[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Wie is de dader?

Nog in den loop van denzelfden middag werden de oude Macloed, zoowel als Jerry Humber op het hoofdbureau van politie ontboden, teneinde daar aan een streng verhoor te worden onderworpen.

De speurneuzen van Scotland Yard waren er al spoedig achter gekomen na een onderzoek onder het fabriekspersoneel, welke verhouding er bestaan had tusschen den patroon aan den eenen kant, den werkbaas en den teekenaar aan de andere zijde.

Het was gebleken, dat Macloed tot tweemaal toe zich in de hevigste bewoordingen tegen Bates had uitgelaten en hem zelfs bedreigd had en ook van Humber was het bekend dat hij met gevoelens van haat tegenover zijn werkgever was bezield.

Hoewel men op het hoofdbureau van politie nog niet de ware reden kende van deze vijandige gevoelens, vermoedde men toch genoeg om te kunnen weten, dat Jerry Humber zijn patroon innig moest haten.

Ook de portier van de fabriek, die tevens waker was en die om acht uur in den avond verscheen, om pas om zes uur in den morgen weder te vertrekken, werd verhoord, en zijn getuigenis werd van groot gewicht geacht en zeer bezwarend voor den jongen Humber.

Het bleek namelijk dat Jerry omstreeks negen uur in den avond zich was komen aanmelden en toegang had verlangd, teneinde zijn teekengerei, dat zijn eigendom was, te komen halen.

De avondportier, die den jongen man zeer goed kende, had volstrekt geen bezwaar gemaakt, hem binnen te laten. Hij had hem echter niet weder zien vertrekken en dit zou een noodlottige omstandigheid blijken te zijn.

De nachtportier verklaarde eveneens, dat hij mijnheer Bates ongeveer één uur vroeger, even nadat hij zijn loge had betrokken, het kantoorgebouw had zien binnengaan.

Ook hem had hij niet zien vertrekken, maar dit had hem volstrekt niet verbaasd, want het kwam wel eens voor, dat de patroon tot zeer laat in den nacht geheel alleen in het groote kantoorgebouw bleef werken.

Overigens had de nachtportier eenige malen zijn loge verlaten, teneinde zijn ronde te doen in het fabrieksgebouw, zooals zijn plicht was.

Dit alles was voor Jerry Humber zeer bezwarend en zijn toestand werd er niet minder gevaarlijk om, toen het bleek, dat hij dien nacht pas om half één was thuis gekomen en geen voldoende verklaring kon geven van hetgeen hij tusschen negen uur en half een in den nacht had verricht.

De jonge man zeide, dat hij tot bijna tien uur in de fabriek was geweest om zijn zaken bijeen te zoeken, dat hij daarna geruimen tijd geloopen had en dat hij tenslotte met een bus naar zijn woning was gereden, maar het was ongelukkig voor hem, dat er niemand was, die deze verklaring kon bevestigen.

Wat Raffles en Charly reeds urenlang gevreesd hadden, geschiedde in den middag. Jerry Humber werd in verzekerde bewaring genomen.

Scotland Yard achtte de bewijzen, welke zich tegen hem opstapelden zoo drukkend, dat zij niet geaarzeld had het bevel tot arrestatie te geven.

De avondbladen namen nog eenige discretie in acht, maar uit de berichten bleek maar al te duidelijk, dat men eindelijk op de hoogte was gekomen van de ware verstandhouding, die tusschen Bates, Macloed, Lucie en Jerry Humber had bestaan.

Wat de oude werkbaas betreft, hij had een afdoend alibi kunnen aanvoeren, hij had zijn geheelen avond kunnen verantwoorden, tot diep in den nacht, en zoo kon Humber, aldus meende Scotland Yard, alleen als de schuldige beschouwd worden.

Toen Raffles het bericht in de Times las, hij bevond zich toen met Charly in de conversatiezaal van de Windsorclub, schudde hij het hoofd en zeide: [25]

„Ik ben er nu zeker van, dat zij het volkomen mis hebben. Zelfs al zou ik mij vergist hebben aangaande den aard van het stemgeluid dat ik vernomen heb, maar wanneer het inderdaad te bewijzen is, dat Humber om half één thuis was, dan kan hij met geen mogelijkheid de daad hebben verricht, want op dat uur hoorde ik Bates praten.”

„Het is heel jammer, Edward, dat je hem ook niet gezien hebt,” zeide Charly peinzend.

„Ja, dat is zoo en ik heb er nu spijt genoeg van, dan had ik misschien de misdaad kunnen voorkomen. Maar al heb ik dien man niet gezien—ik weet zeker dat ik mij onmogelijk heb kunnen vergissen—het was zonder eenigen twijfel zijn heesch eenigszins krassend stemgeluid, en er valt voor mij geen oogenblik aan te twijfelen, of de man die bij hem was om half één in den nacht zijn moordenaar was.”

Geruimen tijd zwegen de beide vrienden, en toen hernam Charly:

„Ik vermoed dat je het hier niet bij zult laten—dat je alles in het werk zult stellen, om de onschuld van Jerry Humber daghelder te bewijzen.”

„Dat spreekt van zelf! Ik zal beginnen met aan Scotland Yard te schrijven, dat ik om half één daar ginds was, en dat Bates toen nog leefde. In ieder geval zal dat de heeren detectives misschien doen twijfelen aan hun onfeilbaarheid, en hen doen overwegen, dat zij zich misschien toch vergist hebben.”

„Ongetwijfeld, Edward—maar je vergeet een ding! Scotland Yard zal jouw mededeeling misschien niet voor zich houden—en als de ware moordenaar het leest en tot de ervaring moet komen, dat jij een gedeelte van zijn gesprek met Bates kunt hebben hooren, dan zal hij zeker op zijn hoede zijn, en zich door de vlucht aan alle nasporingen onttrekken, terwijl hij nu in de veronderstelling moet verkeeren, dat hij in betrekkelijke veiligheid is, daar men een ander voor den moordenaar aanziet.”

„Misschien heb je wel gelijk, Charly,” hernam Raffles peinzend. „Ik zou echter de opmerking kunnen maken, dat de werkelijke moordenaar in ieder geval zeer ongerust moet zijn wegens de inbraak, die onmiddellijk op zijn misdaad gevolgd is—ja, misschien wel tegelijkertijd gepleegd werd. Hij moet wel tot het besef komen, dat er na hem nog iemand anders in het kantoorgebouw moet zijn geweest, en dat het volstrekt niet onmogelijk is, dat de inbreker iets heeft gemerkt van hetgeen er zich in de nabijheid afspeelde! Wie weet denkt hij wel, dat de man voorloopig zwijgt, ofschoon hij alles weet, maar zich gereed houdt om op het gunstige oogenblik te voorschijn te komen, en hem te dreigen, alles bekend te maken, wanneer hij niet zijn stilzwijgendheid met een groot bedrag koopt. Hij zal dus in ieder geval goed oppassen, hoe dan ook! Toch zal ik nog eenige dagen wachten met het opzenden van mijn briefje aan Scotland Yard, maar ik zal aanstonds nagaan, wie de advocaat is van den jongen Humber, en aan dien rechtsgeleerde zal ik mededeelen, wat ik weet, opdat hij althans zijn cliënt zal kunnen geruststellen. En intusschen, waarde Charly, zullen wij zelven eens op onderzoek uitgaan, en eens zien, of wij dit geheim niet kunnen oplossen.”

„Geloof je ook niet, Edward, dat de misdaad gepleegd moet zijn door een man, die Bates minstens even sterk haatte, als Humber dit deed?”

„Dat spreekt vanzelf. Het was een moord uit wraak, daaraan behoef je niet te twijfelen! En ik geloof dat hier eveneens een vrouw in het spel is, want ik herinner mij nu zeer goed, dat ik een paar malen den naam Kate heb hooren uitspreken en wel door den geheimzinnigen bezoeker op een toon van groote woede en verontwaardiging.”

„Maar hoe verklaar je het, Edward, dat de man, die Bates bezocht in het geheel niet door den nachtportier is gezien?”

„Daar zijn maar twee verklaringen voor, Charly. Ten eerste kan de nachtportier juist in de fabriek zijn geweest, teneinde daar zijn ronde te doen en dan spreekt het vanzelf, dat Bates den man moet hebben verwacht, en hem zelf heeft binnen gelaten, ten tweede kan de bezoeker door de fabriek zijn binnen gekomen. Ik heb je nog niet gezegd, dat men de fabriek ook door een kleine fabriekspoort kan binnen gaan, die op de binnenplaats uitkomt.”

„Maar weet je wel, Edward, dat die omstandigheid je onderzoek zeer kan vergemakkelijken en beperken?” riep Charly opgewonden uit. „Want dan moet immers de bezoeker iemand geweest zijn, die niet alleen goed thuis was in de fabriek, maar die er was aangesteld, en wel in een zeer aanzienlijke betrekking, daar hij waarschijnlijk den sleutel had van het kantoorgebouw, dat op de binnenplaats uitkomt?”

„Dat heb ik bij mijzelf ook al overwogen, Charly,” hernam Raffles bedaard. „Het feit is inderdaad van [26]groot belang en wij zullen er dan ook gebruik van maken bij ons onderzoek. Ik vermoed dat de boekhouder, de procuratiehouder, de kassier, de opzichters van de fabriek en nog een paar beambten wel van sleutels voorzien zijn geweest, omdat men zich een grooten omweg bespaart, wanneer men in het kantoorgebouw moet zijn en van den zijkant de fabriek nadert.”

„Maar dan kunnen wij binnen een paar dagen weten, wat wij weten willen,” hernam Charly. „Het kunnen niet meer dan zeven of acht menschen zijn, die een sleutel bezitten—en daar de moordenaar volgens jouw verzekering buitengewoon lang moet zijn, kunnen wij hem binnen korten tijd hebben ontdekt.”

„Wij zullen daarmee in ieder geval beginnen, Charly,—maar verlies niet uit het oog, dat degeen, die zich van de sleutels heeft bediend, dit misschien op onrechtmatige wijze deed, ik wil zeggen, dat hij ze misschien heeft afgenomen van een van die zeven of acht personen. Maar wij zullen onmiddellijk met ons onderzoek beginnen.”

„Van avond nog,” riep Charly uit. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat die arme jongen, die zich zoo nobel gedragen heeft, op dit oogenblik in zijn eenzame cel zit, beticht van een afschuwelijke misdaad, welke hij niet heeft bedreven.”

Raffles wierp een blik op zijn horloge, en zeide toen:

„Het is natuurlijk het best, wanneer wij de personen, die in aanmerking komen, onbemerkt kunnen bespieden, zonder hun argwaan gaande te maken. En des avonds is er natuurlijk niemand op het kantoor meer werkzaam. Het is jammer, dat Holborn niet in de stad is, anders zouden wij hem kunnen vragen, wie een sleutel hebben van de kleine zijpoort en van de achterdeur.”

„Hij zal natuurlijk aanstonds terugkeeren, zoodra hij er de gelegenheid toe heeft, maar zijn verklaringen zullen wel van zeer weinig belang zijn, vrees ik,” zeide Charly, die reeds was opgestaan, en ongeduldig scheen te zijn om met het onderzoek een aanvang te nemen.

„Als ik mij niet vergis is ook de procuratiehouder Marshall lid van de Windsorclub. Je moet hem eens laten praten—en ik geloof, dat ik aanstonds aan zijn stem zal kunnen hooren, of hij de bezoeker is geweest, die een einde aan het leven van Arthur Bates maakte.”

„Ik ben tot je dienst, Edward. Ik zou deze werkeloosheid niet lang meer kunnen volhouden. Laten wij maar spoedig gaan.”

De beide vrienden stonden op en begaven zich naar de groote billardzaal, waar een tiental voortreffelijke tafels stonden, waarvan op dit oogenblik vier in gebruik waren.

De beide vrienden drentelden langzaam rond, op gedempten toon met elkander pratend, maar zij gaven hun oogen goed den kost, en het duurde niet lang, of Charly had in een hoek een rijzig man ontdekt, met rossig haar, die een sigaret rookte, en onverschillig, met beide handen in de zakken, tegen een stoel aanleunde, en in die houding de verrichtingen gadesloeg van een paar matadors op het groene laken.

„Dat is hij—dat is Marshall,” zeide Charly fluisterend.

Raffles keek den man met het rossige haar scherp aan, en zeide toen met een licht schouderophalen:

„Hij is flink lang, die Marshall, en daarom zullen wij het maar eens probeeren, maar hij heeft alles behalve het type van een geweldenaar, van den man, die zich door zijn woede tot zulk een misdaad laat medesleepen—eerder gelijkt hij op een goedig schaap, op een man, die tranen vergiet als hij een mug ziet dood slaan.”

De beide vrienden waren Marshall, den procuratiehouder, dicht genaderd, en Charly, die hem tamelijk goed kende, sprak hem aan en vroeg:

„Wel, mijnheer Marshall—ben je niet onder den indruk van het vreeselijk ongeluk, dat Bates getroffen heeft?”

„Niet heel erg, mijn waarde Brand,” antwoordde Marshall doodbedaard. „Tusschen ons gezegd en gezwegen, en zonder iets te kort te doen aan zijn kundigheden als zakenman—Arthur Bates was de grootste schoelje, dien ik ooit heb ontmoet, en ik dacht er al sterk over, mij van de firma los te maken, al had ik ook veel sympathie voor Holborn”.

Raffles had nauwkeurig toegeluisterd, en hij nam nu Charly glimlachend onder den arm en zeide:

„Mijnheer Marshall heeft je zijn indrukken over het uiteinde van Arthur Bates medegedeeld, en nu zul je wel tevreden zijn, nietwaar? Zullen wij een kleine partij maken. Ik heb niet veel tijd.”

En terwijl de beide vrienden zich naar een der [27]billarten begaven, vervolgde Raffles op gedempten toon:

„Die goede Marshall lijkt niet alleen op een schaap, maar hij heeft er ook de stem van. Ik verwacht ieder oogenblik hem in een gemoedelijk geblaat te hooren overgaan.”

„Dat is dus al één uitgeschakeld,” kwam Charly.

Maar plotseling scheen hem iets in te vallen.

„Zou hij misschien niet weten, wie er sleutels hebben van de deuren?”

„Misschien heb je gelijk, maar ik vind het wel wat gevaarlijk, hem daarnaar te vragen. Wij kunnen het immers wel op een andere wijze te weten komen, en wij doen verstandiger, ons eerst te vermommen, alvorens wij die vraag stellen.”

„Dat is zoo,” hernam Charly zuchtend, want hij was zeer ongeduldig, en hij bracht van de partij, welke hij met Raffles speelde, dezen avond weinig terecht.

Zijn gedachten waren voortdurend bij den gevangene, die daar in zijn stille cel neer zat, beticht van een misdaad, welke hij niet begaan had. [28]