PLAAT XIX.
DE KLEINE BOUWMEESTERS VAN DEN OCEAAN.

Allerwegen in de natuur is men getuige van de groote beteekenis van „de macht van het kleine”, doch het merkwaardigste voorbeeld daarvan leveren ons zeker wel de grootsche en reusachtige bouwwerken in den oceaan, die door den rusteloozen arbeid van de nietigste aller bouwmeesters: de koraaldieren, opgetrokken zijn, onder het devies: „eendracht maakt macht.”

Onze plaat geeft daarvan verschillende fraaie en interessante voorbeelden te zien, hoewel men uit de stukken „koraal”, die wij als sieraad gebruiken of in onze verzamelingen zien, nog slechts een flauw denkbeeld verkrijgt van den reuzenarbeid dier onaanzienlijke wezens. Want daaraan is niet slechts het ontstaan van de tegenwoordige koraalriffen en koraaleilanden te danken, doch in den grijzen oertijd der aarde hebben deze miniatuur-bouwlieden nog geheel ander werk geleverd en vele kalkgebergten, zooals de beroemde, romantische „dolomieten” in de Tiroler Alpen, met hun machtige toppen, die telkenjare door duizenden beklommen en bewonderd worden, ja zelfs het gansche, onafzienbare Juragebergte, bestaan uit niets anders dan de kernen der koraalmassa’s, die, in vroegere aardperioden, door de rifvormende koraalpoliepen in den oceaan opgebouwd en, in latere perioden, door het rijzen van den zeebodem, als bergketens uit de wateren van den oceaan opgeheven werden.

De bloempoliepen, die dezen bewonderenswaardigen arbeid verrichten, en waarvan wij reeds vroeger (bladz. 173) de algemeene organisatie beschreven en door een figuur (fig. N, bladz. 174) in schets voorstelden, behooren, wel is waar, tot dezelfde klasse der darmholtedieren als de heerlijke „zee-rozen” en „zee-anemonen”, die wij in onze aquaria bewonderen (bladz. 173 en 176), doch terwijl deze laatsten afzonderlijk op zich zelf blijven leven, hebben wij bij de koraalpoliepen te doen met uitgebreide kolonies van poliepen, wier leden met elkaar verbonden blijven en, door een hard skelet van koolzure kalk gesteund, op den bodem van den oceaan bevestigd blijven.

De vorming van zulk een koraalstok heeft nu op de volgende wijze plaats. Uit het eitje, dat uit den mond van één der diertjes van den stok ontsnapt is, vormt zich eerst een larve, die eenigen tijd vrij rondzwemt en zich later ergens op een rots of kust, op niet te groote diepte onder den waterspiegel, vastzet. Daar groeit zij uit tot een miniatuur zeeroosje of zee-anemoontje, volkomen gelijk aan die van fig. N op bladz. 174, en die dus inwendig ook de straalvormige tusschenschotten in de lichaamsholte vertoont, die deze dieren onderscheiden van de gewone kwalpoliepen.

Aan den onderkant van zijn cylindervormig lichaam begint dit zeeroosje nu koolzure kalk af te scheiden, zoodat zich eerst een kalkplaat vormt, die het dier vast met den bodem verbindt. Doch daarna heeft verdere kalkafscheiding plaats aan de oppervlakte van het lichaam: eerst verheffen zich van de onderste kalkplaat langzamerhand opstaande lijsten, wier buitenwanden vervolgens door een ringmuur verbonden worden, zoodat ten slotte het geheele dier door een omhulsel van kalk omgeven is.

Dit diertje gaat zich nu door knopvorming en deeling vermenigvuldigen, welke knoppen echter met het moederdier verbonden blijven en tot volwassen dieren uitgroeien. Deze scheiden allen aan hun onderzijde en oppervlakte ook weer kalk af, zoodat de kalkmassa zich evenzoo vertakt als de weeke lichaamsmassa der dierkolonie zelf en er ten slotte een kleinere of grootere poliepenstok ontstaat, in wier openingen de kleine bloempoliepjes zitten en hun armpjes verlangend uitstrekken, om water, en daarmede ook voedsel, aan te voeren. Daar intusschen ook de straalsgewijze tusschenschotten—die hier, evenals de vangarmen, steeds ten getale van 6 of een veelvoud daarvan voorhanden zijn—verkalken, ziet men later in elk stuk koraal nog duidelijk de fraaie, straalvormige sterretjes daarvan. Naarmate de oudere dieren afsterven, bouwen de jongeren, die door de voortdurende knopvorming en vertakking ontstaan, daarboven steeds voort en geven ten slotte het aanzijn aan de machtige bouwwerken, die wij in de koraalriffen en koraaleilanden der tropische zeeën ontmoeten en waaruit, in vroegere aardperioden, zelfs de reusachtige onderzeesche koraalmassa’s ontstaan zijn, die later, als gebergten, boven den oceaan opgeheven zijn.

Wat wij hier beschreven hebben, zijn de zoogenaamde „steenkoralen”, aldus genoemd, omdat de weeke dieren in een harde, steenachtige, vertakte massa besloten zijn en waarvan zelfs de tusschenschotten versteend zijn. Dit zijn de voornaamste rifbouwende koralen, waarvan de figuren 2, 3, 4, 5, 11 en 12 op de plaat voorbeelden zijn.

Er bestaat echter nog een andere groep van koraaldieren, die op de plaat door de figuren 1, 6, 7, 8, 9 en 10 vertegenwoordigd zijn, en die zich van de vorige onderscheiden door het aantal der vangarmen en maagtusschenschotten—dat hier steeds acht of een veelvoud daarvan bedraagt—terwijl die tusschenschotten hier nooit verkalken, doch steeds week blijven. Een belangrijk verschil met de steenkoralen is verder, dat bij deze tweede groep het skelet òf slechts uit afzonderlijke kalklichaampjes bestaat en de stok dan meer lederachtig blijft, òf die kalklichaampjes vergroeien tot een inwendige steenharde as, waar de weeke massa van den poliepenstok, als een schors, omheen zit. De diertjes zelf blijven hier dus steeds geheel zacht en kunnen zich ver uitstrekken en weer terugtrekken, doch niet in openingen van de harde kern. Daarom noemt men deze groep: schorskoralen en hoewel ook deze koralen harde stokken vormen, zoo bereiken deze toch nooit de aanzienlijke uitbreiding der echte rifbouwende steenkoralen. Wij zullen beginnen met de schorskoralen.

En daarbij is wel het eerst het beroemde bloedkoraal of roode edelkoraal (Corallium rubrum) van fig. 1 aan de beurt, de kostbaarste soort van de geheele klasse, die bijna alleen in de Middellandsche en Adriatische zee voorkomt, op diepten van 70 tot 180 meters. Het wordt door Italiaansche visschers opgevischt met groote netten, die aan een kruis van zware balken bevestigd zijn. Van deze kostbare stof wordt jaarlijks voor een waarde van 3 à 4 millioen gulden in den handel gebracht. De stam van dit koraal bestaat uit talrijke fijne kalklagen van mikroskopische struktuur; de as is met fijne overlangsche groeven bedekt, waarin de onderste laag van de kanalen, die het voedingssap aanvoeren, gelegen zijn. De harde as is boomvormig vertakt, rood of rozerood van kleur, de schorslaag is rood tot oranjerood en de poliepen zelf zijn klein en wit van kleur. De stokken, die tot 30 centim. lang kunnen worden, zijn meestal, in horizontalen of benedenwaarts gerichten stand, aan den onderkant van overhangende rotsen bevestigd.

Tot de schorskoralen behoort ook het wrattige hoornkoraal (Gorgonia verrusca) van fig. 7, waar de stok sterk boomachtig vertakt is en de as uit vergroeide kalklichaampjes en hoorndeeltjes bestaat. De zich uitbreidende takken zijn min of meer waaiervormig, met talrijke poliepen, die onregelmatig verspreid, doch weinig zichtbaar zijn. De kleur der schors is witgrijs. Deze soort leeft in de Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan. Tot hetzelfde geslacht behoort ook het bekende waaierkoraal, dat aan de kusten der warme zeeën voorkomt en levend in de fraaiste kleuren prijkt, terwijl de skeletten in bijna elke verzameling te vinden zijn, zeer fraaie o.a. in het museum van het aquarium te Amsterdam.

Een van de fraaiste en merkwaardigste koralen is de lichtende zeeveder of zeepen (Pennatula phosphorea) van fig. 10, die, met meer dan 200 andere soorten, op de slibachtige kusten der Middellandsche zee, doch ook bij ons, voorkomt. Hier is de stok steeds volkomen onvertakt, lang en dun, en de inwendige as is buigzaam, deels kalkachtig, deels hoornachtig; het onderste gedeelte, de steel, zit vrij in het slib van den zeebodem en draagt geen poliepen; hij kan drijven en zich in het slib vastgraven. De poliepen zitten zeer regelmatig gerangschikt aan het boveneinde van de as, die geheel het uiterlijk heeft van een veer. De kleur is rood of roodachtig wit, de lengte 20 centim. Behalve door de prachtige kleuren zijn de zeeveeren ook gekenmerkt door een sterk lichtgevend vermogen, dat van de maag der poliepen uitgaat, en zich, vooral bij prikkeling van één der dieren, als een levendig, wonderbaar groen licht, over alle poliepen van den stok voortplant.

De beide volgende soorten hebben een weinig verkalkte, meestal zachte of lederachtige as. Hiertoe behoort een bekende en standvastige bewoner onzer zee-aquaria, ook van dat te Amsterdam: de doômansduim of zeekurk (Alcyonium digitatum), die ook aan onze kusten, doch hoofdzakelijk in de Middellandsche zee leeft. Op de plaat is in fig. 8 een verwante soort: Alcyonium palmatum, afgebeeld. De versche stok is dik, vleezig of leerachtig, aan de basis tot een steel verdund, van boven breeder en vingervormig vertakt en aldaar de afzonderlijke poliepen dragend. De asmassa bestaat uit een weeke kurk- of leerachtige stof, waarin kalklichaampjes verspreid liggen. De kleur is in den regel roodachtig of geelachtig; de afzonderlijke poliepen zijn klein, meestal wit en kunnen zich geheel terugtrekken. Andere, die in Europeesche zeeën voorkomen, bereiken soms een aanzienlijke grootte, zoo o.a. een soort van manshoogte in den Atlantischen oceaan.

Fig. 6 stelt een ander lederkoraal (Sympodium coralloïdes) uit de Middellandsche zee voor, met een stok van ongeveer 10 centim., die van onderen geelachtig, van boven meer roodbruin is en witte of licht rozeroode poliepen draagt. Aan het worteleinde bevinden zich geen poliepen. De afzonderlijke dieren zijn bundelsgewijs vereenigd tot een stok, die van onderen op een voet steunt en van boven in lobben of lapjes uitloopt.

Een overgang van de schors- tot de steenkoralen is het lariksvormige hoornkoraal of zwarte edelkoraal (Antipathes larix) van fig. 9. Hier is namelijk ook nog een hoornachtige, zeer harde, zwarte as als skelet, die door een zachte, poliepdragende schorslaag bedekt is, doch zij komen reeds met de steenkoralen overeen door het bezit van slechts 6 vangarmen. De poliepen zijn klein, kunnen zich niet terugtrekken en hebben zeer korte vangarmen. De stok heeft slechts weinige, zeer lange hoofdtakken, die zes overlangsche rijen van enkelvormige, bijna evenwijdige, borstelvormige takken dragen, die er als dorens uitzien. Vele soorten leven in de warme zeeën. De kleur van de as is bruinzwart, als ebbenhout, en daarom wordt een soort uit de Roode zee door duikers opgevischt en tot sieraden verwerkt.

Thans overgaande tot de steenkoralen, met een hard, kalkachtig, sterk vertakt en dikwijls zeer uitgebreid uitwendig skelet, waarbinnen, in openingen, de poliepen zitten, die steeds slechts 6 vangarmen en 6 verkalkte maagtusschenschotten bezitten, zien wij vooreerst in fig. 2 het gelobde poriënkoraal (Porites furcatus), met stokken van dikwijls aanzienlijke grootte, bolvormig of knol- en knotsvormig, meestal geel, doch ook wel blauwachtig of violet van kleur. Het skelet en de geheele kalkmassa bevatten een groot aantal poriën en fijne kanalen en de tusschenschotten zijn slechts onvolkomen verkalkt. De afzonderlijke kelken voor de poliepen komen als korte, van boven kegelvormig vernauwde buisjes boven de gemeenschappelijke verbindingsmassa te voorschijn, waaruit zij zich slechts zeer weinig verheffen. Daarmede is verwant, ook door de poriën en kanalen in de kalkmassa en de onvolkomen verkalkte tusschenschotten: het struik- of geweikoraal (Madrepora corymbosa), fig. 12, welks stokken struik- of geweiachtig vertakt zijn, met eenigszins vergroeide takken van bruinwitte, doch in gedroogden staat grijsgele, kleur. De poliepen zitten in kleine vrije kelkjes en zijn 2-3 millim. groot. Algemeen verspreid, hoofdzakelijk in de Roode zee. Deze poriënkoralen vormen aanzienlijke riffen en zijn geologisch de oudste.

Van lateren datum zijn de poriënlooze koralen, zonder poriën of kanalen in de kalkmassa en met steeds volkomen ontwikkelde kalktusschenschotten. Hiertoe behooren vele bekende rifbouwende koralen, waarvan wij slechts enkele soorten noemen. In de golf van Napels komt veel het fraaie kelksterkoraal (Astroïdes calycularis), fig. 5, voor, welks vleezige deelen geelrood van kleur zijn en waarbij het zachte voorste gedeelte der afzonderlijke dieren zich zeer ver en hoog naar buiten kan uitstrekken. Zij zijn alleen aan de basis van hun slanke, buisvormig naast elkaar geplaatste, kelken met elkaar vereenigd. Bij het oogkoraal (Oculina diffusa) van fig. 4 is de stok boomvormig vertakt, met een dicht en massief skelet, waarin de poliepen als oogjes verspreid liggen. De kelken zijn vrij diep, 3 à 4 millim. breed en in onregelmatige spiraallijnen geplaatst. De kleur is wit, men vindt het in den Indischen oceaan. Fig. 3 stelt het schotelvormige zwam- of paddestoelkoraal (Fungia patella) voor, waar het skelet van onderen uitgehold, aan den omtrek golvend gebogen en rond of ovaal van vorm is. Het bestaat uit talrijke lamellen, zoodat het geheel inderdaad wel iets op den hoed van een paddestoel gelijkt. De poliepen zijn kort en breed, niet uitstrekbaar, met korte vangarmen. De oppervlakte van den stok is, door de tusschenschotten, bladerig gestreept. De kleur is, tijdens het leven, groenachtig tot bruinachtig, de lengte tot 20, de hoogte tot 10 centim. Het komt in de Roode zee en den Indischen oceaan voor. Vele fraaie exemplaren der skeletten zijn in het aquarium te Amsterdam te zien.

Onder de rifbouwende koralen nemen verder de sterkoralen (Astraea radians), fig. 11, en verwante soorten, een voorname plaats in. De gezamenlijke koraalmassa is hier halfbolvormig afgerond, met vlakke basis. De afzonderlijke kelken zijn volkomen van elkaar gescheiden en elk met een eigen kalkwand omgeven, doch slechts zoodanig, dat deze elkaar even aanraken. De poliepen kunnen zich niet uitstrekken, doch zijn van talrijke voelarmen voorzien. Men vindt deze soorten veel in den Indischen oceaan.

XX.