Den volgenden dag zaten Raffles en Charly in de eetzaal van het gebouw van de Windsorclub waar zij den lunch gebruikten.
Raffles was in een voortreffelijk humeur en nog zelden had Charly zoo genoten van zijn geestige, sarcastische opmerkingen.
Er waren slechts weinig leden, want het was tamelijk laat geworden, eer de beide vrienden zich naar het clubgebouw konden begeven.
De goed afgerichte kellners liepen er geruischloos heen en weder en ruimden de tafels op, of dekten ze weder voor den tijd dat de eerste clubgenooten zouden verschijnen voor het diner.
Juist toen Raffles midden in een belangwekkend verhaal van een jachtavontuur was, trad de oberkellner buigend op hen toe en zeide op fluisterenden toon:
„Heeft Mylord al van het groote ongeluk gehoord, dat een onzer leden is overkomen?”
„Een der leden van de Windsorclub?” kwam Raffles. „Neen, ik weet nog niets. Wat is er geschied? Wien betreft het?”
„Mijnheer Arthur Bates, Mylord. Het staat in de middag-editie van de Times. Hij is gisteravond vermoord in zijn eigen fabriek.”
Raffles was half van zijn stoel opgerezen, zeer ontsteld over deze mededeeling.
Hij wisselde nu een snellen blik met Charly en zeide toen tot den ober, die zeer ontdaan scheen te zijn:
„Dat is een vreeselijk bericht, dat je me daar verteld, Hudson. Mijnheer Bates was een trouw lid van de club. Heb je misschien de Times, waarin dat bericht voorkomt?”
„Ik heb hem maar meteen meegebracht, Mylord. Ik dacht wel, dat uw Lordschap als vice-president er belang in zou stellen,” zeide de oberkellner, terwijl hij Raffles het blad overhandigde. „Er staat een lang verslag in en ik geloof dat zij al half en half vermoeden, wie het gedaan heeft.”
Raffles had zwijgend het blad open gevouwen en eenigen tijd, nadat de ober zich verwijderd had, bleef hij in gedachten voor zich uitstaren.
Toen zeide hij op fluisterenden toon tot Charly, die zeer ontsteld was, door hetgeen hij zooeven vernomen had:
„Dat is wel een vreeselijke straf. Wie van de beide mannen, die hij zoo zwaar beleedigd heeft, zou die hebben toegepast?”
Charly antwoordde niets en Raffles schoof hem het blad toe met de woorden:
„Lees het mij eens voor, wij kunnen het er wel voor houden, dat een blad als de Times zich bij dergelijke zaken alleen tot de feiten zal bepalen en er zich niet aan te buiten gaat de zaak op te smukken en te verfraaien met eigen fantasie.”
Charly vouwde het Cityblad open en na eenigen tijd zoeken had hij het bericht gevonden. Met zachte stem begon hij te lezen:
„Moord en inbraak in een machinefabriek.
In den afgeloopen nacht is de heer Arthur Bates, lid van de bekende firma Bates en Holborn, het slachtoffer geworden van een inbraak in zijn fabriek.
Toen de dagportier Hayman hedenmorgen om zeven uur op zijn post verscheen, was daar nog niemand aanwezig, maar enkele minuten later zouden de schoonmaaksters verschijnen, teneinde, zooals gewoonlijk, de kantoorlokalen te reinigen.
Deze vrouwen kwam dan ook juist bijtijds en [21]de portier gaf, zooals gewoonlijk, aan één harer den sleutel, waarmede men de deur kon openen, die toegang gaf tot het privékantoor van mijnheer Bates, waarop Hayman zelf aan zijn werk ging, de post in ontvangst nam, sorteerde en andere kleine werkzaamheden verrichtte.
Maar er konden nog geen tien minuten verloopen zijn, vóór de werkvrouwen naar boven waren getrokken, of zij kwamen allen hevig opgewonden en schreeuwend, doodsbleek en aan alle leden trillend, zijn loge binnen snellen.
Op zijn verbaasde vraag wat hen mankeerde, schreeuwde een van de vrouwen ademloos, dat de heer Bates vermoord was en dood in één der vertrekken van zijn kantoor lag met een mes in de borst. Ten uiterste ontzet door deze mededeeling, ijlde Hayman de trappen op, zoo snel als zijn trillende beenen hem wilden dragen, en een oogenblik later had hij zich overtuigd van de vreeselijke waarheid. Arthur Bates lag op zijn rug op het dikke tapijt van een soort kabinet, waar hij wel eens particuliere zaken afdoet en zijn vrienden ontvangt, en in zijn borst stak het heft van het moordwapen. De portier zag evenwel dadelijk, dat de schoonmaaksters zich vergist hadden, toen zij van een mes spraken. Het was één der Japansche dolken, die op het wapenrek prijkten, hetwelk tegen een der muren was opgehangen.
Zonder een oogenblik tijd te verliezen snelde de portier naar de groote werkkamer, waar de heeren Bates en Holborn hun zaken plegen af te doen, en wilde daar de telefoon ter hand nemen, teneinde de politie te waarschuwen, maar daarin kon hij niet slagen, daar de telefoondraad doorgesneden bleek te zijn. En nu pas bemerkte hij, dat de deur van de brandkast open stond. Het meubel vertoonde geen krasje en er moest een zeer fijn instrument gebruikt zijn, om het slot te openen, tenzij er een valsche sleutel was gebruikt, maar de kostbare inhoud was zoo goed als geheel verdwenen. Buiten zichzelf van ontzetting ijlde de portier weder naar zijn loge, greep de telefoon en stelde de politie op de hoogte, die een kwartier later verscheen in den persoon van een inspecteur, vergezeld van twee detectives en agenten van politie.
Onderweg had de inspecteur den gerechtsgeneesheer van zijn woning gehaald en aanstonds bemoeide deze zich met het slachtoffer, maar op het eerste gezicht was te zien, dat hier geen menschelijke hulp meer kon baten. De dood moest reeds vele uren van te voren zijn ingetreden en het lichaam was reeds koud en stijf.
Volgens het oordeel van den geneesheer moest de misdaad gepleegd zijn tusschen 10 uur en 12 uur in den avond.
De politie staat hier voor een raadsel, want het is niet goed in te zien, waarom de inbreker zijn slachtoffer gedood zou hebben in de particuliere ontvangkamer waar hij niets te zoeken had, daar zich hier niets van waarde bevindt en die op tamelijk verren afstand van de werkkamer is gelegen, waar de brandkast staat.
Zij neemt echter aan, dat de inbreker niet op de hoogte is geweest van de inrichting van het gebouw en dat de ongelukkige fabrikant hem in de ontvangkamer overvallen heeft, waarop de inbreker het scherpe wapen van het rek gegrepen heeft en den fabrikant gedood.
In het vertrek heerschte volstrekt geen wanorde en alle meubels stonden op hun plaats.
Natuurlijk waarschuwde men aanstonds telefonisch den compagnon van het slachtoffer, maar de heer Holborn had den vorigen avond Londen verlaten voor een zakenreis en bevond zich op dat oogenblik in Schotland.
Zijn zuster gaf echter aan de politie het adres aldaar op en Holborn seinde, toen men hem een telegram zond, terug, dat hij zoo spoedig mogelijk zijn reis zou onderbreken, maar dat hij onderweg door een ongesteldheid was overvallen, die hem noodzaakte, eenige dagen zijn bed te houden op voorschrift van den dokter.
Trouwens zouden de mededeelingen van den heer Holborn voor de politie van weinig waarde zijn geweest. Hij was den vorigen avond reeds om acht uur vertrokken na het diner, om den avondsneltrein naar Edinburgh te kunnen halen en men had hem alleen maar willen vragen, welk bedrag er uit de brandkast vermist werd.
Men was hiervoor nu aangewezen op den boekhouder en deze raamde het bedrag op niet minder dan zes en dertig duizend pond sterling.
Reeds gaan de verdenkingen van de politie een bepaalde richting uit, maar daar wij tot [22]geen prijs het onderzoek willen bemoeilijken, zullen wij voorloopig verzwijgen, welke deze verdenkingen zijn.
In ieder geval staat het vast, dat deze treurige zaak binnen eenige uren haar oplossing tegemoet kan zien.”
Charly liet het blad zinken en keek Raffles zwijgend en onderzoekend aan.
Deze had met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen toegeluisterd en toen Charly het bericht had voorgelezen zeide hij op ernstigen toon:
„Het is maar al te duidelijk, welke richting de verdenking van de politie volgt.”
„Maar dat noem ik onzinnig, Edward,” riep Charly uit. „Ik wil nog aannemen dat—de man, dien wij beiden op het oog hebben, de daad op een oogenblik van vreeselijke woede zal hebben volbracht, maar dat hij vervolgens nog den moed zou hebben om de brandkast leeg te halen, dat is immers volkomen uitgesloten.”
„Dat is ook zoo, Charly,” zeide Raffles laconiek.
„Ik weet bijna zeker, ja ik zou er een eed op willen doen, dat de inbraak niet gepleegd is door denzelfden man die Bates doodde.”
„Al weer moet ik je gelijk geven, Charly, want de man, die de brandkast leeg haalde, was ik,” zeide Raffles rustig.
Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen en keek Raffles met een ongeloovigen blik en open mond aan.
Toen kwam het haastig over zijn lippen:
„Meen je dat werkelijk, en zeg je mij dat nu pas?”
„Ik vond nog geen aanleiding, vroeger van dat bagatel te reppen, Charly,” antwoordde Raffles schouder ophalend.
„Maar ik heb er in het geheel niets van gemerkt,” hernam Charly Brand uiterst verbaasd en volkomen overrompeld door deze mededeeling van Raffles.
„Dat is zoo verwonderlijk niet. Wij kwamen om elf uur thuis. Wij hebben ons toen ter ruste begeven maar ik ben dadelijk het huis weder uitgegaan, om die kleine werkzaamheid te verrichten. Ik geloof niet dat ik langer dan anderhalf uur ben weggebleven. Het had werkelijk niets om het lijf, de brandkast had een cijferslot, maar Bates had haar moeten openen, terwijl ik daar was, en in een sterk vergrootend spiegeltje had ik het nummer kunnen aflezen, zonder dat hij het merkte. De rest was natuurlijk kinderwerk. Ik geloof niet dat ik daar langer dan twintig minuten ben geweest.”
„Het is alsof ik een sprookje hoor,” hernam Charly hoofdschuddend. „Het gaat mijn verstand te boven. Je spreekt er over alsof het een kleinigheid betrof, niet belangrijker, dan wanneer je even naar den hoek van de straat loopt om sigaretten te koopen.”
„Dat was het ook niet, Charly. Het wordt nu alleen maar belangrijker in verband met het vreeselijke lot, dat Bates getroffen heeft.”
„Dat is waar ook. Als jij daar geweest bent vannacht, dan moet je immers van alles goed op de hoogte zijn,” hernam Charly levendig.
„Minder goed, dan je schijnt te denken, mijn waarde,” zeide Raffles, terwijl zijn blikken op de tafel gevestigd bleven. „Maar dat kan ik je zeggen, dat Bates om twaalf uur in den nacht nog leefde.”
„Wat zeg je daar? Hoe weet je dat?” riep Charly in de grootste verbazing.
„Omdat ik hem op dat tijdstip heb hooren praten.”
„Praten? Sprak hij in zichzelf?”
„Neen, hij sprak met een tweeden man.”
„Met.… Jerry Humber?” vroeg Charly aarzelend.
„Neen, het was Humber niet. Het was de stem van een man, dien ik zeker niet ken.”
„Je hebt hem dus niet gezien?”
„Je vraag is een weinig zonderling, Charly. Als ik den man gezien had en wist wie het was, zou ik natuurlijk nu reeds zijn opgestaan om de politie per telefoon op de hoogte te brengen. Er was echter een deur tusschen ons, en je zult wel begrijpen, dat ik bijzondere reden had om die deur gesloten te houden.”
„Waar had het gesprek plaats?”
„In de werkkamer van de firmanten.”
„Heb je kunnen verstaan, wat ze spraken?”
„Slechts onduidelijk, maar ik weet wel dat ze met elkander twistten. Het duurde ook maar kort, zeker niet langer dan eenige minuten, want toen stierven de stemmen weg en ik verborg mij snel, vreezend dat de beide mannen te voorschijn zouden treden op de gang die tamelijk helder verlicht was en mij zouden zien. Zij moeten zich toen echter naar een ander vertrek hebben begeven. Ik vermoedde, dat Bates met zijn bezoeker het kantoorgebouw verliet, en toen alles volkomen stil bleef, sloeg ik mijn slag.”
„Maar dan is het bijna zeker, Edward, dat die [23]vreemde man, wiens stem je gehoord hebt, de moordenaar is,” riep Charly uit.
„Dat vermoed ik ook,” hernam Raffles bedaard.
„En wie weet, heeft hij Bates neergestooten, terwijl jij bezig was de brandkast.…”
„Dat is volstrekt niet onwaarschijnlijk,” kwam Raffles koeltjes. „De Times merkt terecht op, dat de beide vertrekken ver van elkander liggen en het tapijt is zeer dik, en het is zeer wel mogelijk, dat de misdaad daar heeft plaats gehad, zonder dat ik het bemerkt heb.”
„Vreeselijk,” zeide Charly zachtjes, terwijl hij een huivering onderdrukte.
„Bates is zeer zwaar gestraft, dat is zeker,” bevestigde Raffles op gedempten toon. „Zwaarder dan zelfs de laffe misdaad tegenover Lucie Macloed rechtvaardigde, maar wie kan zeggen, of deze man in zijn leven niet nog meer wandaden verricht heeft, dat er niet nog andere menschen zijn, die hij gruwelijk onrecht heeft aangedaan en die zich hebben willen wreken.”
„In ieder geval verheugt het mij dat je beschermeling Jerry Humber thans in geen geval gevaar loopt, voor den moordenaar te worden aangezien,” zeide Charly.
„Waarom denk je dat hij niet voor den moordenaar zou kunnen worden gehouden,” vroeg Raffles, terwijl hij Charly strak aankeek.
„Waarom? Je verklaart immers zelf, dat Bates om twaalf uur nog in leven was?”
„Wat zou dat? De politie kan heel goed aannemen, dat de moordenaar later is gekomen en bovendien, geloof je in ernst dat ze eenige waarde zou hechten aan de mededeeling van John Raffles, dat hij daar in het huis is geweest en Bates om twaalf uur in den nacht heeft hooren praten met een onbekenden bezoeker.”
„Vroeger heeft ze je verklaring ook wel geloofd?”
„Dat waren andere gevallen. Thans kan ze niet anders aannemen, of ik tracht haar op een dwaalspoor te leiden. Zij zal vermoeden, op zijn best genomen, dat Raffles wellicht in verbinding heeft gestaan met den moordenaar en misschien denkt ze wel, dat hijzelf de misdaad heeft gepleegd.”
„Dat zal zij nooit, Edward. Dat weet je zelf heel goed. Men weet op Scotland Yard wel, dat je nog nimmer geweld hebt gepleegd en dit ook nooit zult doen, en dat alleen schurken en misdadigers van de ergste soort onder jouw hand zijn gevallen.”
„Dat mag zoo zijn, maar in ieder geval zal zij zich stellig niet ophouden met briefjes van John Raffles, die haar zulk een vreemde geschiedenis opdischt. Zij zal dan de vraag stellen, waarom hij de misdaad niet belette, zij zal achterdochtig zijn, en zij zal wel denken, dat de moordenaar zelf het briefje geschreven heeft, in de hoop haar van zijn spoor af te leiden.”
„Maar dan, dan, als jij zelf de brandkast geopend hebt, dan is het immers niet onmogelijk, dat Jerry Humber toch.…” stamelde Charly.
„Neen, Charly, daarvan is geen sprake,” zeide Raffles op vasten toon, „wiens stem het geweest is, weet ik niet, maar stellig was het niet die van den jongen Humber.”
„Maar wie kan het dan toch geweest zijn?” riep Charly uit.
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
„Ik kan het je niet zeggen. Ik heb er niet het flauwste denkbeeld van, maar in ieder geval kan ik je wel verzekeren dat de moordenaar een man van buitengewone lengte moet zijn geweest.”
„Waaruit leidt je dat af?”
„Uit het feit, dat hij den Japanschen dolk gebruikt heeft om Bates te dooden.”
„Hoe zoo?”
„Toen ik Bates kwam bezoeken, ben ik voorbij die ontvangkamer gekomen, waarvan de deur open ging en natuurlijk heb ik een blik naar binnen geworpen. Welnu, het wapenrek in kwestie is zoo hoog opgehangen dat slechts een man van meer dan middelmatige lengte den onderkant van het rek bereiken kan, waaraan de Japansche dolken zijn opgehangen.” [24]