Raffles stond in zijn elegant gemeubeld salon en opende eenige brieven, waarvan het adres luidde: Aan graaf Selfar.
„Is ’t niet gevaarlijk, dat je overal als je adres graaf Selfar opgeeft?” vroeg Charly Brand.
„Waarom? Als er een gevaar dreigt, beste Charly, veranderen we doodgewoon van woning.”
„Volkomen waar. Maar als je nu eens geen tijd genoeg hebt om op tijd het huis te verlaten—als men je hier zou arresteeren—”
„Waartoe al die zorgen? Als ik mij verborg, zou het al heel gauw met mij gedaan zijn. Juist het feit, dat iedereen mijn huis kan vinden, maakt mij onvindbaar. Je weet, dat de politie altijd over het hoofd ziet, wat het meest voor de hand ligt!”
Hij keek eens naar de klok.
„Drommels! Kwart over tien! Ik moet naar de club. Bovendien wil ik graag kennis maken met een jongeman, waarmee ik een ernstig woordje te spreken heb. Je kunt uitgaan, Charly—ga, waarheen je wilt en amuseer je, maar vergeet niet, voordat je de huisdeur opent, het fluitsignaal te geven, dat door ons is afgesproken.”
Met deze woorden schelde graaf Selfar.
De kamerdienaar bracht de zware pelsjas, cylinder en stok binnen.
„Rijdt de graaf uit?”
„Ja, Jean, mijn auto komt dadelijk voor.”
„Uitstekend!”
De dienaar hielp zijn heer, boog diep en ging. Even daarna reed een auto voor.
„Bonjour, Charly, tot spoedig!”
Graaf Selfar reed naar de club.
Daar werd hij met vreugde begroet.
Hij was een der eerste spelers, die altijd kalm bleef, of hij fabelachtige sommen won of verloor.
„Ge zijt hier in langen tijd niet geweest, graaf”, zei Francis Porter, een rijk sportsman.
Toen stelde hij den graaf voor als een nieuw clublid.
„Dokter Reinhold Marchner!”
Graaf Selfar keek in een fijnbesneden, geestig en bleek gelaat, dat sprak van ontbering, maar ook van inwendigen trots. Een paar blauwe oogen keken den graaf aan, maar trokken zich toen onder de half gesloten wimpers terug.
Graaf Selfar wierp een blik op de speeltafel. De jonge dokter ging weer zitten, schreef met koortsige hand een briefje en legde het op tafel neer.
Een schuldbekentenis!
Graaf Selfar werd opmerkzaam. Hij kruiste de armen over zijn rok en keek dokter Marchners partner eens aan.
Deze reikte de graaf de hand.
„Laat ge u ook weer eens zien?”
Graaf Selfar kneep de oogen dicht, zonder op deze vraag te antwoorden.
„Ge wint, zooals ik zie, mr. Hopp”.
De aangesprokene was een jonge man van omstreeks acht-en-twintig jaren. Zijn gelaat was onnatuurlijk bleek, zijn oogen door groote donkere kringen omrand. De slappe, geknikte gestalte getuigde van nachtbraken. Hij ging wat achterover liggen, strekte de beenen uit en zei, met een vluchtigen, spottenden blik op zijn vis-à-vis:
„Ja, graaf, ik win tot nog toe zeshonderd pond! Een aardig zakduitje voor de volgende maand, hè hè hè!” [8]
Hij klemde zijn monocle in het oog, liet de onderlip wat hangen en speelde verder.
Graaf Selfar glimlachte.
Het was een somber, onheilspellend glimlachje. Hij liep voorbij de spiegels, die zijn fraaie, elastische gestalte weerkaatsten en ging aan het buffet een glas sekt drinken.
Hoewel hij hier door twee groote vleugeldeuren van de speeltafel gescheiden was, kon hij de beide spelers toch heel nauwkeurig gade slaan. Dr. Marchner scheen alle zelfbeheersching te hebben verloren en elk oogenblik wreef hij zich nerveus over het bleeke voorhoofd. En telkens schreef hij opnieuw een schuldbekentenis voor de tegenpartij.
Zoo bleef graaf Selfar kijken, totdat hij zag, dat het tweetal de speeltafel had verlaten en achter een breede portière in een vertrek verdween, waar zoo dikwijls gevaarlijke gesprekken worden gevoerd, die niet zelden zonder resultaat blijven.
Graaf Selfar haastte zich de speelzaal door en ging een vertrek binnen, grenzende aan dat, wat zoo juist door het tweetal was betreden en dat daarvan door een fluweelen portière was gescheiden.
Een heel klein beetje trok de graaf een der fluweelen gordijnen op zijde.
„Je hebt op je eerewoord gespeeld en weet, wat dat beteekent”, hoorde hij een heesche stem zeggen. Het was die van Alfred Hopp, de zoon van den rijken fabrikant.
Voor hem stond, hoogopgericht, maar met gebogen hoofd, dr. Marchner. Zenuwachtig streek hij met de hand over het voorhoofd.
„’t Is waar. Maar zou je mij niet vier-en-twintig uur langer uitstel willen geven, Alfred? Je doet mij daarmede een groot genoegen!”
„Waar denk je aan? Geen uur zelfs! Speelschulden zijn eereschulden! Als je die vijfhonderd pond niet kunt betalen, waarom heb je dan gespeeld?”
„Omdat ik hoopte, dat het geluk mij ook nog eens gunstig zou zijn!”
De jonge dokter sprak op een toon vol vertwijfeling.
De ander lachte spottend.
„Je hoopte! Dat heeft al menig vriend van mij gedaan! Je moet die vijfhonderd pond morgen om dezen tijd betaald hebben of—”
„Of?”
Dokter Marchner hief het fijnbesneden gelaat op.
„Of je zult zien, met wien je te doen hebt!”
„Ik dacht, dat je mijn vriend waart, Alfred!”
„Ik was het! Als je echter je woord niet houdt, ben je een eerlooze, en met zulke menschen hou ik geen vriendschap”.
Een lange pauze volgde.
„Ik kan mij niet eens meer een revolver koopen, die ik noodig heb”, zei Marchner toonloos.
Hopp haalde een klein pistool, in nikkel gevat, te voorschijn.
„Hier, als ik je daarmee soms van dienst kan zijn.”
Marchner nam het wapen en in Hopp’s oogen lichtte het met duivelschen glans.
Het gordijn ging open—Alfred Hopp verdween.
„Vaarwel!”
Wanhopig zonk Marchner in den stoel, zijn rechterhand hief langzaam de revolver—
Daar werd de portière op den achtergrond geopend.
Graaf Selfar trad binnen.
„Halt!” sprak hij op bevelenden toon, „ongelukkige, ben je je leven al zoo zat, dat je het om een bagatel wilt vernietigen?”
Met groote oogen keek Marchner den graaf aan.
„Hebt ge—alles gehoord?”
„Alles”. Een glimlachje speelde om de lippen van den graaf.
„Hoeveel zijt ge Alfred Hopp schuldig?”
„Vijf honderd pond. Maar—”
Graaf Selfar haalde een portefeuille te voorschijn en drukte den jongen dokter tien banknoten in de hand.
„Hier. Ga haar de speelzaal en betaal uw schuld. Waarom hebt ge gespeeld?”
„Ik ben in deze club verzeild geraakt. Mijn vriend, Alfred Hopp heeft mij hier gebracht. Ik hoopte, mijn [9]berooiden toestand te zullen beteren. Ach, hoe zal ik u danken voor dit geschenk!”
„Maak u niet bezorgd! Ik krijg dat geld wel terug. Ga nu?”
Marchner ging naar de speelzaal.
De slanke, jonge man, die alleen in het zaaltje was achtergebleven, drukte nu op een electrische schel.
Een dienaar verscheen.
„Zeg mr. Hopp, dat een heer hem wenscht te spreken.”
De lakei ging en de graaf draaide de helft van de lichten uit, haalde een zwart masker te voorschijn en bond dit voor het gelaat.
Eenige oogenblikken later kwam Alfred Hopp binnen. Hij zag bleek van opwinding.
„Is hier iemand?” vroeg hij.
„Ja. Ik wilde u spreken.”
Hopp keek in het gelaat met het zwarte masker en wilde, doodelijk verschrikt, terug gaan. Maar in hetzelfde oogenblik schitterde de loop van een revolver hem voor de oogen.
„Geen stap verder, ellendeling, als je leven je lief is.”
Hopp stond als vastgenageld op zijn plaats. Hij sprak geen woord en zijn lichaam kromp ineen, alsof hij een zweepslag afwachtte.
„Wat wilt ge van mij?” kreunde hij.
„Dokter Marchner betaalde u daar juist vijfhonderd pond, nietwaar?”
„Ja.”
„Hebt ge hem de schuldbekentenis teruggegeven?”
„Natuurlijk.”
„Goed. Leg die vijfhonderd pond dan hier op tafel.”
„Maar—dat geld is mijn eigendom.”
„Zwijg! Geen woord meer! Moet ik u naar de speelzaal brengen en daar de linkermouw uit uw rok snijden? Pas op, anders deel ik iedereen mee, waar ge uw valsche kaarten verbergen hebt.”
Alfred Hopp schrikte. Maar nog aarzelde hij.
De man met het masker glimlachte.
„Ik tel tot drie. Als dan het geld niet op tafel ligt, gebeurt er iets vreeselijks. Eèn, twee—”
Maar reeds had Hopp vliegensvlug het geld op tafel gelegd en met schuwen blik vroeg hij nu:
„Wie ben jij?”
De gemaskerde lachte weer.
„Ga heen. Ik ben Raffles.”
Hopp deinsde achteruit.
„Raffles!” schreeuwde hij met een stem, die drie zalen ver klonk, en met een reuzensprong verdween hij.
Eenige oogenblikken later drong een tiental heeren het vertrek binnen. Maar Raffles had de zaal al verlaten en op zijn dooie gemak, terwijl men hem overal zocht, daalde hij de trappen af, liet zich zijn jas geven en ging heen.
Hij had zijn automobiel weggestuurd om den weg naar huis te voet te kunnen maken en te genieten van de kristalheldere nachtlucht.
„En ik verzeker u, dat het graaf Selfar was en niemand anders,” schreeuwde Alfred Hopp tot zijn vrienden. „Ik zag het aan den prachtigen Indischen ring. En bovendien! Draai het woord Selfar eens om! Dan krijgt ge Raffles! Zoo’n bedrieger!”
Allerwege heerschte de grootste opwinding.
Overal zocht men naar den graaf.
Hij was verdwenen.
De lakeien deelden mede, dat ze hem hadden zien weggaan.
„Dan is Raffles ook Selfar en Selfar Raffles,” klonk het dooreen.
Alfred Hopp echter lachte.
„Nee maar! Die is prachtig!” riep hij uit. „Ik zal dadelijk de politie telefoneeren. Bij ons thuis is het adres van dien schurk bekend! Wacht maar! Over een uur zit hij achter de tralies!”
En Alfred Hopp waarschuwde de politie, in de heilige veronderstelling, dat hij wel heel gauw zijn vijfhonderd pond weer in den zak zou hebben. [10]