Er waren een paar dagen voorbij gegaan sedert de misdaad in de fabriek gepleegd werd en Scotland Yard was nog niet ver gekomen.
Jerry Humber bleef hardnekkig ontkennen, dat hij iets met de misdaad uitstaande had en bezwoer, dat hij nauwelijks een uur op de fabriek was geweest en zich om tien uur weder op straat had bevonden.
De politie had nu ook de beklagenswaardige dochter van Macloed aan een verhoor onderworpen, maar ook dit had haar niets wijzer gemaakt.
Lucie, doodsbleek en nauwelijks zich staande kunnende houden, had verzekerd, dat zij haar patroon slechts enkele keeren van aangezicht tot aangezicht had gezien, maar op het einde van het verhoor barstte zij in tranen uit en jammerde, dat Jerry onschuldig was, en dat zij eer aan haar eigen schuld zou gelooven, dan aan die van den jongen man, die haar ondanks alles naar het altaar wilde voeren.
De politie was nu ook tot de ontdekking gekomen, dat het wapenrek hoog aan den muur had gehangen, en toen verscheidene bedienden verklaarden, dat de Japansche dolk, waarmede de moord gepleegd was, steeds op dezelfde plek van het rek had gehangen, werd Humber in de gevangenisauto, geboeid en streng bewaakt, naar het kantoorgebouw en vervolgens naar de kamer gebracht, waar zich het drama had afgespeeld, en men gelastte hem daar, te trachten een mes van het wapenrek te nemen, hetwelk men op dezelfde plaats had gehangen, welke vroeger het moordwapen had ingenomen.
Jerry Humber behoorde zeker niet tot de kleine mannen, maar ofschoon hij zich zoover hij kon uitrekte, en op zijn teenen ging staan, was het hem onmogelijk, het mes te bereiken.
Maar Scotland Yard was nog volstrekt niet overtuigd en verzekerde nu, dat de Japansche dolk zich dan in den nacht van de misdaad op een andere plaats moest hebben bevonden, onder het bereik van den moordenaar.
Dat was ongetwijfeld een verklaring, maar zij voldeed allerminst aan John Raffles, die glimlachend de schouders ophaalde, toen hij er van las, en bij zichzelf de opmerking maakte, dat het wel zeer toevallig zou zijn, dat juist op dien avond de Japansche dolk van het wapenrek was genomen.
Wanneer Bates dat gedaan had, dan zou hij daarvoor zeker op een stoel hebben moeten klimmen, want hij was klein van gestalte.
Intusschen hadden Raffles zoowel als Charly in het geheim hun onderzoek voortgezet naar de personen, die in het bezit waren van de beide sleutels, die op de kleine zijpoort en op de achterdeur van het kantoorgebouw pasten.
Dit had hen evenwel niet veel verder gebracht, want niet alleen kon geen van de personen, die zulke sleutels bezaten, ook maar een oogenblik verdacht worden, om even afdoende als duidelijke redenen, en ten tweede bleek het nog al eens voor te komen, dat er met deze sleutels tamelijk nonchalant werd omgesprongen, en dat ook anderen, die tot het personeel behoorden, er zich van konden bedienen.
En het ging bijna niet aan, het onderzoek uit te strekken, tot het geheele mannelijk personeel, waaronder zich verscheidene kerels als boomen bevonden, die een voor een gemakkelijk den onderkant van het wapenrek zouden kunnen bereiken.
Daarenboven—de stem, welke Raffles dien nacht vernomen had, was die van een beschaafd man geweest.
Intusschen gaven Raffles en Charly hun pogingen volstrekt niet op en zij werden eerder aangespoord door den ondervonden tegenslag, dan dat deze hen moedeloos maakte.
In verschillende vermommingen gingen zij rond onder het fabriekspersoneel, bezochten de wijnhuizen en slijterijen waar zij wel kwamen, hun schaftlokalen en vergaderzalen, en luisterden daar scherp naar ieder woord, dat hen op het spoor zou kunnen brengen. [29]
Wel werd er veel over Bates gesproken, en dan steeds in verachtelijken, minachtenden zin—maar nooit hadden zij eenig houvast aan deze op woesten toon geuite kritiek op de gedragingen van den doode.
Wel bleek het dat de arme Lucie niet het eenige slachtoffer was geweest van den wellusteling, die zich nimmer bekommerde om het onheil dat hij stichtte, en slechts voor zijn persoonlijk genot scheen te leven, en somtijds werden er ook namen genoemd, maar dit kon hen niet wijzer maken.
Nimmer vernamen zij iets dat van eenige waarde voor hen was bij het onderzoek dat zij hadden ingesteld.
Intusschen was Holborn van zijn reis teruggekeerd en hij had zich aanstonds ter beschikking van de justitie gesteld, maar zooals Raffles wel vreesde, bleek uit het verslag in de Times, dat men aan zijn verklaringen al heel weinig had.
Holborn bleek vrijwel op de hoogte te zijn van den levenswandel van zijn compagnon, met wien hij dan ook alleen zakenrelaties onderhield, en die hij overigens zelden of nooit ontmoette, terwijl de beide gezinnen van de compagnons elkander vermeden, maar hij was niet bij machte eenige verklaring te geven omtrent den persoon van Jerry Humber, dien hij alleen zeide te kennen als een voortreffelijk en zeer ijverig teekenaar, die het ver zou brengen.
Hij had echter als zijn persoonlijke meening te kennen gegeven, dat hij den jongen man zeer zeker niet in staat achtte tot het plegen van die misdaad.
Volgens zijn overtuiging zou men hem spoedig moeten ontslaan, daar zijn onschuld wel aan het licht zou komen.
„Waarom denkt Holborn dat eigenlijk?” vroeg Charly aan Raffles, toen beiden het desbetreffende bericht gelezen hadden.
„Dat kan ik je niet zeggen,” antwoordde Raffles. „Natuurlijk is het maar een persoonlijke meening—sympathie voor den jongen man, denk ik.
„Want hij kan onmogelijk weten, of Jerry Humber werkelijk de misdaad heeft gepleegd of niet. Ik zou hem echter wel eens graag willen opzoeken—wie weet kan hij me wel eenige inlichtingen verschaffen.”
„Maar hij heeft alles toch al aan den rechter-commissaris medegedeeld,” riep Charly uit.
Raffles haalde de schouders op en hernam:
„De rechter-commissaris, die is dien nacht niet om half een in het kantoorgebouw geweest. Die weet veel minder dan ik—en dat kan ik aan Holborn laten voelen.”
„Dan zou je je identiteit aan hem moeten verraden.”
„Ik zal stellig niet aarzelen om dat te doen, wanneer dat bevorderlijk kan zijn aan ons onderzoek.”
„Waar wil je hem opzoeken?”
„Ik denk wel, dat hij nu op zijn kantoor zal zijn,” zeide Raffles, na een blik op zijn horloge te hebben geworpen. „Het is nu drie uur. Wil je mij vergezellen?”
„Ik verlang niets liever.”
Toen de beide mannen dit gesprek voerden, kwamen zij juist van een onderzoekingstocht terug, en zij droegen nog een vermomming, hetgeen hun goed te stade kwam bij hun plan.
„Waarvoor zullen wij ons uitgeven?” vroeg Charly.
„Het komt er niet op aan,” zeide Raffles. „Wij zijn eenvoudig bezoekers, die hem over een zeer dringende zaak moeten spreken, en als wij bij hem zijn toegelaten, zeg ik eenvoudig, dat het lot van Jerry Humber mij ter harte gaat en als het noodzakelijk mocht zijn, zal ik zelfs niet aarzelen te zeggen, dat ik er dien nacht geweest ben, en wie en wat ik ben.”
De beide vrienden verloren geen tijd, maar lieten zich in een huurauto aanstonds naar het fabrieksgebouw in de Penningtonstreet rijden, en verlangden daar van den portier, dat deze hen zou aandienen bij mijnheer Holborn.
De man, die Raffles blijkbaar in het geheel niet herkende in zijn nieuwe vermomming, scheen een oogenblik te aarzelen, maar toen Raffles verzekerde, dat hij voor een zeer gewichtige zaak kwam, ging de man heen, om eenige minuten later terug te keeren met het verzoek, hem te willen volgen.
De twee vrienden bestegen een trap en werden vervolgens in de ontvangkamer gelaten—dezelfde, waar het misdrijf was afgespeeld.
„Mijnheer Holborn is op dit oogenblik in gesprek, heeren, maar hij is aanstonds tot uw dienst.”
Raffles en Charly bleven alleen.
Het was hier zeer stil in het betrekkelijk kleine vertrek en het werd Charly nu wel duidelijk, waarom Raffles dien nacht niets vernomen had van de misdaad, waarvan dit vertrek getuige was. [30]
Na ongeveer tien minuten ging de deur weder open en Holborn trad binnen.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheeren, als ik u een oogenblik heb laten wachten,” zeide hij.
Raffles was langzaam opgestaan, onder den invloed van een gevoel, dat hij niet aanstonds meester kon worden—de stem van den man, die zooeven gesproken had, was dezelfde stem, welke hij eenige nachten geleden achter de gesloten deuren vernomen had.…
Raffles wist zich echter onmiddellijk te beheerschen en trad Holborn tegemoet met een glimlach op het gelaat, terwijl hij zeide:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Holborn, als wij u komen lastig vallen, maar—ik liet u reeds zeggen dat het een zaak van gewicht betreft. Minder misschien voor u dan voor een onzer vrienden—voor Jerry Humber.”
Op het hooren van dezen naam was Holborn een weinig verbleekt en een lichte trilling werd aan zijn mondhoeken zichtbaar.
„Gij stelt belang in dien jongen man?” vroeg hij toen.
„Zeer veel, mijnheer Holborn. Gij zijt natuurlijk op de hoogte van deze droevige zaak, nietwaar? En uit het verslag in de Times meen ik te mogen opmaken, dat gij mijnheer Humber voor onschuldig houdt?”
„Ik—ik kan niet aannemen, dat hij de daad gepleegd heeft,” zeide Holborn en zijn bleek gelaat vertoonde weer dezelfde krampachtige trilling.
„Ik acht het volkomen buitengesloten, mijnheer Holborn,” hernam Raffles glimlachend. „Gij ziet daar dat wapenrek, nietwaar? Welnu—Humber was veel te klein om bij den dolk te kunnen reiken! Daarvoor moet men een buitengewoon lang man zijn—zooals gij zijt bijvoorbeeld.”
Geruimen tijd bleef het zeer stil in het vertrek en men hoorde niets anders dan het regelmatig getik van de kostbare pendule op den schoorsteen.
Holborn slikte een paar maal, alsof hij iets in zijn keel had, dat hem hinderde, en hernam toen, met een stem die heel anders klonk:
„Waarom zegt gij dit, mijnheer. Wat bedoelt gij met die woorden?”
„Ik bedoel, mijnheer Holborn, dat gij zoo lang zijt, indien gij hier bijvoorbeeld dien noodlottigen avond geweest zijt, en tegenover Bates had gestaan, gemakkelijk dien dolk had kunnen grijpen, teneinde hem te treffen.”
Weer bleef het eenigen tijd stil en toen zeide Holborn iets, waarop Raffles ondanks alles toch niet was voorbereid.
„Dus gij waart de inbreker?” vroeg Holborn toonloos.
„Hoe—hebt gij mij gehoord?”
„En gezien!” antwoordde Holborn met een pijnlijken glimlach.
„En gij hebt mij niets in den weg gelegd?”
„Niets. Ik had daar mijn redenen voor. Misschien zult gij ze later wel vernemen. Zeg mij nu, wat gij weet en wat gij van mij wilt.”
„Wat het laatste betreft, mijnheer, ik wil niets van u,” antwoordde Raffles. „Ik ben uw rechter niet. Alleen wil ik er u opmerkzaam op maken, dat het uw plicht is, aanstonds de waarheid luide te verkondigen. Gij hebt in geen geval het recht een ander voor uw misdaad te doen boeten.”
Holborn boog het hoofd en zeide op zachten toon:
„Ik hoopte—ik was er van overtuigd, dat de onschuld van den jongen man binnen enkele dagen glashelder zou zijn aangetoond. Ik vermoedde—dat men wellicht later den inbreker voor den dader zou houden—dat men dien echter mogelijk niet zou ontdekken—daarom liet ik u rustig begaan, ofschoon ik u zag heengaan—nadat het geschied was. Indien ik u slechts vijf minuten eerder gezien had—dan zou het misschien niet gebeurd zijn.…”
Holborn wierp Raffles een schuwen blik toe en vervolgde:
„Gij hebt niet het uiterlijk van een beroeps-inbreker—gij zijt toch niet.…”
„Noem den naam, mijnheer,” zeide Raffles rustig.
„John Raffles?”
„Ja.”
„Ik had het dadelijk moeten begrijpen. Ik had al veel van u hooren praten—langen tijd hield ik u voor een schim.… ik weet nu beter. En zeg mij nu wat gij denkt te doen?”
„Niets, mijnheer Holborn,” hernam Raffles kalm. „Niet ik heb iets te doen, maar gij! Begrijpt gij mij niet? Neem uw snelste auto en ga u aangeven! Dat is alles wat gij te doen hebt.”
Holborn sloeg de handen voor het gelaat en liet zich kreunend op een stoel vallen. [31]
Maar eensklaps sprong hij weder op en riep op hartstochtelijken toon:
„En toch kan ik er geen berouw over gevoelen. Toch zou ik het weder doen, als hij weer tegenover mij stond met zijn valsch lachende tronie—het beest.…”
„Waarom heb gij hem gedood?” vroeg Raffles.
„Omdat.… neen, ik kan het u niet zeggen,” riep Holborn wanhopig.
„Gij zult het niettemin aan den rechter moeten mededeelen,” hernam Raffles. „Bedenk dat men u zeer streng zal straffen, wanneer gij blijft zwijgen.”
Holborn scheen een hevigen tweestrijd in zijn binnenste te voeren.
Toen kwam het als een schreeuw over zijn lippen:
„De schurk had mijn zuster—mijn kleine lieveling, een toonbeeld van reinheid en lieftalligheid, geschandvlekt. Ik betrapte hem er bij, dat hij hier zijn afscheidsbrief aan het arme kind schreef, dat hij met geweld had weten te dwingen, hem ter wille te zijn—zoo als hij het reeds tientallen andere ongelukkigen had gedaan! Mijn eigen zuster, een kind nog haast.”
Snikkend alsof zijn hart zou breken, liet Holborn zich op de rustbank vallen en verborg het gelaat in de handen.
Zijn trekken waren verwrongen, toen hij het weder ophief en vervolgde:
„Ik verdacht hem reeds eenigen tijd—had echter geen bewijzen. Zijn half begonnen brief zeide mij alles. Ik zag bloed voor mijn oogen. Ik schreeuwde hem mijn haat en minachting in het gelaat, ik spuwde hem in het laffe gezicht. Toen—toen beging hij de onvoorzichtigheid, iets van mijn zuster te zeggen—iets wat ik hier niet kan herhalen en dat ook nooit zal doen, al zou het mij den strop kosten. Daarmee bezegelde hij zijn lot. Hij moet op mijn gezicht zijn doodsvonnis hebben gelezen, want hij werd bang, en trok de lade open, waarin zijn revolver lag. Maar voor hij er gebruik van had kunnen maken, had ik den Japanschen dolk van het rek gerukt en hem neergestooten—lachend, John Raffles, lachend en overtuigd, dat ik een goed werk deed! En nu moogt gij mij beoordeelen zooals gij wilt—mijn leven is toch gebroken. Mijn zusje verkwijnt, en gaat uit als een kaars die langzaam opbrandt. Zij is niet meer te redden.…”
Raffles had zwijgend, diep ontroerd toegeluisterd en trad nu op Holborn toe om hem de hand op den schouder te leggen.
Zijn heldere stem was omfloersd toen hij zeide:
„Gij hebt een evenmensch van het leven beroofd en hebt u diep bezondigd. Maar niet ik zal u rechten. De naam van uw zuster mag echter in geen geval in deze zaak van laaghartig verraad en schande gemengd worden. Vertrek, zoo spoedig gij uw zaken geregeld hebt van hier—naar Zuid Amerika. Ik wil aannemen, dat gij in zelfverdediging gehandeld hebt, en dat hij u zeker zou gedood hebben indien gij hem niet vóór waart geweest. Maar zoodra gij daar in veiligheid zijt, stelt gij den rechter van instructie telegrafisch op de hoogte van de waarheid. Jerry Humber moet in ieder geval zoo spoedig mogelijk bevrijd worden. Ik zal zwijgen.….”
Eenige maanden later huwde Jerry Humber met Lucie Macloed en toen er weder een jaar later een kindje kwam, kregen de gelukkige ouders een zeer groote gift van „een onbekenden schenker” dien zij echter meenden te kennen.