[Inhoud]

XX.

Twee mannen stonden boven op het dak der veranda van het brandende huis.

„Ziet u ze?”

„Ja, allebeî. Daar.… bij de deur.…”

„Durft u er in? God, wat ’n rook! Zouen ze niet al gestikt zijn?”

De ander aarzelde even, een tiende seconde wellicht.

„Hoû je klaar, als ik roep,” riep hij, en sprong naar binnen.

De brandweerman, met wie hij gesproken had, volgde. Hij woû zich door die meneer geen vlieg laten afvangen.

„’t Valt mee!” riep een stem van binnen. „Voortmaken is de boodschap. Gauw, help me ’n handje.”

„Ze zitten zoo vast aan elkaar, gedome!”

„Hier, ’t is al in orde. Beiden tegelijk maar. We hebben geen tijd. Jij aan deze kant. Ziezoo, vooruit! Voorzichtig.” [287]

Nog een brandweerman was naar binnen gesprongen; hij schoot toe.

„Best, pak daar aan! Goed zoo.… Poeh! Wat ’n rook!”

„Pas op, meneer! Even tillen.… Zoo.…”

„Op ’t dak maar?”

„Zou ’t houen? Hei, Kees, geef ’s even die leer! Gauw!”

De geroepene begreep de bedoeling dadelijk. Een stevige ladder werd over de volle breedte van ’t ijzere en glaze dak der veranda gelegd, schuin tegen ’t venster.

Voorzichtig—op de vensterbank staande—tilden de drie mannen de ineengestrengelde lichamen op de schuinliggende ladder.

Uit de kleine straat, vanwaar een opgepropte menigte stond toe te kijken, klonk uitbundig gejuich. Allerlei opmerkingen werden luide geuit.

„Dat ’s Perfester Van Thiemen! Zie je ’m? Nou, die durft, hoor.…”

„Hij heeft ze te pakken. Allebeî! Met z’n drieën lappen ze ’t ’m!”

„Arm schaap! Kijk ze daar nou ’s liggen. Wat houdt ze ’m vast.”

„Kijk! Ze hebben ze losgekregen! Zouen ze dood zijn?”

„Hij niet misschien, maar dat arme schaap!” [288]

„Nou maar, hij is anders slap genoeg. Zie je dàt? Hij geeft niks mee, hoor!”

Het venster, waarlangs de drie hun dubbele vracht naar buiten hadden gedragen, lag dicht bij het uiteinde van de veranda. Het was het laatste raam aan de achterzijde van ’t huis, naar de kant van ’t straatje, en was aangebracht op het ruime portaal waarop Larsen’s slaapkamer en die van zijn dochtertje uitkwamen. Dit heele achterdeel der woning was in latere tijd aan ’t oude huis toegevoegd; zoodat het ter zijde niet meer grensde aan het huis er naast, dat de eene hoek van het straatje uitmaakte, maar aan een deel van de tuin daarvan. Van de breede ijzere rand der veranda tot de scheidingsmuur der twee aangrenzende tuinen was de afstand niet grooter dan wellicht een meter.

Van de veranda in de tuin der buren te komen leverde dus geen moeilijkheid van beteekenis op.

Langs de rand der veranda konden dus twee man met eenige inspanning de ladder naar zich toehalen, waarop achtereenvolgens het bezwijmde kind, en daarna het slappe lichaam van Larsen waren neergelegd.

Van Thiemen weerde zich als de beste der brandweermannen. Met geschroeide haren en baard, zwarte veegen in zijn gezicht, zijn kleeren, bedorven door roet, rook en water, zag hij er merkwaardig uit. [289]Blootshoofds—hij had zijn hoed verloren—en zonder overjas vertoonde hij zich eindelijk weer buiten. Hij had zeker een half uur in ’t buurhuis vertoefd, waar Larsen en zijn kind voorloopig binnengebracht waren, in afwachting van de komst der brancards uit het ziekenhuis.

Hij werd op de stoep bestormd door nieuwsgierigen, vele bekenden en vrienden daaronder. Een jonge man met donker haar, schrandere levendige oogen, fijne neus en dun zwart snorretje, trad ’t eerst op hem toe.

„Hoe is ’t, professor?” vroeg hij. „Leven ze?”

„O, Zomer, ben jij daar ook? Ja, Goddank, ze leven beiden.”

„De dokter is er zeker bij. Welke dokter is ’t? Toch niet Dr. Brakel?”

„Nee, een ander: Norman. Je kent hem wel.”

De ander knikte.

„En, wat gebeurt er nu met.…?”

„Er moeten brancards van ’t ziekenhuis komen. Zoolang blijven ze hier in huis.”

„Alle drie?”

„Alle drie, dat wil zeggen.…”

„Mevrouw Larsen.… Was die dan niet in ’t huis?”

„Jawel, jawel!” klonk uit de omstanders, die naar ’t gesprek hadden staan luisteren. „Die was er ook in. Die is verbrand. Vraagt u ’t maar aan die daar. Dat is de kamermeid van mevrouw.” [290]

De jonge man en Van Thiemen keken beiden in de richting waarheen de spreker wees. Daar zat op een steene paaltje van de breede stoep Pietje, ’t beeld van doffe wanhoop, snikkend en met beide armen een bundel goed omklemmend, dat tegen haar schoot lag.

Van Thiemen, die ’t niet noodig vond de droeve dienstbare nog meer van streek te brengen dan ze blijkbaar reeds was, nam zijn jonge vriend ter zijde:

„Ga je mee, Zomer?” vroeg hij. „Ik ga naar mijn huis. Ik heb hier verder niets te doen. Morgen denk ik ’s naar ’t ziekenhuis te gaan. Ik ben wat moe, en moet me wat opfrisschen.”

Met een zure glimlach wees hij op zijn gehavende plunje.

„Best, professor. Ik ga met u mee, als ik u niet lastig val, zoo in de nacht.…”

Het tweetal ging links van ’t huis de breede straat op, zoo de menigte vermijdend.

O, à la guerre comme à la guerre! Ik ga toch nog niet naar bed. Ik ben nog te vol van alles.” Zwijgend stapten ze een eindweegs naast elkander voort.

„Maar, professor,” begon Zomer weer, „zeg u me toch ’s—ik woû ’t zooeven met al die menschen niet vragen—is mevrouw Larsen werkelijk verbrand?”

„Ja, dat moet wel,” antwoordde Van Thiemen, en [291]zijn gelaat vertoonde een uitdrukking van pijnlijke gedachten, „of ten minste gestikt.… want ze had geen enkele brandwond.… niets, nergens. Het haar was alleen wat gezengd. De slaapkamer was trouwens vol rook—niet om door te komen bijna. Ik ben er geweest. Larsen was als een dolle over de twee tuinmuren achter in ’t huis geklommen—verbeel’ je, van het Spinhuis-straatje naast de Erlings.—Toen ik even een voet in de slaapkamer zette, moest ik terug: ik was anders zelf gestikt, je kon er geen hand voor oogen zien. Ik was achter op de veranda geklommen moet je weten, en had zoo in mevrouw’s slaapkamer willen komen. We hadden Larsen daar het raam in zien springen.”

„Maar hoe kwam Professor Larsen zoo opeens hier in de stad? Was hij niet.…?”

„Hij was weggeloopen.… juist kort geleden in de stad. Enfin, dat zal ik je nog wel ’s vertellen.”

„Ga u voort.”

„Nu, toen we zagen dat het onmogelijk was door dat eene venster in de slaapkamer te komen, probeerden we een ander, ’t laatste van de drie aan de achterkant van ’t huis, dat op ’t portaal uitkomt. Daar was gelukkig minder rook. Daar vonden we Larsen en zijn kind vlak vóor de deur van de groote slaapkamer. Ze lagen in elkaars armen op de grond. Je kon zien dat Larsen daar neergevallen was, [292]nadat hij ’t kind uit die hel van rook en vlammen gehaald had.”

„Uit de slaapkamer dus?! En mevrouw dan?”

„O, daarvan hoorde ik later pas. Ik had toen op dat oogenblik alleen aandacht voor Larsen en zijn dochtertje. Maar ik weet, dat er kerels van de brandweer van voren ’t huis waren binnengekomen. Niet de trap langs, want daar was ook geen doorkomen aan. Ik vond mevrouw Larsen—haar lijk, bedoel ik—al bij de Erlings, toen ik Larsen en zijn kind daar binnen hielp dragen. Hoe de kerels ’t ’m geleverd hebben, begrijp ik nòg niet. Ze hadden haar blijkbaar vóor uit een straatraam naar buiten gebracht. Pietje—je weet wel, dat was mevrouw’s kamermeid, nogal een lieveling van haar—vertelde bij de Erlings met veel misbaar, dat ze mevrouw met Didi bij elkaar gevonden had: mevrouw op bed liggend en het kind wanhopig huilend over haar heen gebogen. Ze was toevallig wakker geweest—Pietje, meen ik, die hoog boven in ’t huis sliep—ze had een sterke brandlucht geroken, en was toen gaan kijken. Toen had ze gemerkt dat mevrouw al koud was; ’t kind woû niet mee, en woû maar niet gelooven dat haar moeder dood was, bleef als een wanhopige rukken en trekken en schudden. Pietje had ’t kind moeten achterlaten, om zelf haar leven te redden, zooals zij vertelde. Tsh! ’t Onnoozele menschje stelde zich bij [293]de Erlings zoo vreeselijk aan, dat ze maar naar buiten gebracht is. Je hebt haar op de stoep zien zitten.”

Van Thiemen kon een glimlach niet bedwingen, ondanks de droevige gedachten die bij hem omgingen; en ook zijn jonge metgezel kreeg een vroolijke vleug om de mond, toen hij aan ’t erbarmelijke tooneel van Pietje’s treurnis dacht.

„Nu,” hervatte Van Thiemen, „dat verhaal van Pietje kwam overeen met wat de dokter constateerde.…”

„Zoo?”

„Ja, die vond dat mevrouw Larsen al minstens een half uur dood moest geweest zijn toen ze bij de buren binnen werd gebracht.”

Van Thiemen versnelde onwillekeurig zijn pas. Hij huiverde.

De ander keek hem even verwonderd aan, doch de oorzaak van hetgeen hij in zijn oude vriend waarnam enkel toeschrijvende aan gewoon menschelijk medegevoel, dacht hij er niet verder over na.

Beiden zwegen echter een poosje.

Onderwijl bereikten ze de brug in de buurt van Van Thiemen’s woning.

„Egyptische duisternis,” zei Van Thiemen eindelijk. „Zie je wel, dat er geen enkele straatlantaarn op is? Dat ’s van wege de maan, die al zoowat een uur onder is!” [294]

„Zuinigheid met vlijt,” antwoordde de ander om iets te zeggen. Intusschen tuurde hij afgetrokken onder ’t voortwandelen naar de inktzwarte oppervlakte van ’t water der gracht, waar het eenzame lichtje van een turfschuit doods opstaarde uit de drabbige onbewegelijkheid, diep tusschen de donkere boomen en de hooge huizen daarachter.

Zonder een woord meer te wisselen ging het tweetal verder tot aan Van Thiemen’s woning.

Eenige minuten later zaten beiden op dezelfde stoelen in de studeerkamer, waar nog zoo kort geleden Larsen zijn ijzingwekkende biecht gedaan had.

Van Thiemen had van kleeren verwisseld en zich gewasschen. Was zijn gevoel van onfrischheid en vermoeienis ook geweken, zijn gemoed was er niet rustiger door gestemd: de onrust-gedachten, die hem sinds de nachtelijke samenkomst met Larsen, en vooral na de berichten omtrent de dood van diens vrouw steeds door gekweld hadden, drongen tot uiting. Zou hij uitspreken wat hem zoo vreeselijk drukte, raad en steun zoeken bij deze jonge man, door hem de akelige vermoedens bloot te leggen die in hem spookten? Hij wist welk een warme genegenheid de jonge rechtsgeleerde voor zijn vroegere leermeester koesterde, hij wist ook in welk een achting de veelbelovende leerling steeds bij Larsen gestaan had. En ook hijzelf voelde veel sympathie voor hem, [295]en stelde een onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en in zijn talenten. ’t Gold hier een werk van hooge menschlievendheid, een daad van de edelste vriendschap. Nee, hij kòn, hij mocht niet zwijgen. Aan niemand beter dan aan de vereerende leerling kon hij deze kiesche zaak toevertrouwen: hier was toewijding, geestdrift en talent noodig, en op dat alles kon hij immers rekenen.… Hij moest spreken.

De jonge rechtsgeleerde was zelf in gedachten verdiept, toen Van Thiemen na een oogenblik de stilte verbrak:

„Zomer, ’t deed me bizonder veel genoegen je zooeven te ontmoeten. Je kwam als geroepen.”

„Te veel eer, professor. ’t Speet mij alleen dat ik zoo laat kwam, zoodat ik niet anders dan toeschouwer ben kunnen wezen. Ik had anders zoo graag een handje meegeholpen. U heeft zich kranig geweerd, hoor ik.”

„Och, laten we daarover zwijgen. Je weet hoe Professor Larsen en ik bevriend waren.…” Van Thiemen weifelde even. „En.… ook daarom vin’ ik het zoo heerlijk dat ik jou getroffen heb.…”

„Mij, professor?” Er was een oprechte toon van bescheiden verwondering in Zomer’s stem, en ook zijn open, trouw gelaat drukte dit uit.

„Ja.… kerel, ik heb je noodig. Ik zit voor een [296]ellendig geval.… in verband met mijn vriend Larsen. Ik woû je over iets raadplegen dat me geheel vervult. ’t Zou me een ware verlichting zijn je er over te spreken.…”

„Ik hoef u wel niet te zeggen, professor, hoe aangenaam ’t me wezen zal u van dienst te zijn, ook om der wille van Professor Larsen. Maar ik kan me niet voorstellen.…”

„O, je kunt me helpen misschien. In alle geval zal ik me minder bezwaard voelen, als ik ook éen ander mensch verteld heb wat me nu zoo benauwt. ’t Zijn vermoedens, niets dan vermoedens, maar zóo waarschijnlijk.… dat ze me kwellen als ware feiten. Niemand weet ervan, behalve ik.… dat wil zeggen niemand weet alles in zijn verband.… hoe ’t eene uit ’t andere voortgekomen is.… Larsen heeft me mededeelingen gedaan.… Ik kan op je stilzwijgen staat maken, nie’waar?”

„Natuurlijk, professor, als ’t graf.…”

Van Thiemen veranderde van houding, haalde zijn rechterhand door zijn golvende zwarte lokken, en stond op.

Kom, ik laat je op een droogje. Wil je niet wat warms? Ik zal zien dat ik wat water warm maak. Een kop waterchocolâ?”

Zomer aanvaardde ’t gebodene.

„Je weet, ik ben geheel-onthouder,” hervatte de [297]ander. „Ik heb hier op ’t oogenblik niets anders bij de hand.”

De levendige professor had spoedig wat hij noodig had klaargemaakt. Een glas van zijn waschtafel en een theekopje, dat in zijn kast stond, waren weldra gevuld met het geurige mengsel. Hij nam ’t glas voor zich en bood zijn gast het kopje.

„Ziezoo,” hervatte hij, weer zittend. „Ik moet je eerst een vraag doen: geloof jij bepaald dat Professor Larsen krankzinnig wàs, ik meen toen hij naar ’t krankzinnigengesticht gebracht werd. Je hebt er toen van gehoord, nie’waar?”

„Wat zal ik u zeggen?.… Ik hoorde toen wat iedereen hoorde. Later heb ik nooit die zaak in twijfel hooren trekken.…”

„Nu, ’t mag toèn zoo geweest zijn.… of liever, ik ben overtuigd dat hij toèn zoo was—gek, bepaald gek—maar hij was ’t niet meer toen ik hem gisteren—ik bedoel vannacht—sprak.

„Heeft u hem vannacht gesproken? Vóor de brand dan?”

„Ja, onmiddellijk te voren.… òf ten minste toen de brand net begon. Hij is toen bij me geweest.

En Van Thiemen vertelde ’t heele geval, sprak van zijn bijna vaste overtuiging, dat wat Larsen hem mededeelde pure waan was, een krankzinnige inbeelding, van zijn twijfel, eerst gering, daarna zoo [298]versterkt door de feiten bij de brand waargenomen.

De jonge advocaat luisterde met de grootste aandacht, met de hartelijkste belangstelling.

„Een psychologische zeldzaamheid, dit geval, vin’je ook niet?” zei Van Thiemen aan ’t slot van zijn verhaal.

„U bedoelt dat plotseling ontwaken van ’t bewustzijn, door een groote ontroering, en dat overdreven gevoel van verantwoordelijkheid?”

„Nee, dat begrijp ik wel—dat komt meer voor. Zeker. Ik meen die uitbarsting van haat in een zachtmoedig man als Larsen. Je kent hem.”

„Ja, zeldzaam. Zonder twijfel, professor.”

„Maar.…” vervolgde Zomer na een oogenblik denkens, „ik geloof met u, dat hij volkomen bij zijn verstand was toen hij u.… zijn bekentenis deed. O, daar twijfel ik nu geen oogenblik meer aan.…”

„Maar toen hij de moord deed? Toen ook? Dat is immers niet aan te nemen.…”

„Wat mij betreft, professor.…” De jonge rechtsgeleerde bracht het hoofd schuin voorover en wachtte even, om ’t daarna met een kleine ruk op te heffen. Hij keek zijn gastheer flink in de oogen. „Ik geloof vast, dat hij op ’t oogenblik van de moord volmaakt ontoerekenbaar was. Dat is immers duidelijk uit al wat voorafgegaan is. Ik wil alleen zeggen, dat ik voor mij de moreele overtuiging heb. [299]En tegenover de rechter.…” Hij hield even op, om met geestdrift te vervolgen: „O, professor, ik woû dat ik ’s voor Professor Larsen pleiten mocht!”

„Niets liever dan dat, kerel,” antwoordde Van Thiemen op hartelijke toon, „de moeielijkheid zal alleen wezen, dat hijzelf zijn zaak bederven wil. Hij zal van geen verdediging willen weten. Ik heb je immers gezegd hoe hij zich overtuigd toonde van zijn schuld. Hij meent oprecht zijn vrouw met voorbedachten rade te hebben vermoord, en houdt zich zelf daarom voor een misdadiger van ’t minste allooi! Tsh!”

Van Thiemen was opgestaan en liep heen en weer, de eene hand op de rug en met de andere zijn snor martelend.

De jongere van ’t tweetal luisterde aandachtig, de kin op de linkerhand geleund.

„Zoodra hij morgen wat frisch is, zal hij doen wat hij bij mij gezegd heeft. O, ik ben er zeker van. Die flauwte van de rook heeft niets te beteekenen gehad. Er was wat vermoeienis bij: daarom heeft het hem nogal aangepakt. Ik hoû ’t ervoor dat morgen—vandaag, bedoel ik, van middag—de heele zaak bij de politie bekend is, in alle bizonderheden. Tsh!”

„Ja—ik begrijp u: als hij even kalm en beredeneerd het heele geval vertelt, zooals hij ’t u gedaan heeft.…” [300]

„Dan is er alle kans dat hij veroordeeld wordt.… Maar ook als ze hem ontoerekenbaar verklaren—hem nu nòg voor gek houden—wel.… dan is ’t nog ellendiger met hem gesteld. Gevangenis of krankzinnigengesticht, dat is zijn keus, of liever die van de rechter en de advizeerende arts.… Dat moet gecaveerd worden, Zomer! ’t Zou een ramp zijn voor hem. En ook voor zijn arm kind!.… Dat moet jij zien te doen, kerel.” Hij zweeg even. „Weet je wel dat ik je benijd? Ik woû dat ik dat pleidooi van je overnemen kon: wat kan er heerlijker wezen dan je beste gaven te doen schitteren om daarmee een weldaad te doen!”

Van Thiemen’s oogen blonken van geestdrift, terwijl hij de laatste zinsnede uitsprak, en ’t vlugge, groote gebaar met beide armen vooruit en half terugbuigend met geopende handen—het hoofd ietwat ter zijde tegen de schouder, was als een aanbiddende verrukking voor een schoon tafereel.

Bewonderend keek de jonge rechtsgeleerde naar dit beeld van echt entoeziasme, en de vlam van ’t heilige vuur in hem, gevoed door de nooit falende brandstof zijner overtuigingen, aangewakkerd door elke ademtocht van medegevoel, waar maar menschelijk leed verneembaar was, laaide thans òp met nooit gekende gloed.

„Zeker, volkomen met u eens, professor!” riep hij. [301]„Maar,” liet hij er met bezorgdheid op volgen, „stelt u niet te veel vertrouwen in mij? Ik bedoel niet in mijn bekwaamheid als advocaat.… maar in mijn vermogen om Professor Larsen te overreden? Daarvoor kan ik ù niet missen. U moet me helpen met al uw macht.”

Van Thiemen hief zijn eene arm op, als wilde hij zeggen: dat spreekt immers vanzelf! Daarna ging hij weer zitten, leunde achterover, en streek langs zijn knevel en mond, de oogen naar boven. De jonge advocaat ging voort:

„Zou ’t niet ’t beste zijn, dat u van middag eerst alleen met de professor ging spreken? U haalt hem stellig makkelijker over dan ik. Toch stel ik er mij veel moeite van voor, ook voor u.…” Hij brak een oogenblik af; dan in gedachten, half bij zichzelve: „Hij schijnt ontzaglijk veel van die vrouw gehouden te hebben!”

Van Thiemen stoof op.

„Van haar gehouden! Een mooie liefde! Nee, kerel, dat was geen liefde. Dat was een verblindende illuzie, hartstocht van de zuiverste soort.… altijd geweest. Maar.… je hebt gelijk: waar zoo’n diep ingrijpend gevoel tot zulk een.… ziels-omwenteling geleid heeft.… is rechtzetten een heele toer! Hij gelooft even vast aan zijn haat, als hij aan zijn liefde geloofd heeft.… Tsh! Stumpert!” [302]

Zomer greep naar zijn water-chocolade, en deed een bizonder lange teug. Het kopje bedaard en afgemeten neerzettend, hervatte hij langzaam:

„Dus dan zal de heele kwestie zijn, Professor Larsen te overtuigen, dat, zoowel die haat als wat hij zijn liefde noemde, beide niets dan verschijnselen van zielsziekte waren.… Zijn ontoerekenbaarheid.…”

„Zeker, stellig,” viel Van Thiemen in, „zijn ontoerekenbaarheid is al begonnen op ’t oogenblik dat zijn passie voor die vrouw zijn ziel binnendrong, om die langzamerhand te vergiftigen. Ik bedoel natuurlijk zijn ontoerekenbaarheid voor daden met die passie in verband.”

De jongere der twee knikte een paar maal met opgetrokken wenkbrauwen, de oogen wijd geopend. Dan verviel hij even in gepeins. Opeens richtte hij ’t hoofd op, en keek Van Thiemen recht aan:

„Gelooft u, professor, dat er volmaakt passielooze liefde bestaat? Ik bedoel hier liefde voor een vrouw, behalve moeder of zuster.… Laten we zeggen: sexueele liefde.…”

„Nee, beslist niet. Die is eenvoudig boven menschelijke krachten. Evenmin kunnen we ’t helpen dat bij de hevigste sexueele hartstocht nog altijd wel een bijmengsel van echte liefde komt. We slingeren steeds tusschen beest en godheid.… ’t Leven van ieder denkend mensch, van ’t oogenblik van bewustheid, [303]dat het verantwoordelijkheids-gevoel ontwaakt tot zijn laatste snik is een voortdurende aanraking met hartstochten. De zaak is maar hoe we die omgang regelen. Volkomen passieloosheid is goddelijkheid, en deze ligt zoozeer boven onze bevatting, dat in alle godsdiensten wij menschen ons zelfs geen god zonder hartstochten kunnen voorstellen. Al is ’t dan ook bij Christenen, Joden en Mohammedanen zonder geslachtelijke hartstocht. Tsh! Grieken en Romeinen waren in dàt opzicht onpartijdiger. Onder ons: ik zie niet in waarom juist die sexueele hartstocht zoo in ’t verdomboekje moet staan. Zou zooveel kwaadaardiger wezen dan zijn kameraadjes?”

Zomer haalde de schouders op, en glimlachte even.

„Ja, ja, zeker,” vervolgde Van Thiemen levendig, „hij is de kwaadaardigste, ’t moeilijkst te bevechten. Daarom juist zou een verliefde god nog niet zoo’n bespottelijkheid wezen als een die boos wordt op menschen, of jaloersch is! Maar laat dat wezen wat het wil: een mensch moet nu eenmaal streven naar die onbegrepen passieloosheid. We mogen wel streven naar ’t onbegrepene: es genügt dass wir es ahnen. En ieder denkend mensch doet dat: hij heeft de op hem aandringende demonen van zich af te houden zooveel hij kan, al kan hij zich van hun algeheel verdwijnen ook geen voorstelling vormen. ’t Merkwaardige is, dat die demonen—die [304]we hartstochten noemen—zoo partijdig zijn in de keuze van hun tegenstanders. Ze plagen iedereen, maar op enkelen hebben ze ’t in ’t bizonder gemunt, terwijl ze heele troepen van anderen nauwelijks met speldeprikken lastig vallen. Bij dit laatste soortje hooren een hoop nullen, onder ’t eerste zijn vaak menschen van beteekenis, en dan is er nog de groote kategorie van lui, die zich dadelijk gevangen geven en zoo geen last van de indringers hebben: dat zijn je lammelingen.…

„Wil je een ander beeld? Iedereen krijgt in zijn leven een paard te berijen. In de eerste jaren wordt het aan de toom geleid. Daarna rij je zelf. Opvallend is ’t dan, hoe verschillend de beestjes zijn. Er zijn kanjers van hengsten bij, prachtige, vurige en onstuimige rijdieren, en daartegenover ellendige, suffe knollen, met nog allerlei tusschen-schakeeringen. Als je dan zoo’n ondeugende woesteling onder je hebt, en je wordt er eens afgesmeten, of je laat je toom wel ’s uit de hand schieten, dan zijn de knolruiters gewoonlijk ’t eerste klaar, om je uit te schelden en uit te jouwen, omdat je niet rijen kunt! Tsh!” En beseffende dat hij afdwaalde, brak Van Thiemen af, om, minder levendig, en weer met droefenis in zijn stem te hervatten. „Arme Larsen! Zijn paard is op hol geslagen, en hij is uit ’t zadel gegooid.… We moeten hem helpen.” [305]

Van Thiemen’s jonge vriend keek op, toen zijn stem zweeg. Ofschoon hij de heele tirade gevolgd had, was zijn geest er toch maar half bij geweest, en ’t was alsof hij ontwaakte uit een eigen droomwereld. In groote trekken had hij ’t pleidooi in elkaar gezet dat zijn beminde leermeester moest redden van maatschappelijke en zedelijke ondergang.

Thans tot volkomen bewustzijn van ’t actueele gekomen, knikte hij: „Ja, professor, dat moeten we, dat zullen we.…” En zijn horloge raadplegende, stond hij op.

„’t Is ver in de nacht, professor,” zeide hij. „Ik moet heen. Wat spreken we nu af? Ik zie u morgenmiddag na uw samenkomst met Professor Larsen? Ik blijf morgen de heelen dag thuis tot het eten. En mijn avond is ook tot uw beschikking.”

„Best, best. Ik zal dan wel bij jou komen.…”

Na nog enkele hartelijke woorden gewisseld te hebben, scheidden de beide vrienden. Van Thiemen voelde zich opgelucht en rustig; zijn jonge vakgenoot in de beste der stemmingen: een heerlijk gevoel van zelfbewustheid en fierheid, vertrouwen op eigen kracht, steunend op zijn geestdriftig geloof in ’t goede, doortintelde hem.

En Van Thiemen sliep reeds een half uur later, David Zomer eerst tegen de morgen. [306]