„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel ineengedoken zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij dacht na. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om na te denken: iedere keer werd hij gestoord!
De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef hij vóor zich kijken.
„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk. „Hoe staat het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op de schouder.
„O, ben jij ’t.…?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met veranderde toon, maar nòg gemelijk: „Kruyt.… Albert.”
„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige keer.…” Medelijdend keek de bezoeker de ander aan.
Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren [241]rondblozend gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai gevormde neus, streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van ironie, door rooken eenigszins zwartachtig geworden gave kleine tanden, waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje liet zien; verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen iets welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer voor- dan nadeelig was: ’t gaf hem bij de ongedwongenheid en evenredigheid zijner bewegingen een waas van priesterlijke waardigheid en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met een heldere geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een waardig man, en een wie ’t goed gaat in dit leven. En, wat het uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding en stand, die zijn wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van trekken.
Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan, om zich op de hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van zijn oude vriend vernomen, en opeens had de tijding van diens vlucht en wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast. ’t Was Van Thiemen geweest, die hem op [242]de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn ongelukkige vriend was voor Kruyt voldoende geweest, om geen oogenblik meer te twijfelen aan diens geestestoestand: ’t was mis met Larsen, en—misschien voor goed!
„Gisteren is zij er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor zich uit starende oogen en weer op gemelijke toon.
„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel.
Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander toe:
„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer hier te houden! Ik wil haar niet zien! Ik wil haar nooit meer zien, versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!”
De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van wrevel, de derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren steeds over zijn vrouw gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem meer dan eens pijnlijk opgevallen. Wat maakte de man zoo achterdochtig tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig met haar scheen te wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter zake van zijn huwelijksleven—toch besefte hij [243]vaag dat hier iets bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag!
„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo kwaad niet. Ze wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je zorgen. En ze stuurt je toch ook dikwijls wat lekkers.…”
Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die staat van afgetrokkenheid waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde gadeslaat dat er met zijn droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld buiten hem als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds rondwaarden of waarin ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden. Hij verbeeldde zich dat zijn vriend Paula herhaalde malen gezien en gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula: die stond in contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In werkelijkheid was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke hij verpleegd werd, driemaal om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in ’t gesticht geweest, „om naar mijn arme man te gaan kijken”, zooals zij ’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een enkele keer Kruyt te ontmoeten. Telkenmale had Larsen [244]volstrekt geweigerd haar te woord te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon een instinktmatige kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware ’t slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer liet—had hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd over Paula’s optreden. Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in schril contrast met de zachtmoedigheid, droefenis en teedere belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het hoofd: de beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo te beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden, terwijl hij zoo onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor zijn beweringen aangaf! ’t Was wel treurig, waar men immers wist hoe goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd hadden: dat zei immers iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn gekend had!
Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij was ook al op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde iedereen in met haar duivelsche aanhalige manieren! Wat hielp het hem er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al weten wijs te maken, hoe lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe vreeselijk ze ’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid [245]meer! Zoo had ze iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten te houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde niemand wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn brieven aan Van Thiemen, de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom geen taal of teeken van Didi? Waarom mocht hij zijn kind nooit zien? Dat was alles om krankzinnig te worden!.… Was hij ’t niet al? O stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest voortduren, die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder eenige aanraking met zijn vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en een enkel bezoek van Kruyt, die van niets afwist! Paula’s brieven! Hij woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan de eerste genoeg gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen gelezen had deelde Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t haastig inspringen van een trein, die reeds in beweging was, zijn eene arm gebroken had, en nu het bed moest houden. Ze onthield zich van te verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste wanhopige brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere correspondentie. Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar eerste bezoek aan ’t gesticht in [246]overleg was getreden met de geneesheer en hem op allerliefste en overtuigende wijze had duidelijk gemaakt dat het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve van haar. „Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van zijn huis, van zijn kind, van zijn vrienden.… En dan—hij kan mij immers zien zooveel als hij zelf verlangt.…” De dokter was ’t volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk man en een voorzichtig man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter dan zijn vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te worden, en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles bedisselende en regelende leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis ondervond. Hij wist er alles van, hij die zelf een mooie vrouw had, en een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij daarom met nauw zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar draaiend, tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje.
Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter had de gewoonte meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan zijn hoofd scheef op te heffen, zoodat hij hem of haar met wie hij zat te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken onderlip en met iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan stemmen, [247]die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder leelijk: het lichte knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met de enkele, grauwe, platliggende haren links en rechts aan de slapen, de slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele zwarte sprieten van haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang leek door de lage, al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed onweerstaanbaar herinneringen leven aan groteske Japansche beeldjes uit speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes.
Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder meegevallen. Hij ging ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf dat bezoeken van hun kind aan Larsen niet gewenscht waren: „Ja.… ja.… ja.…” droomde en knikkebolde de arts, luisterend naar de stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.… zonder twijfel, zonder twijfel.…” En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.… ja, mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt u niet?” zei Paula nog eens, heel lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar oogen. De dokter luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.… nee, zeker.… zonder twijfel, mevrouw.… zonder twijfel.”
Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van [248]zijn vrouw geen brieven ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat hij zijn Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in zijn kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich daartegen zoo verzette!—bij de dokter beklaagde over ’t uitblijven van brieven en een bezoek van zijn kind, wierp hij onmiddellijk de schuld op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij hem hier binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn wel of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de menschen zand in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit vandaan kwam, en zoo meer. Op al die hevigheid had de goede psychiater maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie had hem immers geleerd krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij buiten de deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de stemmen in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me zoowat iedere gek.… allemaal op een gemeene manier in ’t krankzinnigengesticht gekomen.… bekende geschiedenis.” En ’s dokter’s mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.… zonder twijfel, hm.… zeker.… ja, ja, ja.”
Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak ernstiger dan hij eerst gedacht had: [249]de patiënt baarde ongerustheid door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam kijken, zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid van diens vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit over sprak, nadat hij eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee, hij zag het nuttelooze daar wel van in, en Larsen vroeg het hèm niet. Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor zijn kamer belast was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar tegenwoordige betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze beter deed met op al Larsen’s uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te doen dan hoog op te geven van ’t verdriet „van dat arreme mensch”, omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch wel een beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”.
En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn patiënten had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s bezoeken moesten voortaan streng geheim gehouden worden, en zoo noodig ontkend. De praatzieke verpleegster werd door een ander vervangen. Nu bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen meer te schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers [250]kwetsen.… Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven eenvoudig, met de andere die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten brengen; dan hield hij daar alles tot het belangstellend bezoek weer kwam, en schiftte wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en wat niet.
Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer veel resultaat zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren en klagen. ’t Onwaardige van zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies in zijn zieleleven was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat hij nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met zelfbeheersching niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet de minste lust toe voelde, ja het spreken er over hem onduldbaar pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die hem bang maakte voor deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst zelfachting eischt en dus zelfbedwang gebiedt. Wat gaf hij om zijn waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem aanzette tot krachtsinspanning over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid verlangde hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig in diepe neerslachtigheid; dan weer woest, wanneer de vrees voor levenslange doem in dit [251]oord der wanhoop hem al te benauwend tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patiënten, wanneer hij die ’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen het gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn waken en slapen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde beide.
Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind werd dat, want het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende. Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde.
Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans: de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was [252]er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot, en daarom alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was hartstocht evenals wat hij hield voor liefde in zijn verhouding tot Paula. Slechts de liefde tot zijn kind had bij alle zelfzucht iets diepers en heiligers.
Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone oppervlakkige beteekenis van ’t woord—onbaatzuchtigheid en zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan alleen nog maar zooals het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers” krijgt.
En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te kennen. De dood zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij ’t verlies niet kon beseffen: hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes, zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen in de wetenschap, zijn schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje, dat hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief kind, dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende dampkring van levensgenot, dat zelfs die éene smart van zijn vorig leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen blijvende indruk van beteekenis had kunnen achterlaten.
Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in levenswijsheid, want ook het [253]kind zoekt het geluk buiten zijn eigen wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover de Groote Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En vroom is wijs, want in de grond is slechts dat gevoel van verantwoordelijkheid het eenig vereischte daartoe, zoodat uiterlijke godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed op vroomheid kunnen blijven.
Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen en angst, als hij vroeger werd misleid door genotzucht.
Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende verpleegster, die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig voortzeilend in breede waardigheid zijn kamer binnen. Zij was een bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar, met blozende bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder wimpers, met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende, roodgepunte kin, een volkomen glad en glimmend, smal voorhoofd; verder een korten nek, vrij hooge schouders, en een breed kort propfiguurtje. Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen zelfbewusts, evenals de naar binnen toegeknepen mond. [254]Haar oogen zeiden: „hier ben ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en haar mond zei zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”.
Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke stemmodulaties, hoog en niet onwelluidend.
„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat avondeten, en de deur piepte achter haar.
Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige verpleegster klopte altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was weer in een van zijn sombere neerslachtige buien, wanneer hij nadacht.
Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t bizonder ’t voorwerp van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk verband te staan met een gedachte die zij bij hem opwekte, want nauw had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een kleine sofa aan, die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen:
„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!”
En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had, lag deels op de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en daaromheen op de grond uitgespreid.
Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in.
Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; [255]want juist toen de vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De enkele schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij in een ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen Larsen hem bereikt had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk begrijpende wat er gaande was, werd niettemin te zeer overrompeld, om voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben: hij trad de ander in de weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem bij beide armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en de man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd vlak vóor zijn neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn vingers waren beklemd geraakt, de punten vermorzeld.
Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna anderen.…
En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de vluchteling na te zetten.
Toen was het te laat. [256]