PLAAT XVII.
EEN ONDERZEESCHE BLOEMENTUIN.

Hier zien wij, behalve enkele blaaskwallen, voor het eerst de echte bloempoliepen, de vierde klasse der darmholtedieren, die door haar uiterlijk niet slechts de heerlijkste sieraden, doch door haar ontwikkeling ook de grootste wonderen, vormen van de zee. Verschillende fraaie soorten daarvan kan men ook in de zee-aquaria, bijv. te Amsterdam, zien en bewonderen.

Het zijn betrekkelijk hooger georganiseerde dieren dan de kwallen en kwalpoliepen. Bovendien behooren deze prachtig gekleurde bloemdieren, wier talrijke vangarmen inderdaad veel aan meeldraden van een bloem doen denken en die niet ten onrechte den naam dragen van zeerozen, zee-anemonen enz., alsmede de fraaie en sierlijk vertakte koraaldieren, tot het schoonste en interessantste, wat de dierenwereld van het water oplevert. Deze dierlijke bloemen veranderen de naakte rotsen der zee, in den waren zin des woords, in heerlijke bloementuinen. En het zijn teere, fijne bloempjes van fabelachtige pracht, die, als wonderen in een sprookje, den bodem van den oceaan bevolken.

Maar: hoe schoon en teer deze bloemen ook mogen zijn, zoo is toch niet alles aan haar even poëtisch en liefelijk. Ook hier is een keerzijde der medaille, die vrij wat prozaïscher klinkt: de bloempoliepen behooren tot de roofgierigste en vraatzuchtigste schepselen der zee, die met haar vangarmen verraderlijk allerlei onschuldige kleine kreeftjes en vischjes grijpen en meedoogenloos in haar onverzadelijk keelgat doen verdwijnen. Zelfs vleesch versmaden zij niet en met visch, vleesch, schelpdieren enz. worden dan ook deze roofdieren in het aquarium grootendeels gevoed. Men verzuime vooral niet, bij een bezoek aan het aquarium te Amsterdam, de voeding eens bij te wonen (’s middags te 4 uur).

Teneinde nu eerst eens de organisatie dezer bloempoliepen met die van de overige darmholtedieren te vergelijken, geven wij in fig. N weer een schets van de overlangsche doorsnede eener zee-anemone.

Fig. N.
Schets, in overlangsche doorsnede, van een zee-anemone.

Deze dieren zijn met een breede basis aan rotsen, steenen, zeeplanten of schelpen vastgegroeid en daartegenover ligt de mond (M), die hier dus naar boven gericht en door een groot aantal holle vangarmen (A) omringd is, wier holten, zooals wij bij den doorgesneden arm ter linkerzijde zien, weer met de lichaamsholte in verband staan. Deze laatste vertoont echter een groot verschil met die van de kwalpoliepen en de schermkwallen, daar zij door overlangsche, straalsgewijs geplaatste tusschenschotten (Mesenteriën), S en S1, in een aantal kamers verdeeld is, wier holten (K) met de holle vangarmen samenhangen, zoodat deze laatsten, door inpersen van water uit die holten, uitgebreid en door uitpersen weer ingetrokken kunnen worden. Het is curieus, om in het aquarium te zien, hoe handig de dieren die talrijke vangarmen uitslaan en er de prooi of het aangeboden middagmaal mee grijpen.

Van boven naderen die tusschenschotten veel meer tot elkaar en zijn daar verbonden met een soort van buis (Sch), waar de mond (M) in uitkomt en die als een soort van slokdarm kan beschouwd worden, waardoor het voedsel in de zoogenaamde maag komt, die hier niets anders is dan de spijsverterende lichaamsholte. In die holte bevinden zich ook de eieren (E), welke aan den rand der tusschenschotten bevestigd zijn en langs den minder gebruikelijken weg van den mond het lichaam verlaten, evenals de uitwerpselen. Elk eitje groeit uit tot een afzonderlijk dier, want de zee-anemonen leven geheel op zich zelf, dus niet in kolonies. Toch geschiedt de voortplanting ook wel door deeling, waarbij deelen van het lichaam afgescheiden worden, die dan tot nieuwe dieren uitgroeien. Het aantal vangarmen bedraagt, evenals dat der tusschenschotten enz., altijd 6 of een veelvoud daarvan; bij de minste aanraking of bij rust worden zij geheel in de lichaamsholte teruggetrokken en dan biedt het dier een geheel ander beeld aan. De zoo sierlijke, teere en zwellende bloem krimpt dan plotseling ineen tot een onooglijken, vormloozen klomp, zooals kan blijken, door vergelijking van de figuren 5, 6 en 12 op de plaat, die alle hetzelfde dier voorstellen.

De bloempoliepen van deze plaat leven op zich zelf en blijven steeds week, zij scheiden geen kalk af en vormen geen knoppen, dus ook geen koloniën of poliepenstokken, zooals die bloempoliepen, welke „koraaldieren” genoemd worden en die wij op Plaat XIX zullen ontmoeten.

Een zeer fraaie bloempoliep is de gegroefde zeeanemone (Anemonia sulcata) van fig. 4, wier poliepachtig lichaam den vorm heeft van een hollen cylinder, die met een breedere, ovale basis, een soort zuigende schijf, de voetschijf, op steenen, rotsen, schelpen, zeeplanten enz. vastgehecht is, terwijl de tegenovergestelde pool, de mondschijf, den ovalen mond met den krans van voelers of vangarmen draagt. Met die voetschijf kunnen deze vrij levendige bloempoliepen eenigszins over haar onderlaag voortschuiven. De weeke lichaamsmassa is aan de buitenoppervlakte met een groot aantal groeven doorsneden (vandaar de naam), wier aantal overeenkomt met dat van de voelers, waarvan er niet minder dan omstreeks 200, doch steeds een veelvoud van 6, aanwezig zijn. Aan den bovenrand bevindt zich een krans van duidelijke wratten. De kleur van het lichaam is lichtbruin tot groenachtig, de vangarmen hebben een lichtere kleur. De lengte van het lichaam bedraagt 10, die van de vangarmen 15 centim. Uit de eitjes ontwikkelen zich reeds in de lichaamsholte larven, die door den mond uitgespuwd worden en dan eenigen tijd in het vrije sop rondzwemmen, om zich daarna aan eenig vast voorwerp vast te hechten en tot een nieuw dier uit te groeien. De dieren leven in de Middellandsche zee en aan de kusten van West-Europa.

Uiterst sierlijk en fraai van kleur zijn ook de „zeerozen” tot het geslacht Actinia behoorend. Daarvan zien wij in fig. 5, 6 en 12 drie exemplaren van de gewone zeeroos (Actinia equina), die, zooals uit de afbeeldingen blijkt, nog verschillende kleuren kan vertoonen: in fig. 5 roodbruin met roode vangarmen, blauwe randwratten (de netelorganen) en een blauwen band over den rand van de voetschijf, terwijl fig. 6 een groen gekleurd exemplaar is en fig. 12 een roodgekleurd, met ingetrokken vangarmen. Overigens komt de lichaamsbouw grootendeels met die van de zee-anemone overeen. Het lichaam is zeer vleezig, laag van vorm (7 centim. breed en 5 centim. hoog), heeft een zeer breede voetschijf en 192 vangarmen van 1,5 centim. lang. Verschillende soorten van het geslacht Actinia komen op onze kusten voor.

Ook nog andere bloemen zijn in onzen dierlijken, onderzeeschen bloementuin vertegenwoordigd. Fig. 11 stelt de fraaie zee-anjelier (Actinoloba dianthus) voor, die een hoog lichaam (15 centim. hoog, 7 centim. breed), met breede, van een golvenden rand voorziene, voetschijf bezit. De talrijke vangarmen zijn kort en breed, aan den rand franje-achtig, waardoor zij veel gelijken op de kroonblaadjes van een anjelier. De kleur is zeer verschillend: geel, olijfgroen, oranje, rozerood of wit. Zij leeft op klippen en steenen in de Noord- en Oostzee en in de Middellandsche zee.

Ongemeen sierlijk, doch weer geheel anders van vorm is de vliezige wasbloem (Cerianthus membranaceus) van fig. 7. Deze is meestal niet vastgegroeid, doch heeft zich van onderen in een vleezige, van den lichaamswand afgezonderde, dunne buis vastgezogen. De vorm is langgerekt en slank, van boven eenigszins trompetvormig en op de mondschijf bevinden zich twee kransen van talrijke, zeer lange (tot 35 centim.), niet voor terugtrekking vatbare voelers, die violet zwartachtig of rozerood van kleur zijn. De lichaamsholte eindigt van onderen in een kleine opening, „porus” genaamd, die afgesloten kan worden en dit gedeelte boort zich in het fijne zand van de kusten. Het dier komt voor van de Middellandsche zee tot aan het Kanaal.

In de Noordzee, den Atlantischen oceaan en de Middellandsche zee komt, op steenen, de zonne-zee-anemone (Heliactis bellis), fig. 13, voor, een bloempoliep, die verschillende kleuren, van geel tot rozerood, kan vertoonen. Het lichaam is leerachtig, 9 centim. lang en 6 centim. breed, met een ronde, breede, gegolfde of naar onderen gebogen mondschijf, aan wier rand de vrij talrijke, 1¹⁄₂ à 2 centim. lange vangarmen staan. De lichaamswratten staan in overlangsche rijen en nemen naar beneden in grootte af.

Een lieflijk en gezellig tooneeltje van eendracht, vrede en vriendschap, dat men ook in het aquarium kan bijwonen, leveren ons de figuren 8, 9 en 10, waaraan zeer verschillende diersoorten, in de schoonste harmonie, samenwerken. Wij zien op den bodem, in den ondersten hoek links, de ledige schelp van een groote zeeslak, een soort van wulk of kinkhoren (zie bladz. 128), die tot woning is uitgekozen door een levenden kreeft, wiens scharen en pooten wij buiten de voordeur zien uitsteken, terwijl het zachte en zeer kwetsbare achterlijf in de ledige schelp opgeborgen wordt. Het is de eremiet- of kluizenaarskreeft (Pagurus bernhardus), fig. 9, ook wel „snijder” genoemd, die werkelijk, als een kluizenaar, eenzaam in zijn huisje leeft en zonder die bedekking van zijn weeke achterdeelen volkomen hulpeloos en aan de heidenen—zijn vele vijanden—overgeleverd zou zijn. Met dat harde, geleende pantser echter is hij genoeg „mans”, om het zich aan niets te laten ontbreken en terwijl hij zich, met het gansche huis en toebehooren op zijn rug, langzaam voortbeweegt, is hij, zonder gevaar voor zijn teere achterlijf, in de gelegenheid om zooveel te rooven, als hij slechts kan. Groeit het dier en wordt hem het huis te klein, dan trekt hij er uit en verhuist naar een grooter slakkenhuis, waarbij hij nooit verzuimt, om, bij de verhuizing, ook zijn „levende have” mee te nemen.

Want het merkwaardigste komt nog. Onze kluizenaar is niet zoo eenzelvig, als het schijnt; hij leeft gezellig, wel niet met zijnsgelijken, maar verkeert toch voortdurend in aangenaam—en vooral hulpvaardig—gezelschap. Op het dak van zijn woning—de buitenzijde van het slakkenhuis—zien wij, bij fig. 8, een geheele kolonie van kleine bloempoliepjes: de gestekelde hydractinia (Hydractinia echinata), diertjes van ongeveer 1 centim. hoog, met dichte kransen van vangarmen om den mond en bruinrood van kleur, die zich uit een korstvormig uitgebreide wortelmassa verheffen. En aan de overzijde van het slakkenhuis zien wij nog een andere, grootere bloempoliep: de mantel-aktinie (Adamsia palliata), fig. 10, die een gedrongen, kegelvormig lichaam, met breede grondschijf, heeft, dat 25 centim. lang en 2 centim. breed is en een groot aantal vangarmen om den mond vertoont. De kleur is van boven wit of blauwachtig wit, naar beneden in geel en ten slotte in bruin overgaand. En het is hoogst merkwaardig, dat deze poliep bijna nooit anders voorkomt, dan juist op die slakkenhuizen, welke tot woonplaats van de eremietkreeft dienen. Een andere aktinie, die ingelijks op de, door eremietkreeften bewoonde, slakkenhuizen leeft, is die van fig. 14. Zij behoort ook tot het geslacht Adamsia (Adamsia Roteletti), is hoog van vorm (9 centim. hoog, 4 centim. breed), met een groot aantal witte vangarmen, tot ongeveer 700 in getal. De kleur van het dier is wit-geel, met bruine overlangsche strepen.

Wat voeren nu die poliepen op het dak van de woning uit? Een zeer nuttig en liefderijk werk, maar waarvoor zij ook ruimschoots beloond worden. De kreeft plaatst die dieren zelf op het slakkenhuis en zijn gehechtheid aan dit volkje van bovenbewoners is zelfs zoo groot, dat hij, bij een noodzakelijke verhuizing, de bovenbedoelde „levende have” geregeld meeneemt; hij maakt de poliepen met zijn scharen voorzichtig los en plakt ze weer boven op de nieuwe woning. En de poliepen laten zich die kunstbewerking geduldig welgevallen en zij geschiedt blijkbaar met onderling goedvinden.

De zaak is deze. De eremietkreeft wenscht van de netelorganen der bloempoliepen, als verdedigingsmiddel tegen alle mogelijke vijanden, partij te trekken; met den zoeten last op zijn rug is hij inderdaad tegen elken aanval gevrijwaard. Maar de poliep doet dat niet gratis, zij trekt insgelijks voordeel uit haar positie en wij zien hier, hoe ook in de natuur een praktische „handelsgeest” tusschen verschillende organismen bestaat: het over en weer aanbieden van hulp of bescherming, een eerlijke ruilhandel volgens de wet van vraag en aanbod, die met een wetenschappelijken term: symbiose, dat is: samenleving, genoemd wordt (zie ook bladz. 71). Terwijl de poliep, door haar venijnige netelslagen, de al te indringerige vijanden van den kreeft op een afstand houdt, moet deze laatste haar den wederdienst bewijzen, haar als „rijpaard” te dienen. Zij zit veilig en stevig op het dak van het huis en als de bewoner ter jacht gaat, rijdt zij gratis mee en trekt partij van de hapjes, die afvallen van den buit van den kreeft; zoo is dus de ééne dienst den anderen waard. Daarom zoeken de poliepen ook dikwijls zelf deze slakkenhuizen op, doch zij vestigen zich steeds op bewoonde, nooit op ledige. Door dit handelsverdrag zijn de reizende poliepen meer verzekerd van het noodige voedsel, dan wanneer zij, zooals haar familieleden, onbeweeglijk aan rotsen vastgehecht waren en dus voor haar middagmaal meer „op zien komen” moesten spelen. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel—waarvan in de natuur nog vele andere voorbeelden bekend zijn—ook wel „commensalisme” genoemd. Inderdaad houdt de eremietkreeft, in zekeren zin, „commensalen”, die hij kost en inwoning—zij het dan ook maar op zijn dak—verschaft, terwijl de kostgangers hem de verschuldigde huur betalen, in den vorm van het op een afstand houden van vijanden door middel van haar netelorganen.

De overige bevolking van de fraaie waterpartij op onze plaat, bestaat niet uit bloempoliepen, doch uit vertegenwoordigers van een geheel andere klasse, dus van de vijfde klasse der darmholtedieren: de buiskwallen of blaaskwallen (Siphonophoren), waarvan in fig. 1, 2 en 3 drie soorten afgebeeld zijn.

Zij doen ons gevallen zien van één der merkwaardigste toepassingen van het beginsel: verdeeling van den arbeid, in het dierenrijk. Terwijl andere dieren dit beginsel in toepassing brengen, door de verschillende organen van één en hetzelfde dier, elk voor zich, een bepaalde levensverrichting te doen vervullen, zien wij hier, bijvoorbeeld bij de prachtige, sierlijke siphonophore van fig. 3: de in ’t water zwevende blaasdrager (Physophora hydrostatica), niet één enkel dier, doch een kolonie, een staat of sociale gemeenschap van een groot aantal dieren, die elk op zich zelf echter slechts één bepaalde levensfunctie verrichten en eigenlijk maar uit één enkel orgaan bestaan. Hier hebben wij dus een sociale kwal, een „staatskwal”, en de leden van dien staat vervullen gezamenlijk dezelfde levensverrichtingen als anders één enkel dier.

De larve, die uit het ei komt, bestaat hier uit niets anders dan een met lucht gevulde, in het water drijvende, peervormige blaas, waaraan van onderen een lange, loodrechte, draadvormige buis naar beneden afhangt Deze larve vermenigvuldigt zich door knopvorming, maar de nieuw gevormde individu’s laten niet los, doch blijven met de buis verbonden. Aan het boveneinde der gemeenschappelijke buis ontwikkelen zich die knoppen tot klokvormige wezens, die geheel op kwallen gelijken, doch zij eten niet en hebben nooit gegeten, want zij worden gratis gevoed door de voedingssappen, die haar door andere leden der gemeenschap toegevoerd worden door het kanaal van de lange buis, die eigenlijk een leidingsbuis is, met voedingsbouillon voor al de dieren, die er aan bevestigd zijn. Daarom ontwikkelen zich zelfs geen voedingsorganen—noch andere organen—aan deze bovenste kwallen; elk van deze dieren is niets meer dan een eenvoudige zwemklok, die, door haar uitzetting en samentrekking, de geheele kolonie voortbeweegt, zoodat de overige leden van den staat zich daarmede het hoofd niet hebben te breken. Die zwemklokken zijn, zooals wij op de figuur zien, in twee rijen, ter weerszijden langs de voedingsas gerangschikt.

Lager langs dezen gemeenschappelijken steel zitten de voedingsdieren, die den vorm van zuigbuizen hebben aangenomen en op gewone bloempoliepen gelijken; zij zijn uitsluitend belast met de zorg voor de voeding van de geheele kolonie, verteren het, door haar opgenomen, voedsel en verzenden het voedingssap door den hollen steel naar al de overige dieren. Maar zij doen dan ook hun gansche leven niets anders dan eten en nog eens eten, al het overige laten zij aan de andere leden van de gemeenschap over en, behalve den mond en de maag, zijn alle overige organen weggekwijnd. Verder vindt men daartusschen nog prachtig rozerood gekleurde tastdieren, die eigenlijk vervormde voedingsdieren zijn, maar zonder mond en maag, doch met tastorganen, die voor de geheele kolonie tasten en ook zeer lange en fraaie, vertakte gele vangdraden, die de dieren voorstellen, welke, voor den geheelen staat, met het grijpen van den buit belast zijn, doch overigens niets anders doen. Eindelijk zitten er onder de rozekleurige tastdieren nog druiventrosvormige geslachtsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting hebben te zorgen. Al deze dieren nu worden door de zwemklokken op sleeptouw genomen en door de algemeene voedingsbuis gevoed.

En zoo zijn al deze bijzondere individu’s van elke categorie, daar zij zich met niets anders behoeven bezig te houden, specialiteiten in hun eigen vak geworden. Evenals in de menschelijke maatschappij, bekleedt hier elk individu van den staat, tengevolge van deze arbeidsverdeeling, juist die betrekking, waarin hij ’t meest ervaren is—een staat van zaken, die natuurlijk voor het welzijn van de gansche kolonie buitengewone voordeden moet opleveren.

In fig. 2 zien wij een andere blaaskwal, den gelen paardevoet (Hippopodius luteus), aldus genoemd naar de hoefijzervormige zwemklokken. Hier ontbreekt de luchtzak of blaas. De zwemklokken zijn in twee rijen langs een zijas van den stam gerangschikt en vervullen tevens de plaats van de ontbrekende dekstukken, daar de draadvormig verlengde stam, met de daaraan hangende diergroepen, zich daartusschen kan terugtrekken. Aan de basis van de voedingspoliepen zitten druiventrosvormig gerangschikte mannelijke en vrouwelijke geslachtsdieren.

Van geheel anderen aard is de blaaskwal van fig. 1, de schijfzwempoliep (Velella spirans), die, in vorm, eenigszins aan de schijfkwallen herinnert. Hier is de lichaamsstam niet dun en verlengd, doch schijfvormig afgeplat en er loopt een stelsel van kanalen door, dat luchtholten insluit. Boven op de schijf bevindt zich een, in schuine richting loopende, vertikale kam, die in een driehoekige punt eindigt en het dier, als door een soort van zeil, voortbeweegt, als een spel van den wind en de golven. Aan den onderkant van de schijf zitten de geslachts- en de voedingsdieren, welke laatste den vorm hebben van een enkelvoudige, buisvormige poliep, die aan haar uiteinde een mondopening heeft, doch zonder den krans van vangarmen er om heen; in de plaats daarvan heeft zij aan hare basis een langen, zeer samentrekbaren vangdraad, met netelorganen. De geslachtsdieren zijn ingewikkeld van bouw. Het geheele dier is van een prachtige indigoblauwe kleur, heeft een lengte van 2-4 centim. en leeft in de Middellandsche zee.

XVIII.

Plate