[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN GENIALE STREEK.

De landsadvocaat was een van de meest gevreesde juristen in Londen. Zijn welsprekendheid overtrof alles wat men ooit in Engelsche rechtszaken had gehoord; zijn logica was scherp—maar het was jammer, dat hij aan zijn bekwaamheden een groote mate van zelfingenomenheid paarde.

Het gebeurde slechts zelden, dat een beschuldigde, die in handen viel van den landsadvocaat, het gerechtsgebouw op vrije voeten weer verliet, of hij schuldig dan wel onschuldig was.

Hoogst zelden gelukte het een verdediger, het fijne net, dat de openbare aanklager wist te spannen, te vernietigen.

Het proces tegen Raffles, den grooten onbekende, naderde.

Nog slechts twee dagen moesten verloopen en heel Londen wachtte gespannen.

De dames en heeren uit de voornaamste kringen vochten om de entreekaarten, want het gold hier een sensatiezaak, zooals Londen ze zelden beleefde.

De landsadvocaat was vrijgezel.

Zijn enorme rijkdom maakte hem volkomen onafhankelijk. Hij bezat een bijna vorstelijk huis in Regentpark. Het was geheel volgens zijn eigen smaak ingericht.

Somber en grijs zag het er uitwendig uit en ook van binnen was het somber, antiek en zonder eenige moderne opschik of weelde.

Het was twaalf uur in den nacht toen de advocaat de trap van zijn woning opging. Hij zond zijn bediende reeds in de gang heen, want hij wilde nog werken en wenschte daarbij niet gestoord te worden.

Hij nam plaats bij de tafel in zijn studeerkamer en haalde een lijvigen aktenbundel te voorschijn, waarop in dikke, ronde letters stond:

Raffles.

Daaronder stond:

Aangeklaagd wegens diefstal, inbraken, vrijheidsberooving, beleediging van beambten, bespotting der autoriteiten, vergrijpen tegen stedelijke verordeningen, betreffende het rijden met rijwiel of auto, enz. enz. in meer dan negen en dertig gevallen.

De advocaat boog zich over de akten en zette de openbare aanklacht op papier, een combinatie van logische gedachten en gevolgtrekkingen, in welk net Raffles verward moest raken, zonder een enkelen uitweg te kunnen vinden.

Terwijl de advocaat schreef, was het doodstil in de kamer. Slechts af en toe kraakte het in een der oude eikenhouten meubelen.

Zwijgend keken de schilderijen uit hun omlijstingen neer op den laten werker.

De advocaat keerde het blad papier om—maar met een onderdrukten kreet sprong hij op.

Deze bladzijde was reeds beschreven.

Hij vertrouwde zijn oogen niet.

Opnieuw boog hij zich over het blad, hij zette zijn lorgnet op—maar het veranderde niet; dit blad was reeds beschreven.

In koortsachtige haast sloeg hij de vorige bladzijden op—hij wist zeker, hoeveel hij geschreven had—hij wist zeker, dat de volgende bladen nog leeg waren geweest.

„Ik ben opgewonden!” sprak hij tot zichzelf. „Dat komt van de alcohol!”

Daarop nam hij zijn horloge in de hand en volgde [26]driemaal den langzamen cirkelgang van de secondewijzer.

„Maar ik ben toch volkomen nuchter!” riep hij woedend uit. „En dit blad is nog altijd beschreven!”

Het was zijn eigen schrift. Hij was dus krankzinnig of—

Ja, was er dan een andere mogelijkheid?

Maar moest hij dan gelooven, dat hij gek was? Neen! Een dergelijk geval was in zijn familie nooit voorgekomen! En dat dit zoo opeens gekomen was—neen! Neen!

Hij boog zich over het papier, want hij bedacht, dat hij nog niet gelezen had wat er op het papier stond.

In het kleine, krabbelige schrift, dat geheel overeenkwam met zijn eigenaardig karakter, stond er het volgende:

„Zonder twijfel zal ik mij niet meer herinneren, dat ik deze regelen neergeschreven heb, want mijn stemming verandert elk uur.

Maar zooveel is zeker, dat ik op de een of andere wijze een weg moet zoeken om mijzelf duidelijk te maken dat, wat waarheid is en wat ik in een helder oogenblik begrepen heb.

Raffles is onschuldig!

Raffles is volkomen onschuldig! Ik zal deze woorden zoolang herhalen, totdat ik ze eindelijk geloof, want het zou grenzenloos onrechtvaardig zijn om Raffles te veroordeelen!

Verder beveel ik mijzelf op dit oogenblik, mij niet van mijn plaats te begeven, mijn hand niet van het papier weg te nemen, geen oogenblik te trachten op te staan of naar een revolver te grijpen, maar doodstil, als onder den invloed van persoonlijk magnetisme, te blijven zitten.

En dan beveel ik mijzelf, het hoofd langzaam op te heffen en mijn oog te richten op het groote portret in olieverf van Chamberlain, dat tegenover mij hangt.—”

De advocaat vergat, zijn mond te sluiten; langzaam, heel langzaam hief hij zijn hoofd op en keek naar het portret, dat vlak tegenover hem hing en een gevoel van verlamming maakte zich van hem meester.

De advocaat uitte een kreet van verrassing en schrik. Hij wendde het hoofd af en keek daarna weer opnieuw naar het schilderij dat in zijn zware eikenhouten lijst aan den donkeren muur hing—en opnieuw stiet hij een half onderdrukten gil uit—het hoofd van Chamberlain leefde, het bewoog de oogen, het zag hem aan met een dreigenden blik. Een glimlach, die niet bij dat gelaat paste, speelde om den mond, een brutaal glimlachje, dat nu zoo waar overging in een luid, ongedwongen lachen, en nu—waarachtig, nu kwam de geheele figuur uit de omlijsting te voorschijn en naderde den advocaat.

Nu had deze echter zijn zelfbeheersching terug gekregen.

Buiten zichzelf van woede sprong hij op en riep:

„Ellendeling! Hoe durft gij het wagen, zoo met mij te spelen? Wie zijt gij?”

De ander glimlachte, streek met zijn blanke, goedverzorgde hand over zijn onberispelijken rok en antwoordde:

„Raffles!”

Vernietigd, gebroken, zuchtend zonk de advocaat in zijn stoel terug.

„Raffles!” herhaalde hij. „Raffles! Raffles en altijd weer Raffles! Maar zijt gij dan de duivel in eigen persoon? Hoe komt gij hier?”

„Langs den gewonen weg, mijnheer, langs de trap en door de deur. Ik was echter tot mijn spijt genoodzaakt om gebruik te maken van een valschen sleutel!”

De advocaat keek den ongenoodigden bezoeker aan.

Inderdaad, het was dezelfde persoon, die in de gevangeniscel achter slot en grendel zat. Zijn hand greep naar de telefoon, maar bliksemsnel belette Raffles hem dit.

„Geen alarm, mijnheer! Ik begrijp, dat mijn bezoek u verbaast. Maar ik wil het u niet langer lastig maken. Ik zou uw woning al verlaten hebben voordat gij thuis kwaamt, maar toevallig verscheent gij tien minuten eerder dan ik had berekend.”

„Zijt gij dan al langer hier?” vroeg de advocaat, [27]terwijl zijn arm heel, heel langzaam, zoodat Raffles het onmogelijk kon merken, naar beneden gleed in de schuiflade, waarin de revolver lag.

„Gij staat mij zeker toe om plaats te nemen? Ik vermoed, dat gij verschillende vragen tot mij te richten zult hebben.”

En Raffles nam plaats, haalde zijn cigarettenkoker te voorschijn, bood die den advocaat aan en vroeg:

„Kan ik u dienen? Uitstekende sigaretten! Regelrecht uit Constantinopel ingevoerd!”

De advocaat hief met afwerend gebaar zijn hand op.

„Ik dank u! Ik rook geen sigaretten!”

Raffles glimlachte, streek een lucifer af en eenige oogenblikken later blies hij de fijne, blauwe, geurige rookwolkjes om zich heen.

Op hetzelfde oogenblik werd een lade met kracht opengerukt en de advocaat stond met een opgericht hoofd als een God der Wraak voor den indringer, wien hij een zesloops revolver voorhield.

„Op de knieën, ellendeling! Het spel is uit—gij zijt in mijn macht!”

Maar Raffles bleef kalm zitten. Hij strekte zijn lange beenen nog verder uit, blies den cigarettenrook behaaglijk in de lucht, trok de wenkbrauwen op en vroeg:

„Waarom windt gij u zoo op? En waarvoor is het noodig, dat ik kniel? Dat strijdt ten eenenmale met mijn principes. Als gij zoo ongastvrij zijt, zal ik liever uw woning verlaten.”

„Neen, dat zult gij niet!”

„Niet? Ik dacht, dat gij mij graag kwijt zoudt zijn! Ik heb echter den tijd!”

„Geen gekheid, alstublieft! Als gij niet binnen drie seconden de armen in de hoogte strekt, jaag ik u een kogel door de hersens.”

„Maar dat zou immers een moord zijn! Gij bevindt u immers niet in levensgevaar! Bedenk eens, welk een vreeselijke aanklacht gij dan tegen uzelf zoudt moeten houden! Gij zult toch niet een onschuldig mensch, zooals ik ben willen doodschieten?”

De advocaat dacht er niet over om Raffles dood te schieten. Hij wilde hem alleen een kogel door den rechter arm jagen, opdat hij zich niet meer zou kunnen verdedigen.

Toen dus zijn laatste bevel niet werd opgevolgd, stond de advocaat op om zijn bediende te bellen.

„Doe geen moeite!” sprak Raffles. „Ik heb de bel afgezet!”

„In ’s hemels naam, denkt gij dan aan alles?”

„Ja, aan alles, mijnheer!”

Maar de voorname ambtenaar had er nu genoeg van om zich te laten beetnemen. Hij pakte den indringer woedend beet en trachtte hem op den vloer te werpen. Was het echter slechts toeval of bezat Raffles een buitengewone kracht en behendigheid—inplaats van Raffles viel de aanvaller zelf op het tapijt.

In het volgende oogenblik echter stond de advocaat weer tegenover Raffles, hij hief zijn revolver op en hield die met uitgestrekten arm zijn tegenstander voor de oogen.

„Op de knieën of ik schiet, er moge van komen wat er wil!”

„Ik zei u immers al, dat ik niet kniel!” antwoordde Raffles op onverschilligen toon. „Waarom? Ik ben niet van plan, mijn pantalon stoffig te maken!”

„Ik schiet!”

„Gerust, mijnheer! Dat ding geeft immers toch geen vuur!”

„Gij vergist u! Ik heb de revolver zelf geladen!”

„Best mogelijk! Maar ik haalde de patronen er weer uit!”

De advocaat drukte af.

Inderdaad, de revolver was niet geladen!

Bevend van woede zonk hij in zijn stoel terug en met vonkelende oogen keek hij den man aan, die zijn gevaarlijk spel dreef met iedereen, die zijn weg kruiste.

„Nu zult u wel inzien, mijnheer, dat het de verstandigste partij is om mij weer te laten heengaan.”

Raffles keek op zijn horloge.

„Ik moet over een half uur weer in de gevangenis terug zijn, mijnheer, ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, u verder gezelschap te houden.”

Raffles haalde een revolver te voorschijn. [28]

Deze is geladen! Ik verzoek u het mij op geen enkele manier moeilijk te maken om uw huis te verlaten, ik zou anders genoodzaakt zijn vuur te geven!

Vaarwel en denk nog eens aan mij!

A propos—op de terechtzitting kom ik niet, Edelachtbare!”

De advocaat antwoordde:

„En als ik het je nu eens vriendelijk, verzocht, Raffles? Gij bezit immers zoo bijzonder veel moed! Zijt gij bang om te verschijnen?”

Raffles glimlachte.

„Volstrekt niet! Als het u genoegen doet—”

„Zeer zeker, Raffles. Dus je komt?”

„Met genoegen! Omdat gij het zoo gaarne hebt, mijnheer de advocaat, zal ik u dat pleizier doen!”

„Op uw eerewoord?”

„Op mijn woord van eer!”

De advocaat knikte.

„Vaarwel!”

Raffles maakte een beleefde buiging, hoffelijk als een echte gentleman en ging naar de deur.

De advocaat was hem ondanks de hem afgeperste belofte, graag achterna gesneld, maar Raffles hield zijn revolver steeds gereed.

Eerst nadat hij de deur achter zich gesloten had, stak hij het gevaarlijke wapen weer bij zich, terwijl hij mompelde:

„Waar zoo’n cigarettenknipper al niet goed voor is!”

En met langzame schreden daalde hij de trap af.

De advocaat wachtte eenige oogenblikken, daarna snelde hij naar de deur om zijn bediende te roepen.

Maar de deur was op slot. Woedend zocht hij naar den sleutel—maar Raffles had er blijkbaar voor gezorgd, dat die aan de buitenzijde in het slot stak, en had de deur gesloten, toen hij heenging.

Toen liep de jonge advocaat naar de telefoon om het dichtbij gelegen politiebureau op te bellen—maar eer er iemand kwam, was er van Raffles geen spoor meer te ontdekken.

Wel deed hij nog de onaangename ontdekking, dat Raffles uit zijn brandkast vijfhonderd pond had meegenomen.

Op de plaats, waar het pakje papiergeld had gelegen, vond hij een briefje van den volgenden inhoud:

„De verdedigers vragen tegenwoordig een groot honorarium, mijnheer. En omdat ik een knap jurist noodig heb, ben ik zoo vrij, dezen uit uw middelen te betalen, want gijzelf dwingt er mij toe, een advocaat te nemen. Het is dus niet meer dan billijk, dat gij zelf mijn verdediger betaalt!”

De advocaat was verpletterd.—

Raffles begaf zich terug naar het Metropol-hotel.

Charly Brand wachtte reeds op hem met groot ongeduld.

„Eindelijk!” riep Charly hem toe. „Ik ben doodelijk ongerust over je! Als dit avontuur maar goed afloopt!”

Raffles ontdeed zich van zijn pels, nam in den ruimen leunstoel plaats en sprak:

„Het zal evengoed afloopen als zoovele andere, Charly!”

„Alle couranten staan vol over je onbegrijpelijke handelwijze,” sprak Charly na een poosje. „Vertel mij toch eens, hoe het mogelijk is, dat de politie je in de gevangenis denkt, terwijl je tegelijkertijd bezoeken aflegt, bij de overheidspersonen zelf!”

„Och, dat hangt van een kleinigheid af!” antwoordde Raffles lachend. „Ik heb je immers verteld, dat ik op mijn reis naar Londen werd overvallen door een of ander sujet. Eerst was ik van plan, dien kerel zijn vrijheid weer te verschaffen, maar ik ben er achter gekomen, dat hij niet minder dan drie moorden op zijn geweten heeft. Hem zal ’k dus zijn rechtvaardige straf niet onthouden.

Maar ter zake:

Die kerel overviel mij, toen hij meende, dat ik sliep. Hij gaf mij een slag op de hersens, die ten gevolge had, dat ik een paar seconden lang duizelig was. Ik deed echter, alsof ik bewusteloos was.

De kerel nam mij toen alles af, wat ik bij mij had: mijn geld, mijn papieren, die op naam van lord Lister waren gesteld,—enfin, alles! Daarop haalde hij een [29]mes te voorschijn en wilde mij de keel afsnijden.

Je begrijpt, mijn jongen, dat ik mij toen niet langer bewusteloos hield, van dergelijke dingen moet ik niets hebben.

Ik sprong daarom plotseling op, gaf een slag tegen zijn reeds opgeheven arm en gaf den schurk zulk een geweldigen trap, dat hij als een blok hout tegen de deur van de coupé vloog, welke blijkbaar zoo slecht gesloten was, dat zij openvloog en de kerel hals over kop van den spoordijk afrolde.

Mijn plan stond dadelijk vast.

Ik wist, dat zich politiemacht in den trein bevond en dat men mij aan het station in Londen gevangen wilde nemen. Ik moest dus zorgen, dat dit laatste hun niet kon gelukken en tevens wilde ik mijn geld terughebben, dat de schurk mij ontstolen had.

Je weet, beste Charly, ik bezit een middel om mij totaal onkenbaar te maken. Ik maak er zelden gebruik van, omdat het altijd een paar dagen duurt eer ik door middel van warme baden, massage, enz. de uitwerking van het middel weer heb uitgewischt.

Het is een bijtend vocht, dat de huid als perkament verdroogt en tot rimpels samentrekt.

Wilde ik aan het gevaar ontkomen, dan moest ik dit middel nu aanwenden. Daar ik altijd een baard bij mij heb, kon ik mijzelf binnen vijf minuten veranderen in een grijsaard van zeventig jaar. Met mijn haarverfkam voltooide ik de vermomming. Ik streek er mede door mijn haar, dat oogenblikkelijk sneeuwwit werd.

Daarop boeide ik mijzelf en leverde mij zoo aan de politie over, die van haar kant de goedheid had, mij het gestolen geld terug te brengen en den gevluchten bandiet voor Raffles te houden, hoewel er veel phantasie voor noodig is om eenige gelijkenis tusschen ons beiden te ontdekken.

De kerel was echter in het bezit van mijn papieren en de politie kwam natuurlijk niet op de gedachte, dat ook die weleens gestolen konden zijn.

De misdadiger heeft alle reden, om zijn identiteit te verbergen, want dan kwam hij ongetwijfeld op het schavot. Hij gaat daarom veel liever voor Raffles door en zoodoende gelukte het tot in dit oogenblik om het bedrog door te zetten. De gevangene behoeft slechts alles te bekennen, wat ik doe.

Als de politie dien zoogenaamden Raffles eens had uitgevraagd, zou het geheele bedrog aan het licht zijn gekomen.

Natuurlijk heb ik in den laatsten tijd de gevangenis voortdurend in het oog gehouden en zoo was het mij bijvoorbeeld mogelijk, om twee minuten nadat de pseudo Raffles door den rechter van instructie was verhoord, dien heer op te bellen en hem mede te deelen, dat het nutteloos was, mij voortdurend lastig te vallen. Ik had den gevangenwagen zien voorrijden en kon er mij toevallig van overtuigen, dat de valsche Raffles juist van een verhoor teruggebracht werd.”

„En wat moet er nu gebeuren, beste vriend?” vroeg Charly, die den spreker vol bewondering had aangehoord.

„Eerst zullen wij onze rekening hier betalen, Charly, want wij zullen weer van woning moeten veranderen. En daarop zal ik morgen een bezoek gaan brengen bij mijn advocaat Newman.”

Je bedoelt dien dr. Newman, die de verdediging op zich heeft genomen van den voorgewenden Raffles?”

„Ja. Het is noodig, dat ik hem nog van eenige kleinigheden op de hoogte breng.”

„En dan?”

Raffles leunde behaaglijk in zijn stoel achterover, en keek zijn vriend glimlachend aan.

Daarop deelde hij hem een nieuw plan mede, bij welk verhaal Charly Brand in komische wanhoop de handen boven zijn hoofd samensloeg.

— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —

Twee dagen waren voorbijgegaan.

De groote rechtzaal in het Paleis van Justitie was overvol. De openbare aanklager was zenuwachtiger dan men dit van hem gewend was.

Toen de beklaagde werd binnengebracht, werd een algemeen gemompel vernomen. De voorname dames en heeren, die de verhandeling bijwoonden, deelden elkaar [30]hun opmerkingen mede, fluisterden elkaar toe, welken indruk de groote onbekende op hen maakte.

Over het algemeen was men teleurgesteld. Men had zich hem veel eleganter, grooter, knapper gedacht. Ook scheen hij reeds door het gevangenisleven geleden te hebben. Zijn gang was min of meer sleepend en toen hij de eerste vragen van den voorzitter beantwoordde, zag men menigeen onder het publiek de schouders ophalen.

„Hij spreekt als een echte plebejer!” meende de een. „Hebt gij zijn handen gezien?” vroeg een jonge dame. „Hij heeft handen als een slager!—En zijn oogen! Daar zou ik nooit verliefd op worden!”—

Andere dames protesteerden. Zij vonden Raffles bekoorlijk, verrukkelijk! Ja, eenige van haar werden beurtelings bleek en rood, als zij naar hem keken en een dame tusschen de twintig en vijftig viel van verrukking in onmacht.

In de advocatenbank had de verdediger van Raffles plaats genomen.

Op de eerste drie dagen der zitting viel niets bijzonders voor. Raffles verdedigde zich zeer onhandig, raakte verward door de vele strikvragen, die hem gedaan werden, sprak zichzelf dikwijls tegen—in het kort—niemand twijfelde eraan of hij zou tot minstens twintig jaar veroordeeld worden.

Men stelde geen belang in hem.

Op den vierden dag kregen de pleiters het woord.

De openbare aanklager was opgestaan.

De rede, die hij hield, was zeer zeker een meesterstuk van welbespraaktheid. Als een stroom vloeiden de woorden van zijn lippen. De geheele akte van beschuldiging was in elkaar gezet als een hecht gebouw, waaraan geen enkel steentje ontbrak!

Het was een vurige, overtuigende rede, waarvan echter elke zin en elk woord wel overwogen was.

Een zucht ging door de menigte, toen de openbare aanklager zweeg.

Twintig jaar had hij geëischt.

„En die krijgt hij ook!”—was de publieke opinie.

Nu stond dr. Newman, de verdediger van Raffles op.

„Edelachtbare Heeren!” zoo begon hij.

„Ik moet heden een pleidooi voor u houden, dat de grootste verwondering zal opwekken.

Er is hier sprake van een lange reeks strafbare handelingen, gepleegd door mijn cliënt. Ik zal niet op de zaak zelf ingaan; ik wil alleen wijzen op de beweegredenen en bedoelingen, die mijn genialen cliënt bewogen hebben om te handelen zooals hij deed.

Raffles is zonder twijfel een genie, dat heeft zelfs de openbare aanklager erkend. Raffles heeft nooit, geen enkelen keer, de geldsommen welke hij zich toeeigende voor zichzelf gebruikt. Raffles is geen dief, zooals de openbare aanklager dit noemt. Raffles is ook geen inbreker, Raffles is zelfs, volgens menschelijke opvatting, niet eens verplicht om hier als beklaagde te verschijnen, om zich door zijn medemenschen te laten veroordeelen en straffen!

De maatschappij is integendeel dezen genialen man grooten dank verschuldigd, want hij is het, die tracht om eenigszins goed te maken, wat er in onze onrechtvaardige, verdorven maatschappij aan wantoestanden bestaat.

Raffles heeft ontelbare tranen gedroogd. Hij heeft ongelukkigen voor den dood bewaard, door hun tijdig hulp te verschaffen.

Raffles heeft meisjes en vrouwen, die reeds aan den rand van den afgrond stonden, op het laatste oogenblik de reddende hand gereikt.

Den kapitalisten kost het geen moeite om rechtvaardig te zijn en hun dochters voor schande te bewaren. Maar zij, die ellendig en arm zijn, die geen brood hebben om hun honger te stillen, die niet kunnen genieten van zonneschijn en frissche lucht,—zij hebben geen beschermer of raadgever, alleen vijanden, die klaar staan om hen in den afgrond en het verderf te storten, door middel van de voordeelen, die verbonden zijn aan het bezit van hun kapitaal.

Raffles heeft begrepen, dat de dochters der armoede een beschermer noodig hebben, maar ook heeft hij begrepen, dat de armen recht hebben op een deel van de enorme kapitalen, welke zich in handen van enkelen ophoopen. Raffles heeft begrepen, dat de ongelukkigen, [31]de vertrapten, de onterfden, die door onrechtvaardigheid terneergedrukt worden en hun ellendig lot moeten dragen, aanspraak mogen maken op hulp en redding.

En omdat hij inzag, dat geen enkele van hen, die zich de rechtvaardigen noemen, zich het lot dier armen en ongelukkigen aantrok, daarom trad hij op om de weenenden te troosten, de wanhopigen te redden, den bedroefden zonneschijn te brengen, de vallenden te steunen en hun, die door de maatschappij wreed werden verstooten, den weg te wijzen om recht te vinden.

Raffles had in het bezit moeten zijn van ontelbare millioenen, als hij al het grenzelooze leed, dat er uit den weg te ruimen valt, uit eigen middelen had willen bestrijden.

Dit vermogen bezat Raffles niet.

Dit vermogen echter zijn zij, die alleen den zonnigen kant van het leven hebben leeren kennen, schuldig aan de armen en ongelukkigen.

En dit vermogen wil Raffles teruggeven aan hen, die lijden. Hij strooit het geld met kwistige hand onder hen, die het behoeven en de maatschappij is den grootsten dank schuldig aan dezen zeldzamen man, die zooeven door den openbaren aanklager zoo scherp veroordeeld werd.

Is het niet gelukkig, dat Raffles de schurkenstreken van Arthur Hopp heeft ontmaskerd? De wandaden van den man, die steeds is beschouwd als een der steunpilaren van de maatschappij? Arthur Hopp werd gisteren gevangen genomen. Hij evenals zijn zoon hebben zich onmogelijk gemaakt voor de menschelijke samenleving.

Dat is het werk van Raffles—inderdaad geen slecht werk! De vijftigduizend pond, die Raffles den heer Hopp heeft ontnomen, had deze van de armen gestolen. En aan wie heeft Raffles ze gegeven? Aan de armen!

En juist omdat deze man nimmer iets uit eigenbelang heeft ondernomen, omdat hij den armen heeft teruggegeven, wat hun wederrechtelijk ontnomen was, eisch ik de vrijspraak van Raffles bij verstek!”

In ademlooze spanning hadden gezworenen en publiek geluisterd.

Toen de advocaat zweeg, sprong de voorzitter verschrikt op met den uitroep:

„Raffles bij verstek vrijspreken? Raffles staat hier, immers!”

„Ik moet tot mijn leedwezen mededeelen, dat Raffles zijn belofte heeft gehouden: Hij is niet als beklaagde verschenen!”

Ademlooze stilte volgde. Men had een speld kunnen hooren vallen.

De voorzitter wendde zich tot beklaagde:

„Dat beteekent dus, dat gij Raffles niet zijt?”

Beklaagde zweeg.

De advocaat echter verhief zich opnieuw en vervolgde:

„Ik meen te mogen gelooven, dat alles wat ik ten gunste van mijn cliënt heb gezegd, de rechters heeft getroffen, vooral omdat zij zelf weten, dat alles wat ik beweerd heb, op waarheid berust. En daarom zou de mogelijkheid kunnen bestaan, dat de heeren, misschien uit groote bewondering voor Raffles, dezen ellendeling, die hier als beklaagde voor ons staat, zouden vrijspreken.

Deze man echter is een werkelijke misdadiger, een drievoudig moordenaar, een van hen, van wie niets meer te redden valt, die misdaden plegen uit zucht tot kwaad en die dus aan de gerechtigheid moeten worden overgeleverd. Ik stel dezen beklaagde dus in handen van het gerecht.”

Weer ontstond een pauze.

Daarna stelde de president den beklaagde verschillende vragen. En deze, die begreep, dat er geen uitweg meer voor hem overbleef, dat zijn identiteit was vastgesteld, bekende, dat hij Frits was, de reeds lang gezochte dief en moordenaar.

Beklaagde werd weggebracht naar zijn cel, waar hij zou blijven totdat zijn zaak opnieuw in behandeling zou komen.

Daarop wendde de president zich met doodsbleek gelaat tot den verdediger:

„Maar waar is Raffles?”

De advocaat haalde glimlachend de schouders op. [32]

Nu verhief zich de openbare aanklager in zijn volle lengte met de woorden:

„De verdediger schilderde ons Raffles uit als een ridderlijk mensch, waaraan de besten onder ons een voorbeeld zouden kunnen nemen. Hoe komt het dan, dat deze man zijn woord niet houdt. Mijzelf heeft hij zijn eerewoord gegeven, op de openbare zitting te zullen verschijnen. Hij is niet gekomen.”

Weer glimlachte de verdediger.

„Gij vergist u! Hij is er. Wilt gij zoo vriendelijk zijn na afloop dezer zitting advocaat Dr. Newman uit zijn woning te bevrijden, waar hij is opgesloten? Ik ben Raffles!”

Met een enkele beweging trok de spreker zijn pruik af en wreef met zijn vingers de plooien en rimpels uit zijn gelaat.

En allen zagen Raffles. Daar stond hij, met fier opgericht hoofd, tusschen het publiek en de gezworenen, glimlachend om zich heen kijkend.

En voordat iemand der aanwezigen van zijn verbazing bekomen was, was hij met een enkelen sprong, tusschen de verbaasde politieagenten door, verdwenen.

Raffles!

Ontelbare monden stieten tegelijk dit woord uit en in het volgende oogenblik snelde iedereen naar de deuren om jacht te maken op Raffles, den grooten onbekende.

In een ommezien stond het geheele gebouw op stelten; men holde de trappen af, de gangen door—maar Raffles was verdwenen.

Ook in de omliggende straten werd hij niet gevonden.

Raffles was echter het huis niet ontvlucht. Kalm had hij een kleine deur geopend, die zich naast de publieke zaal bevond en naar een klein vertrekje leidde, waar de gezworenen samenkwamen om over het lot van een beklaagde te beslissen.

Daar had hij aan de tafel plaats genomen en een paar regels op papier gezet. En toen het in het gerechtsgebouw weer rustig was geworden, omdat men op straat naar Raffles zocht, had hij jas en hoed genomen, zich gekleed en met opgeslagen kraag het gebouw verlaten.

„Is Raffles al gepakt?” vroeg hij in het voorbijgaan aan een paar opgewonden politieagenten.

„Neen, heer, dokter, dat is de duivel in eigen persoon!”

Raffles verliet lachend door een zijdeur het gebouw.

Toen de gezworenen zich in het kleine vertrek hadden verzameld, vonden zij op tafel het briefje van den volgenden inhoud:

„Ik moest mijn pelsjas en hoed nog even hier vandaan halen. Ik groet u hartelijk! Tot weerziens!

RAFFLES.”

Zoo eindigde dit avontuur van den grooten onbekende.