Aan onze noorderstranden krabbelt een eigenaardig volkje van „strandvonders” rond, die, om aan den kost te komen, hun buit grootendeels aan de kust, soms ook in de diepere zee, verzamelen. Voor een deel zijn het groote en logge gevaarten, die deftig, met afgemeten passen, over het strand voortkrabbelen, deels ook kleine, doch koene springers en zwemmers, die de wereld meer van den vroolijken kant opvatten en het leven lustig doorhuppelen, al wordt ook menig hunner meedoogenloos door den voet van den mensch vertrapt. Beiden behooren weer tot de tienpootige schaaldieren, zijn dus wel verwant aan de kreeften, maar hebben toch een geheel anderen lichaamsbouw en levenswijze.
Van eerstgenoemden: de krabben, zijn aan onze kusten een paar soorten welbekend en, als smakelijke spijs, gezocht, hoewel het aroma van haar vleesch niet halen kan bij dat van de kreeften. Ook uiterlijk wijken zij van dezen aanzienlijk af en zooals wij uit de fig. 10 en 11 zien, is haar lichaam veel lomper van bouw dan dat van de, dikwijls zoo fraaie en sierlijke kreeften, die wij tot nogtoe ontmoet hebben. Bij andere soorten, zooals die van fig. 2, 4 en 5, is de vorm bovendien zoo fantastisch gewijzigd, dat men er geen kreeftachtige dieren meer uit zou herkennen en zij ons meer aan, afzichtelijke gepantserde, reuzenspinnen doen denken.
Bij alle krabben is het lichaam kort en breed, doch wat wij er van zien, is eigenlijk alleen het ronde, vierhoekige of driehoekige kopborstschild, want het achterlijf is van boven onzichtbaar, daar het slechts zeer kort en onontwikkeld is, doch bovendien naar beneden omgeslagen is, in een groeve onder het borstschild. Daarom noemt men de krabben ook: kortstaartige kreeften. Bij het wijfje is dit korte achterlijf wel breed, doch zonder staartvin en van vier draadvormige pooten voorzien voor het vasthechten der eieren; bij het mannetje is het achterlijf nog minder ontwikkeld. Bij het zwemmen kan hier het achterlijf dus ook geen dienst doen, zooals bij de kreeften, doch hier geschiedt het alleen met de breede voorpooten. In de edele zwemsport zijn deze dieren echter niet zeer ervaren, des te beter echter zijn zij bedreven in de loop- en wandelsport. Meestal loopen zij op het strand en wel in den regel zijwaarts of in schuine richting.
De vruchtbaarheid van de krabben is buitengewoon groot; Leeuwenhoek vond indertijd reeds, door een gedeeltelijke telling, dat het wijfje van de strandkrab meer dan 2 millioen eieren legt. Na een paar maanden komen de larven reeds uit, die nog niets op het volwassen dier gelijken, doch een dubbele gedaanteverwisseling ondergaan. De kieuwen zijn goed ontwikkeld, bladachtig vertakt en de kieuwholten zijn van onderen en van achteren bijna geheel door het borstbeeld afgesloten, zoodat alleen aan de voorzijde water kan toetreden. Daardoor drogen de kieuwen niet zoo spoedig uit en dit is de reden, dat de krabben dagen lang op het droge in leven kunnen blijven en dat zij bij ebbetijd ook meestal op het strand vertoeven.
Men meent zelfs, dat zij eenigen tijd ook lucht kunnen inademen en er zijn dan ook bepaalde „landkrabben”, die in grooten getale, in gaten en kuilen, in bosschen en op rotsen leven of zelfs, zooals de Indische kikvorschkrab, wel de daken van huizen beklimmen. Toch moeten ook deze dieren jaarlijks groote tochten naar de zee ondernemen, om de eieren te leggen. Dergelijke landkrabben komen ook in West-Indië veel voor en hebben daar eens tot een vermakelijke vergissing aanleiding gegeven. Eens zijn de Franschen aldaar, althans zoo luidt het verhaal, voor een kolonne van die landkrabben op de vlucht geslagen, want deze dieren klepperen soms zeer hoorbaar met hun scharen en men hield dit geluid toen voor het paardengetrappel der Spaansche ruiterij; vandaar dat nog telkenjare op Haïti het „krabbenfeest” gevierd wordt.
Die scharen aan het voorste paar pooten zijn bij de krabben steeds zeer groot en sterk, zij dienen als geduchte wapens. De vier achterste paren pooten dragen slechts klauwen en dienen tot loopen en zwemmen.
Aan onze kusten zijn de twee volgende soorten van krabben het meest bekend: de strandkrab (Carcinas Moenas), die in fig. 10 afgebeeld is en de gewone zeekrab (Cancer pagurus) van fig. 11. Beide zijn boogkrabben, waarbij het kopborststuk breeder dan lang en naar voren boogvormig afgerond is. De strandkrab, die 3 tot 4 centimeters breed is, behoort tot de algemeenste dieren aan alle Europeesche kusten en ook bij ons vindt men haar in zulke menigten, dat het strand, vooral bij eb, wemelt van de dieren, die daar, op buit belust, vol leven en beweging rondkrabbelen en zich, bij dreigend gevaar, ijlings uit de voeten maken. Zij verbergen zich dan onder de groote steenen van onze zeeweringen of begraven zich behendig onder het zand. De kleur van de schaal is lichtgrijs of groenachtig, naar voren donkerder en de punten der scharen zijn lichter; de sprieten zijn zeer kort, zooals bij alle krabben. De schaal van de strandkrab is van boven glad of fijn gekorreld en heeft aan de voorzijde vijf tanden, de voorpooten zijn eenigszins ongelijk en al de ledematen hebben een fijnkorrelige oppervlakte. Het achterlijf van het mannetje bestaat uit 5, dat van het wijfje uit 7 leden.
De wijze, waarop de krabben zich, aan het strand of in een aquarium, in hun doen en laten gedragen, is uiterst grappig, doch geeft ons tevens een niet geringen dunk van haar intellectuëele hoedanigheden, die zelfs hooger staan dan die der kreeften. Men zou deze dieren het komieke element van onze stranden kunnen noemen en ieder, die wel eens jacht op haar maakte, zal moeten toegeven, dat er nauwelijks iets potsierlijkers bestaat. Terwijl zij slecht zwemmen, kunnen zij te voet, zij het dan ook zijwaarts, met recht „beenen maken” en in het verstoppertje spelen vinden zij haars gelijken niet. Bij de geheele vervolging spreiden zij een ongelooflijke mate van list en geslepenheid ten toon. Wil men haar, terwijl zij, schijnbaar onverschillig, doch steeds waakzaam, kalm op het zand ligt, naderen, dan maakt zij zich met bliksemsnelheid uit de voeten; loopt men haar na, dan graaft zij zich ongelooflijk snel in het zand, zoodat alleen de sprieten, de oogen en de punten der scharen er boven uit komen en blijft dan, met de slimme beweeglijke oogen steeds naar alle kanten rondspiedende, stil liggen. Komt er een buit voorbij, dan wordt deze in een oogwenk gegrepen door de scharen, die ware handen zijn in behendigheid en die het dier in een oogwenk uit elkaar plukken en de onderdeelen naar den mond transporteeren. Er wordt vooral jacht gemaakt op garnalen en op de vroolijke zandspringers, die wij in fig. 8 en 9 zien. Als voedingsmiddel voor den mensch speelt deze krab, wegens het smakelijke vleesch, een belangrijke rol. Hoogst merkwaardig is ook het wonderbare herstellingsvermogen der krabben, dat hier zelfs kan ontaarden in „zelf-amputatie of zelf-verminking”, dat is: het dier zet zich zelf dikwijls zijn eigen beenen of andere lichaamsdeelen: pooten, scharen, sprieten enz. af. Deze worden soms om een bagatel opgeofferd, doch alleen tot een hooger doel nl: zoo snel mogelijk aan den vijand te ontkomen. Trekt men een krab slechts even wat onzacht aan een poot of een schaar, of prikt of snijdt men daarin, dan wordt fluks het bedreigde lichaamsdeel eenvoudig afgeworpen en in de handen van den vijand achtergelaten. De krab kan zich dan snel uit de voeten maken en het verlorene groeit toch weer aan.
De andere inheemsche soort op onze plaat is de gewone zeekrab (Cancer pagurus), fig. 11, die veel grooter is dan de vorige en wel 25 centim. breed en bijna even lang kan worden. Het schild is zacht gewelfd en min of meer korrelig van oppervlakte, en vertoont van voren drie uitstekende punten en aan den rand, ter weerszijden, negen inkervingen. De kleur van het schild is leerachtig geel, doch in het midden bruinachtig rood, terwijl de klauwen der zeer groote scharen zwart van kleur zijn. De overige pooten zijn dunner, hoekig en met korte haren bezet. Het achterlijf, de zoogenaamde „staart”, bestaat uit zeven leden. Het voedsel van de zeekrab bestaat hoofdzakelijk uit aas. Ook deze krab wordt veel gevangen en levert een smakelijke spijs. Onze visschers vangen deze dieren, vooral in Maart en April, in groote menigte en aan de kusten van Italië en Engeland vormt de vangst een gewichtigen tak van nijverheid.
Onder de krabben uit andere streken zijn er ook velen met een vreemdsoortig uiterlijk en soms met zeer eigenaardige levensgewoonten. Zoo zien wij er een in fig. 4, die in vele opzichten aan een spin doet denken en dan ook den naam draagt van groote zeespin of stekelkrab (Maja squinado). Het dier, dat 10 à 15 centim. lang is, komt in de Middellandsche zee voor en is vooral zeer algemeen in de buurt van Triëst en in die streken wordt het door de onbemiddelde klassen als voedsel genuttigd. Het behoort tot de familie der driehoekskrabben, aldus genoemd naar het driehoekige, van achteren afgeronde, naar voren smallere, roodachtige kopborststuk. Dit schild loopt in een soort van puntigen snavel, met twee scherpe stekels, uit, een krachtig verdedigingsmiddel, naar hetwelk deze krabben ook wel „puntsnaveligen” genoemd worden. Het zijn trage gezellen, met een sterk gewelfd schild, dat aan de bovenzijde met een groot aantal puntige bulten en stekels bezet is, waaronder vooral vijf zeer groote, in een rij achter elkaar, aan elk der beide zijranden. De twee voorpooten, met de scharen, zijn veel langer en grooter dan de vier volgende paren; de laatste zijn dun en van kleine klauwen voorzien. Voegen wij nu nog daarbij, dat het geheele lichaam, evenals de lange, dunne pooten, sterk behaard is, terwijl het dier meestal onbeweeglijk zit of zich langzaam en moeilijk voortbeweegt, dan zal men zich wel kunnen voorstellen, dat het volkomen den indruk maakt van een stekelige vogelspin, die op de loer zit. De zeespin werd reeds in de oudheid door de Grieken „maia”, dat is: wachteres of moedertje, genoemd en dikwijls op Grieksche munten afgebeeld. De Grieken schreven aan dit dier een hoog ontwikkeld verstand toe.
De fantastische indruk, dien deze puntsnavelige krabben maken, wordt nu dikwijls nog verhoogd door de sterk ontwikkelde neiging, om zich te „maskeeren”, te „vermommen”, waarin zij de Dromia en de Dorippe (zie bladz. 69 en 70) nog ver de loef afsteken. Zij bedekken het rugschild met wieren en poliepen van allerlei soort, om zich, als zij op de jacht gaan, voor haar prooi onkenbaar te maken en nemen die zeewieren op haar rug te veel in groei toe, zoodat zij bezwaar bij de voortbeweging zouden opleveren, dan wordt het veld gemaaid of zij punten zich de plantaardige haren met de scharen der voorpooten. Dat men hier met een opzettelijke en weloverdachte handeling te doen heeft, blijkt daaruit, dat men zeespinnen in het aquarium gebracht heeft met stukjes papier en dat zij deze toen, in plaats van de ontbrekende wieren, op haar schild plaatsten, waarbij ook de snavel goede diensten bewees, zonder er zich echter om te bekommeren, of zij er ook werkelijk aan bleven vasthechten. Dit moge nu geen blijk geven van een juist oordeel omtrent de natuur van de gebezigde voorwerpen, maar het bewijst toch, dat de dieren, bij hun zorg voor het dagelijksch brood, erover nadenken, om het ontbrekende zeewier door iets anders te vervangen, dat hen voor hun prooi onkenbaar maakt.
Deze maskeradekunsten worden echter nog overtroffen door die van een andere driehoekskrab, de Pisa (Pisa tetraödon), fig. 7, een kleinere soort, die na verwant is aan de zeespin, met een licht, roodachtig grijs, peervormig en bultig kopborststuk, dat geheel met dichte, korte viltachtige haren bedekt is, een langen gespleten snavel en tamelijk korte, knobbelige pooten.
Zijn deze dieren, die in de Middellandsche zee leven, toch reeds door hun kleur en sterke beharing moeilijk van hun omgeving te onderscheiden, zoo wordt daarop nog de kroon gezet door hun gewoonte, om zich den romp, den snavel, en zelfs een deel van de pooten, geheel en al te bedekken met sponsen, mosdiertjes en allerlei planten. Zij zijn daarmede zoo beladen, dat men het lichaam zelf nauwelijks meer kan zien en dit meer gelijkt op een wandelenden bloementuin of op een begroeiden steen (zie fig. 7). Deze planten, sponsen enz. worden dikwijls door het dier uit den bodem getrokken en door middel van den spitsen snavel op zijn rug geplant of aan de haren en stekels vastgeprikt. Men heeft zelfs opgemerkt, dat sommige soorten van Pisa deze zonderlinge lichaamsbedekking, als een soort van draagbaren „moestuin”, ten eigen bate aanwenden en van tijd tot tijd eens van den eigen voorraad, als versnapering, snoepen of elkaar wederkeerig de kolonies van mosdiertjes of poliepen van elkaars huid wegstelen en opeten.
Ook de buitenmodelskrab van fig. 2, de Inachus (Inachus chiragra), behoort tot dezelfde familie als de beide vorige soorten en bezit dus ook een driehoekig schild met een spitsen snavel, die hier echter de bijzonderheid vertoont, dat hij bladvormige aanhangsels heeft, die doen denken aan de „bladsprieten” van den meikever. Het lichaam en de pooten hebben een oneffen, knobbelig en gekorreld uiterlijk en maken den indruk, alsof hier een verminkt dier voor ons staat. De vier achterste paren pooten zijn zeer lang en dun, het tweede paar is zelfs buitengewoon groot en nog langer dan de voorste schaarpooten; zij dienen dan ook niet voor het loopen, doch worden door de krab meer als balanceerstokken gebezigd (zie fig. 2) en zijn steeds sterk met wieren bezet. De kleur van het dier is bruinachtig rood, de bovenzijde van het lichaam is naakt, doch de onderzijde en de pooten zijn met afzonderlijke gele haarbundeltjes bedekt, de klauwen alleen aan de onderzijde. Deze soort is 2 à 3 centim. lang en komt in de Middellandsche zee voor. In de Japansche zeeën leeft een andere soort van hetzelfde geslacht: de reuzenkrab (Inachus Kämpferi), die inderdaad reusachtige afmetingen heeft. De romp van dit dier is een halven meter lang, de schaarpooten hebben een lengte van 1,5 meter en de dikte van een menschendij; met uitgespreide pooten beslaat hij een lengte van meer dan 3 meters. Dit is niet slechts de Goliath onder de krabben, maar tevens het grootste schaaldier van de geheele wereld.
Om de rijen der krabben te sluiten, vermelden wij nog en paar zonderlinge snuiters. Fig. 5 stelt voor de lambrus (Lambrus mediterraneus) uit de Middellandsche zee, waar zij vooral bij Nizza, Toulon en Genua, en verder op nog bij Napels gevonden wordt. De kleur van dit dier is roodachtig, het lichaam is iets breeder dan lang, zeer oneffen en ruw, met vele knobbels en puntige stekels bezet, vooral aan den rand. Buitengewoon groot en zwaar zijn de, van scharen voorziene, binnenwaarts gebogen, ruw gekorrelde voorpooten; zij zijn van boven en aan den binnen- en buitenrand met puntige, vertakte stekels—aan de onderzijde met bruine knobbeltjes bedekt. De overige pooten zijn veel kleiner en dunner en dragen slechts enkele stekels. En in de Adriatische zee leeft de Neptunuskrab (Neptunus Sayi) van fig. 6, die weer meer met de gewone krabben overeenkomt, 8-9 centim. lang en 17-18 centim. breed is. Het borstschild is breed en plat en vuil groenachtig bruin van kleur, met witte vlekken. Het schild heeft aan weerszijden een sterken doorn en de voorste rand is getand. Het achterste of vijfde paar borstpooten is aan de uiteinden sterk verbreed. Dit dier zwemt vrij rond, tusschen de Sargassum-wieren (een zeeplant) en voedt zich ook daarmede.
En nu gaan wij de krabbelende monsters van het strand verlaten en begeven wij ons naar de vroolijk huppelende en zwemmende schare van onze plaat, die veel kleiner van afmetingen zijn en niet meer tot de krabben, doch tot de lagere kreeften behooren. Daarom hebben zij ook een goed ontwikkeld achterlijf en dus een langwerpiger lichaam, want zij zijn verwant aan de vlookreeften, die wij vroeger in het zoete water ontmoet hebben. Ook uiterlijk komen zij daarmee veel overeen en evenzoo gelijken zij onderling veel op elkaar, zooals wij uit de figuren 1, 3, 8 en 9 zien.
Deze kleine kreeftjes behooren, evenals de, vroeger besproken, vlookreeften en pissebedden (bladz. 3 en 44), tot de orde der vastoogige kreeften of ringkreeften, die, wat het aantal der lichaamsringen en ledematen betreft, met de gewone kreeften overeenkomen, doch wier borstringen min of meer vrij en beweeglijk zijn, terwijl de oogen niet op stelen staan, doch onbeweeglijk en vast zijn. De beide diertjes van fig. 8 en 9 behooren tot de strandspringers, die gekenmerkt zijn door een sterk zijdelings afgeplat lichaam, terwijl zij bij rust en bij het zwemmen op de zijde liggen. De achterste sprieten zijn buitengewoon lang, de voorste weinig ontwikkeld. De beide voorste paren pooten zijn kort en dienen slechts tot grijpen, waartoe, bij het voorste of bij beide paren, het eerste lid als een vinger naar binnen omgeslagen kan worden. De twee volgende paren worden voor het loopen gebruikt en de drie laatste paren zijn zeer groot en sterk, ware springpooten, zooals die van de vloo. Inderdaad is het springen hun lust en hun leven, daarin zijn zij ware meesters: het zijn de gymnasten van het strand.
Wandelt men ’s zomers of in den herfst, vooral bij warm weer, langs het strand, dan staat men dikwijls verbaasd over de ontzettende menigte van kleine, blinkend witte diertjes, van ongeveer 2 centim. lang, die om onze voeten heenspringen en waarvan wij er, bij elken stap, talrijken vertreden, daar zij in kleur nauwlijks van het zand zijn te onderscheiden. Dit is de zandspringer of zeevloo (Talitrus locusta), fig. 8, die soms, bij millioenen tegelijk, over onze stranden huppelen en springen, dikwijls, als ware gymnasten, wel een voet hoog, waarbij ook het omgebogen achterlijf meewerkt, daar zij dit plotseling kunnen uitstrekken. Hier is alleen het tweede paar pooten van een grijpvinger voorzien. Deze diertjes komen algemeen langs alle kusten van Europa voor en wel overal daar, waar de zee wieren op het strand werpt, die hun tot voedsel dienen. In het water zelf komen zij slechts zelden voor; zij volgen steeds de eb en worden dan met den volgenden vloed, met de wieren, door de zee op het strand aangespoeld. Met geweldige sprongen ontvluchten zij daar hun aartsvijanden: de zeevogels en krabben, die verzot zijn op deze kreeftjes, en alleen hun gymnastische toeren doen hen dan menigmaal letterlijk „den dans ontspringen”. Om te rusten graven zij zich in het zand van het strand, in den winter onder rottend zeewier. Hun collega en metgezel van fig. 9, die veel op hen gelijkt, is de strandspringer of strandvloo (Orchestia littorea); hij is grooter, 2,5 centim. lang, wordt insgelijks in massa’s aan alle kusten van Europa aangetroffen en komt ook overigens, zoowel in uiterlijk als in levensgewoonten, veel met den zandspringer overeen; alleen zijn hier de voorste sprieten wat langer en hebben de beide voorste paren pooten een grijpvinger.
Terwijl de beide vorige soorten van kreeftjes nauw verwant zijn aan de pissebedden, zonder echter daartoe te behooren, zien wij, bovenaan links op Plaat VIII, ook een werkelijke pissebed: de boorpissebed (Limnoria terebrans), fig. 1, die veel in de Noordzee voorkomt, bruinachtig groen van kleur en slechts 2 tot 5 centim. lang is; in uiterlijk doet zij wel eenigszins denken aan een insektenlarve. De sprieten zijn hier zeer kort en het laatste lid van het achterlijf vormt een breede staartplaat, met zijdelingsche aanhangsels. Het geheele lichaam is met dichte haarborstels bezet. Hoe klein dit diertje ook is, zoo kan het toch de grootste verwoestingen aanrichten aan het, door het water bedekte, houtwerk van havenhoofden, paalwerk enz., door zich daarin te boren en er in alle richtingen gangen door te graven, zoodat het dier in schadelijkheid den paalworm niet veel toegeeft. Bovendien ondervindt het geen nadeel van het terugwijken van het water bij eb, daar het in zijn gangen, ook buiten het water, dagenlang in leven blijft.
En nu blijft ons nog het kreeftje over van fig. 3, rechts boven in den hoek, een curieus diertje uit de Middellandsche zee, dat er uitziet, alsof het in een luchtballon in het water opstijgt of als een schipper, die in een schuitje vaart. Het draagt dan ook den naam van schipperkreeft (Phronima sedentaria), en behoort tot de parasietische kreeften, dat is: het kookt niet zijn eigen pot, doch leeft in en ten koste van een ander dier. Het diertje zelf komt in vorm en maaksel weer grootendeels overeen met de vlookreeften en met de zeevlooien van fig. 8 en 9, is bijna doorschijnend, met roode puntjes, heeft een grooten ovalen kop, met kolossale oogen, die bijna den geheelen kop beslaan, weinig ontwikkelde sprieten en een dun achterlijf, dat van krachtige zwempooten voorzien is. Het vijfde paar borstpooten is gewapend met geweldige grijptangen.
Man en vrouw hebben hier een volkomen verschillende levenswijze, zelfs laat eerstgenoemde zich met zijn wederhelft niet anders in dan voor de paring. Terwijl het mannetje verder vrij rondzwemt, zoekt het wijfje, nadat het de eitjes in een taschje van het kopborststuk gelegd heeft, bij een ander, en nog wel bij een vreemde, onder dak te komen, ten einde, tijdens de ontwikkeling van haar kroost, gratis kost en inwoning te hebben. Zij zoekt daartoe één der fraaie, doorschijnende tonnetjes op, welke den uitwendigen, gemeenschappelijken mantel voorstellen, waarin zich een talrijke kolonie van vuurlijven (Pyrosoma) bevindt, welke tot de zoogenaamde „manteldieren” behooren en die wij op de volgende plaat nader zullen ontmoeten. De vrouwelijke schipperkreeft treedt de, aan beide zijden open, kristalheldere woning binnen en begint zich daar reeds dadelijk zoo gerieflijk mogelijk in te richten, door de rechtmatige bewoners—niet buiten de deur te zetten—doch zich daarvan te ontdoen door een veel radikaleren maatregel, en wel: ze eenvoudig allen op te eten. En als zij dan het huis alleen heeft, dan zwemt zij verder in die glasheldere ton, met haar geheele nakomelingschap rond, waarbij de schuit in beweging gebracht wordt, door de zwempooten van het achterlijf, die uit de ééne opening naar buiten uitsteken. Somtijds verlaat zij dit glazen paleis en zwemt dan behendig vrij rond, om een nieuw te zoeken, welks bevolking zij opnieuw verslindt, om er dan in te vertoeven, tot haar kroost volwassen is: inderdaad een uiterst praktische levensopvatting!
IX.
Plate