet voorgoed vaarwel, want ik wil weten, hoe het met u gaat,” zeide Raffles, terwijl hij de beide mannen de hand drukte, „en wat uw huwelijk met Lucie betreft, waarde Humber. Ik hoop, dat het zoo spoedig mogelijk moge plaats vinden en dat ge beiden zoo gelukkig moogt worden, als gij verdient.

Wat Bates aangaat, bekommer u niet over hem, hij zal gestraft worden op een wijze, die hem zal heugen.”

En vóór Macloed en Jerry Humber nog iets hadden kunnen zeggen, was de grijsaard verdwenen, die op zulk een zonderlinge wijze in hun leven was getreden.

Raffles zocht haastig de huurauto op, die door Henderson werd bestuurd en zeide op zachten toon tot den trouwen reus:

„Rijd me eens spoedig naar ons huis in de Victoriastreet, Henderson. Daar moet je wachten, maar aan den tweeden ingang.”

Een kwartier later stond de auto stil voor één van de vier of vijf huizen, welke Raffles op verschillende punten van Londen bezat of gehuurd had en die voor het meerendeel waren ingericht en gebouwd op een wijze, die hem zeer dienstig was bij het ten uitvoer brengen van zijn avontuurlijke plannen.

Het huis in de Victoriastreet stond bij voorbeeld door middel van een tunnel, waardoor met groote snelheid een electrisch wagentje reed, in verbinding met een onderaardsche werkplaats, welke zich bevond onder het tuinhuis, dat achter in den tuin stond, welke zich uitstrekte achter het huis van Lord Aberdeen in de Regentstreet en met deze zelfde tunnel was nog slechts korten tijd geleden een ernstig ongeluk gebeurd, waarbij het slechts weinig had gescheeld, of de identiteit van zijne Lordschap ware verraden.

Bovendien bezat het huis twee ingangen in twee verschillende straten, benevens eenige geheime bergplaatsen en het was dus voortreffelijk geschikt om te worden gebruikt, wanneer Raffles het om de een of andere reden noodzakelijk achtte snel van uiterlijk te veranderen, of tijdelijk als Lord Aberdeen van het tooneel te verdwijnen.

Hij ging het huis binnen en een oogenblik later was hij op één der kamers van de eerste verdieping bezig, zijn uiterlijk een algeheele verandering te laten ondergaan.

De grijsaard verdween en maakte plaats voor een man in de kracht van zijn leven, met zwart glanzig haar, een puntbaardje, een fraai opwaarts gerichte knevel en een eenigszins gebruinde gelaatskleur.

Raffles stak zich in een voortreffelijk gesneden wandelkostuum, zette een hoogen hoed op, voorzag zich van een lederen portefeuille, ging voor den spiegel staan en bromde tevreden in zichzelf: „Ik geloof wel, dat ik er nu eenigszins uit zie als een Fransch industrieel. Nu nog een klein accent en de heeren Bates en Holborn zullen mij wel aanzien voor een Franschen klant, die hun voor eenige tien duizenden ponden komt afkoopen.”

Hij sloot alle geheime vakken weder zorgvuldig dicht en verliet nu het huis langs een omweg.

In de zijstraat stond de auto te wachten. Raffles trad haastig op Henderson toe en beval:

„Rijd me nu eens vlug naar de fabriek van de heeren Bates en Holborn in de Penningtonstreet, Henderson.”

Henderson knikte, het portier sloeg dicht en de auto reed weg om ongeveer drie kwartier later stil te staan voor het kantoorgebouw van de groote machinefabriek.

Raffles had zich van allerhande papieren voorzien, onder meer van visitekaartjes en een daarvan overhandigde hij aan den portier, die hem was tegemoet getreden, terwijl hij met een sterk Fransch accent, maar in vloeiend Engelsch verzocht de beide firmanten te mogen spreken.

Terwijl de portier met het kaartje verdween, liet Raffles zijn blikken om zich heen dwalen.

Hij bevond zich in een zeer groote hal, die haar licht ontving door een zeer groote glazen overkapping, en die door eenige manshooge schotten verdeeld was in een aantal kantoorlokalen, waar men achter de ruiten talrijke typistes, klerken, boekhouders [19]en andere leden van het kantoorpersoneel aan het werk kon zien.

Rechts was de loge van den portier en voor zich zag Raffles een groote dubbele glasdeur, en daarachter het begin van een breede trap, die naar de overige verdiepingen voerde.

Met het oog van een kenner bekeek hij de verschillende sluitingen, prentte zich de plaats der deuren in het geheugen, overtuigde zich van den loop der electrische geleidingsdraden en had zich juist een goed denkbeeld gevormd van de inrichting, toen de portier weder terugkeerde met het verzoek, hem te willen volgen.

Achter den man aanloopend, besteeg Raffles de trap, welke hij reeds door de glazen deur op den achtergrond door de vestibule had gezien, totdat de portier stilstond voor een zware eikenhouten deur.

Hij klopte aan, opende de deur, liet den bezoeker binnen gaan en sloot de deur weder zachtjes achter hem.

Raffles stond tegenover Bates, maar deze zou eerder aan zijn eigen identiteit hebben getwijfeld, dan ook maar een oogenblik aan te nemen, dat de man, die daar zooeven was binnengetreden en wiens uiterlijk op het eerste gezicht een Franschman verried, de grijsaard was, die hem slechts korten tijd geleden op zulk een hardhandige wijze uit de woning van den werkbaas Macloed had geworpen.

Bates zag er, om de waarheid te zeggen, verre van aantrekkelijk uit met zijn dikken neus en zijn blauw opgezwollen oogen.

Hij wees zijn bezoeker een stoel, na te zijn opgestaan om hem te begroeten en zeide met een vaag lachje, als om zijn uiterlijk te verontschuldigen:

„Ik ben in de fabriek uitgegleden over een vette poetsdoek, en met het hoofd tegen de machine aangevallen. Let er maar niet op, als ik u verzoeken mag.”

„Verontschuldig u niet, mijnheer,” riep Raffles haastig uit, „zooiets komt overal wel eens voor.”

„Neem dan plaats en deel mij het doel van uw bezoek mede, mijnheer Chambert.”

En nu begon Raffles een verhaal op te disschen, dat hij van te voren zorgvuldig bedacht had. Hij deelde Bates mede, dat hij pas een nieuwe fabriek had geopend en daarvoor nog eenige machines noodig had, welke in Frankrijk niet te vinden waren, maar die, naar men hem had gezegd, door de heeren Bates en Holborn vervaardigd werden.

Maar terwijl hij sprak gaf hij zijn oogen goed de kost en niets ontging aan zijn scherpen blik, noch de plaatsing van de groote brandkast, noch de inrichting, noch de alarmseinen, noch het balkon, dat langs de drie vensters liep, noch de brandtrap, waarvan hij een stuk door een der vensters kon zien en die van het balkon af gemakkelijk te bereiken moest zijn.

Van tijd tot tijd trad er, na bescheiden te hebben geklopt, een klerk met eenige papieren binnen om zijn meester iets te vragen en toen zag Raffles door de deur, welke een oogenblik was open gegaan, in een aangrenzend kantoorlokaal een dertigtal kantoorklerken, die ijverig zaten te schrijven.

Er was nog een andere deur, behalve die van de gang, welke blijkbaar toegang gaf tot het vertrek van den secretaris, of misschien van den boekhouder.

Het gesprek duurde ongeveer een half uur en Raffles maakte er een einde aan, toen hij genoeg gezien en opgemerkt had en hij vertrok weder met de mededeeling, dat hij zeer waarschijnlijk gebruik zou maken van het aanbod van Bates, dat hem billijk toescheen.

Toen deze wilde schellen om een bediende teneinde den bezoeker uit te laten, zeide Raffles haastig dat dit volstrekt onnoodig was, want dat hij den weg wel zou vinden, en daarop verliet hij aanstonds het vertrek.

Maar hij scheen den weg toch wel een weinig te zijn vergeten, want hij dwaalde geruimen tijd door het kantoorgebouw, voor hij eindelijk weder langs de loge van den portier ging, die beleefd aan zijn pet tikte.

Toen Raffles weder op straat stond, bromde hij voor zich heen:

„Nog dezen nacht, mijnheer Bates, zal ik je een bezoek brengen, dat je lang zal heugen, of mijn naam is geen John Raffles.” [20]