PLAAT IV.
LEVEN EN BEDRIJF IN VIJVERS EN ZACHT VLIETENDE WATEREN.

Hier worden wij nogmaals verplaatst in het gebied van het zoete water, in vijvers of zachtvlietende beekjes, waar zich het leven en bedrijf van zeer uiteenloopende diervormen weer op interessante wijze afspelen.

Reeds dadelijk valt ons oog op een hoogst zonderling gebouwd wezentje, dat, in den linker bovenhoek van onze waterpartij, tusschen waterplanten rondzwemt (fig. 1). Dit is weer een vertegenwoordiger van de kreeftachtigen of schaaldieren en wel: een lid van de familie der kieuwpootigen, waarvan wij, op bladz. 3 reeds een nabestaande ontmoet hebben. De kieuwpoot van fig. 1 behoort tot het geslacht Branchipus, en heeft een zachte huid, zonder schaal of schild, is zeer langwerpig van vorm, melkwit van kleur en bezit een duidelijken kop, met twee samengestelde, gesteelde oogen en twee paar sprieten. Het achterlijf draagt geen ledematen en eindigt in twee vertakte, beweegbare aanhangsels. Aan het kopborststuk daarentegen bezit het dier, in volwassen staat, niet minder dan 11 paar roeipooten, waaraan van boven de kieuwzakjes bevestigd zijn.

Het is een zeer curieus gezicht, als men het diertje zich door het water ziet voortroeien; het licht dan achtereenvolgens al de paren kieuwpooten op en doet daarbij onmiddellijk aan een miniatuur raderstoombootje denken. Aan de buitenzijde van de beide voorste borstringen bevindt zich een zakvormige broedruimte voor de eitjes en uit deze ontwikkelt zich eerst een larve met slechts 3 paren pooten. Bij elke volgende vervelling ziet deze echter het aantal harer pooten toenemen. Het diertje leeft in stilstaande zoete wateren en komt dikwijls zelfs in menigte voor in waterplassen, die door de zomerregens op kleiwegen gevormd worden.

In fig. 5 zien wij nog een ander schaaldier, welks aanwezigheid men hier in den waterplas zeker allerminst zou verwachten en dat men misschien tusschen dit gezelschap van echte waterdieren als toevallig verdwaald zal beschouwen. Het is namelijk, gelijk wij dadelijk op het oog reeds zien, één van die diertjes, welke antwoorden op den onkieschen naam van „pissebedden”, en wel: de zoetwater-pissebed (Asellus aquaticus). Zij komt in al onze slooten en vijvers algemeen voor en is dus de naaste verwante van onze oude, getrouwe kelderpissebed of steenmot. En als men de levensgeschiedenis van deze laatste kent, dan heeft ook de aanwezigheid van haar nabestaande in het water niets onbegrijpelijks meer.

Men wete namelijk—hoewel velen het nauwelijks zullen kunnen gelooven—dat onze gewone pissebed eigenlijk niets anders is dan een kreeftachtig schaaldier. Als zoodanig herkent men haar, bij nadere beschouwing, dan ook werkelijk door haar vrij harde huid, de twee paren sprieten, het groot aantal ledematen en.... door hare ademhaling door kieuwen, bestaande uit vliezige plaatjes, waarin de ledematen van het achterlijf vervormd zijn. Zoo hebben wij hier dus te doen met een landdier, dat door kieuwen ademt, als ’t ware een kreeft op het droge, een zeer curieus geval dus, maar dat volkomen begrijpelijk wordt, als wij weten, dat ook de keldermot oorspronkelijk—lang en lang geleden, in vóór-wereldlijke tijden—insgelijks een echte bewoner van het water was, die eerst later, uit nood gedrongen, zijn eigenlijk element verliet en, om zijn bestaan te redden, tegen wil en dank het land voor lief heeft genomen, maar daar dan nu ook wel eenigszins zit als een visch op het droge. Vandaar juist, dat hij elke omgeving, die maar eenigszins droog is, angstvallig vermijdt en het liefst vertoeft in vochtige, met waterdamp bezwangerde ruimten, waar zijn kieuwen vochtig blijven, dus in kelders, onder vochtige steenen, in bloempotten enz. En brengt hij eens, bij hooge uitzondering, een vluchtig bezoek aan onze gangen of kamers, dan geldt dit ook als een zeldzaamheid, als een bewijs van vochtigheid der lucht, hetgeen hem een plaats heeft verleend onder de tallooze voorspellers van nat weer.

Doch nu zal men er zich niet langer over verwonderen, dat de pissebed van fig. 5, die haar familielid, bij den gewichtigen stap van het water naar het land, niet is gevolgd, zich in onzen vijver volkomen op haar gemak gevoelt. Daar is zij juist in haar element en, daar zij de edele zwemsport niet beoefent, doch op haar beenen door de wereld moet gaan, maakt zij daar zelfs groote wandelingen over den bodem en tusschen de waterplanten, want zij beweegt zich zeer gemakkelijk en snel.

Het diertje is groenachtig bruin van kleur en hoogstens 1,5 centim. lang; de binnenste sprieten zijn zeer groot en de pooten aan de achterste leden zijn grooter dan die aan de voorste. Van de keldermot onderscheidt zich de zoetwater-pissebed verder nog door een langwerpiger lichaam en door de kortere ringen van het achterlijf, waarvan alleen de laatste zeer groot en schildvormig is. Doch ook zij heeft—zelfs nog meer dan haar familielid in den kelder—een heiligen afkeer van alles, wat naar droogte zweemt. Als dus in den zomer de slooten uitdrogen, graaft zij zich zoo spoedig en zoo diep mogelijk in het slijk, om gunstiger tijden af te wachten en bij den terugkeer van het water tot een nieuw en beter leven te ontwaken. Hetzelfde doet zij in den winter tot het houden van een winterslaap. Ten slotte nog iets bijzonders van dit dier; het draagt zijn hart, althans volgens onze begrippen, volstrekt niet op de rechte plaats of ten minste in een minder gebruikelijk lichaamsdeel, namelijk: in het achterlijf.

Evenmin als pissebedden, zou men, hier in den waterplas, spinnen verwachten en toch zien wij in fig. 3 een lid van deze klasse der gelede dieren druk in de weer, namelijk: de waterspin (Argyroneta aquatica), die algemeen in stilstaande of zwak stroomende wateren in ons land voorkomt. Zij verraadt, in alle opzichten, door haar uiterlijk, de familietrekken der spinnen en wel: vier paren pooten, bevestigd aan het, uit kop en borst vergroeide kopborststuk, het dikke achterlijf, dat van achteren van spinklieren voorzien is, waaruit een vocht afgescheiden wordt, dat in het water tot „spindraden” verhardt, en verder nog door het gemis van sprieten, doch het bezit van twee paren, tot monddeelen of kaken vervormde pooten: de kaaksprieten, waarin een giftklier uitmondt. Dan bezit het dier, zooals alle spinnen, vier paren enkelvoudige oogen, die aan den voorrand van het kopborststuk geplaatst zijn en wel: 6 vooraan in een boog en het vierde paar binnen dien boog.

De waterspin is 14 millim. lang, roodbruin van kleur, heeft een langwerpig, gesteeld achterlijf en donkerbruine, sterk behaarde pooten. Zij zwemt met den buik naar boven, die onder water, evenals het onderste gedeelte van het borststuk, kwikzilverachtig glinstert, tengevolge van de luchtlaag, die aan de talrijke haren van het achterlijf blijft vasthechten.

De spinnen ademen echter door longen en het zijn dus feitelijk luchtdieren. Het zijn dan ook alleen bijzondere bezigheden, die deze spin in het water doen vertoeven; in weerwil daarvan is en blijft het echter een echt luchtdier, dat, voor de ademhaling, steeds met de buitenlucht voeling moet houden en telkens naar de oppervlakte moet terugkeeren. Vooreerst zoekt zij haar voedsel hoofdzakelijk in het water en overmeestert daar haren buit, uit allerlei waterinsekten en zoetwaterkreeftjes bestaande, door flink te zwemmen en behendig tegen waterplanten op te klimmen. Daarbij beschikt zij steeds over een voldoenden voorraad aan lucht, die zij van de oppervlakte, tusschen de haren van haar lichaam, ook in de buurt van de longen, heeft meegevoerd.

Maar bovendien heeft deze spin in het water nog een ander interessant werkje te verrichten, dat in verband staat met de zorg voor de nakomelingschap. Waterspinnen zijn niets meer of minder dan fabrikanten van duikerklokken. Van haar spindraden vervaardigt het dier, onder water, een nest van dicht weefsel, zoo groot als een half duivenei, dat een ronden vorm heeft en van onderen open is; het wordt aan waterplanten vastgesponnen (zie fig. 3a). Van onderen kan er echter geen water indringen, want het wordt, evenals een duikerklok, geheel met lucht gevuld, waartoe het dier telkens naar boven klimt en van boven de wateroppervlakte lucht meevoert, die in de klok van de haren, door middel van de achterpooten, afgestreken wordt.

In het bovenste verwulf van deze duikerklok wordt dan een warm nestje of cocon gemaakt, dat helder wit is als sneeuw en er uitziet als watten. Daarin worden de eitjes gelegd, welke door de moeder met veel zorg bewaakt worden, want zij verjaagt nadrukkelijk allerlei kleine waterroovers, die hun zinnen op een paar van de verleidelijke eitjes gezet hebben. Daar de lucht in de klok dikwijls ververscht moet worden, spint zij, ten einde dit snel en gemakkelijk te kunnen doen, van stengel tot stengel draden naar de oppervlakte, die zij als ladder gebruikt en waarover zij zeer snel voortglijdt.

Welk een rijk vernuft en hoeveel verstandig overleg zetelt er in het kleine zenuwknoopje, dat in den kop van de spin de rol van onze hersenen vervult! Op alle omstandigheden, die aan haar kleinen schade zouden kunnen toebrengen, wordt zorgvuldig acht geslagen, in alle noodige reparaties van het kunstwerk weet zij op voorbeeldige wijze te voorzien. En wat ons hier vooral aangenaam aandoet, dat is de goede harmonie, die bij dit alles tusschen de beide echtelieden: spinneman en spinnevrouw, blijft bestaan. En dit is een zaak, die anders in de spinnenwereld veel te wenschen overlaat; de verhouding is daar dikwijls zeer gespannen en, tot schande van den man, moeten wij erkennen, dat hier de vrouw het heft in handen heeft. Wat meer zegt: bij onze gewone kruisspin, die in haar web aan de tuinschutting zit, gebeurt het niet zelden, dat het veel kleinere mannetje—en dat nog wel in den bruidstijd, als hij zijn huwelijksaanzoek komt wagen—eenvoudig door het groote en steeds hongerige wijfje wordt opgeslokt.

Bij de waterspin zijn de verhoudingen van den echt vrij wat vriendschappelijker, waarschijnlijk ook daardoor, dat hier, tegen den regel in, het mannetje wat meer „mans” en grooter is, en zich dus niet alles van zijn wederhelft laat welgevallen, hetgeen in elk geval meer respekt afdwingt. En zoo zien wij dan ook, dat, hoewel het voornamelijk het wijfje is, dat de werkzaamheden aan het nest verricht, zij daarbij toch door haren echtvriend trouw wordt bijgestaan. Toch schijnt ook hier moeder de vrouw in geestelijk opzicht veel hooger te staan: manlief is met den besten wil bezield, maar hij is minder bedeeld met vernuft en overleg, waardoor hij meestal in den weg loopt en de vrouw hem het werk uit handen neemt.

Ter linkerzijde van de waterspin kronkelt zich weer één dier bloeddorstige ringwormen, die in den vijver zijn spel drijft met het vervolgen van zijn buit: slakken, kikkerlarven enz., van wier bloed hij leeft (fig. 2). Ditmaal hebben wij nu te doen met den echten, medicinalen bloedzuiger (Hirudo medicinalis), die, zooals reeds op bladz. 8 vermeld werd, gekenmerkt is door het geringde lichaam, de drie halfcirkelvormige, scherp getande kaakplaten in den mond, die in den voorsten zuignap ligt, en door het bezit van 5 paar oogen. Met de kaakplaten zaagt het dier bij zijn slachtoffer de huid open, waardoor ook de bloedvaten geopend worden en door den zuignap het bloed uit de wond wordt gezogen. Daarbij zwelt het lichaam, dat zich sterk kan uitzetten, verbazend sterk op, zoodat het somtijds driemaal de normale dikte bereikt. Want de slokdarm eindigt in een kolossale maag, die bovendien nog van talrijke zijdelingsche, zakvormige blinde aanhangsels voorzien is. Voor die buitengewone gulzigheid kunnen echter verzachtende omstandigheden gepleit worden; het dier moet namelijk groote hoeveelheden bloed verzamelen voor de tijden van nooddruft, daar het soms maandenlang moet vasten, als de gelegenheid tot bloeduitzuigen zich niet voordoet.

De kleur van den medicinalen bloedzuiger is groen, min of meer naar het bruine overhellend, en over beide zijden van den rug loopen drie smalle, overlangsche gele banden. De buikzijde is afgeplat en het lichaam loopt naar voren en naar achteren smaller toe. Het dier komt, vooral in Frankrijk en Hongarijë, in zoet water voor en wordt bij ons wel in vijvers of bakken gekweekt voor het gebruik in de geneeskunde, om overvloedig bloed bij de patiënten weg te zuigen. Daar echter de tegenwoordige menschheid niet veel over een overmaat van bloed te klagen heeft, doch integendeel een groot percentage juist aan bloedarmoede lijdt, zoodat men er meer op uit is, om haar meer bloed te verschaffen, is die toepassing van de bloedzuigers, en dus ook het kweeken van die dieren, sterk verminderd. Voor het vangen gaan mannen met bloote beenen in de kweekvijvers en men grijpt de dieren dan, zoodra als zij zich op de huid zetten, of men brengt ook wel doode dieren in het water, waarop zij zich vastzetten. In den zomer boren de wijfjes zich in de aarde aan den oever en leggen daar eieren.

Op den bodem van onzen vijver ligt, op den voorgrond, nog een worm, die tot een geheel andere klasse behoort, namelijk tot de, reeds op bladz. 8 genoemde, draadwormen. Het is de koordworm (Gordius aquaticus), fig. 7, die zoowel in ondiepe stilstaande, als in zwakvlietende wateren gevonden wordt. Dit dier heeft inderdaad veel van een dun koord, vooral het mannetje is zeer lang (dikwijls tot 1 meter) en dun (1 millim.), het wijfje is kleiner. Het lichaam is bruin of geelachtig van kleur, loopt naar voren langzaam dunner uit en het dier ligt gewoonlijk, zooals wij in de figuur zien, op den bodem tot een kluwen opgerold. Het zijn vreemdsoortige wezens, die noch darmkanaal, noch aarsopening bezitten, zoodat de mond dadelijk in de lichaamsholte uitkomt.

Niet minder merkwaardig is de levensgeschiedenis van den koordworm. Alleen het volwassen dier leeft vrij in het water; in zijn jeugd leeft het parasietisch in andere waterdieren. Uit de eitjes, die in snoeren in het water gelegd worden, komen zeer kleine jongen van zonderlingen vorm; het voorste gedeelte van hun lichaam is cylindervormig, met een dubbelen krans, ieder van 6 haakjes, op de plaats van den mond en tusschen deze bevindt zich een hoornachtige slurf; het achterlijf eindigt in een dunnen staart. Deze larven boren zich, met hun slurf en haakjes, in het lichaam van waterinsekten, spinnen en schaaldieren, waar zij zich in de spieren vastzetten en inkapselen—op de wijze van de trichinen bij het varken—en daar een toestand van rust doorleven. Worden nu deze waterdieren, met de ingekapselde larven, door een visch of roofkever verslonden, dan ontwikkelt zich, eerst in het darmkanaal van deze „gastheeren” tegen wil en dank, het geslachtsrijpe dier, dat daarna dit gastvrije oord verlaat, in het water volwassen wordt en weer eieren legt.

Van de afdeeling der weekdieren treffen wij in onzen vijver nog een schelpdier en eenige slakken aan.

Van het eerstgenoemde zien wij, in het midden, twee prachtige exemplaren van de rivier- of stroommossel (Unio pictorum), fig. 8, meestal „verfmossel” genoemd, omdat de groote schelpkleppen vroeger wel door de schilders gebruikt werden. Deze schelpen komen bij ons overal in zacht stroomend water, beken en rivieren voor; zij hebben dikwijls een lengte van 8 tot 10 centimeters en de schaal is langwerpig ovaal, tamelijk stevig en dik, en van achteren voorzien van een sterken, langen en rechten slotband. De kleur der schelp is licht geelachtig groen, met ongelijke bruinachtige dwarsbanden. De binnenzijde van de schelp is bedekt met een fraaie, glinsterende paarlemoerlaag en daaraan zijn twee sterke sluitspieren bevestigd, waarvan de spierindruksels, evenals de indruk van den mantel, op de binnenzijde duidelijk te zien zijn en waarmede het dier de beide kleppen met geweld op elkaar kan doen sluiten. Eigenlijke sipho’s (zie bladz. 14) zijn niet voorhanden, maar de mantel is, in de buurt van de kieuwstreek, dicht bij de uitstroomingsopening, van talrijke franje-achtige aanhangsels voorzien, die aldaar een soort van adembuis vormen.

Als de eitjes gelegd zijn, gaan deze niet dadelijk naar buiten, doch verschuilen zich eenigen tijd tusschen de plooien van de kieuwen, waar zij zich ontwikkelen. Na een zekeren tijd worden de, nog weinig ontwikkelde, larven naar buiten verwijderd, doch ook dan kiezen zij nog niet op eigen hand het vrije sop, doch hangen zich, door middel van de byssusdraden (zie bladz. 15), aan visschen op, waarmede zij gratis uit spelevaren gaan, tot zij een verdere gedaanteverwisseling hebben ondergaan en zich, na eenige maanden, naar beneden laten vallen, om daar verder tot volwassen mossels uit te groeien.

Eindelijk zien wij, onder de bevolking van den vijver, nog eenige slakken, allen, behalve die van fig. 6, tweeslachtigen, die dus ook boven de oppervlakte van het water kunnen ademen (zie bladz. 16). Het zijn drie soorten van poelslakken, waarvan wij reeds op plaat III (bladz. 41) een bekende soort ontmoet hebben.

Hier hebben wij vooreerst, op een kluwen van dooreen gegroeide planten, de moeras-poelslak (Limnaea palustris), fig. 4, die een langwerpig eirond huisje, met 6-7 omgangen heeft, waarvan de laatste zeer groot is, terwijl de top zeer puntig uitloopt. Het horentje is dun, doch stevig, half doorschijnend, van een bruine of vaal hoornachtige kleur en is bedekt met afgebroken ingedrukte dwarsstrepen. Deze slak verlaat het water slechts zelden, terwijl de verwante familieleden der poelslakken, zooals wij op bladz. 42 zagen, gaarne van tijd tot tijd op het land vertoeven. Fig. 10 stelt een ander familielid voor: de oorvormige poelslak (Limnaea auricularia), aldus genoemd naar den grooten, oorvormigen mond van het zeer gezwollen en bolle huisje, dat echter een spitse punt heeft en licht hoornkleurig is, met fijne, tralievormige strepen. Ook deze soort verlaat het water nooit en vertoeft het liefst in stilstaand water, met modderigen bodem. Hetzelfde is het geval met de begroeide poelslak (Limnaea peragra), van fig. 9, die vaal hoornkleurig of bruingrijs van kleur is, doch overigens, in de meeste opzichten, met de beide vorige soorten overeenkomt.

Dan is er, ten slotte, ook nog een echte kieuwslak in den vijver, dus een soort, die uitsluitend in het water kan ademhalen (zie bladz. 17), namelijk: de diepslak (Bythinia tentaculata), fig. 6, een klein waterslakje, van 8 millim lang, met een verlengd eivormig, buikig huisje, van barnsteengele, hoornachtige of rossige kleur. Zij komt in bijna al onze stilstaande wateren voor.

V.

Plaat