Een américaine reed het erf van het hôtel op. Jan van Vleuten stapte eruit, landerig, zooals iemand zijn kan, die op het heetst van den dag in de benedenstad heeft moeten vertoeven, en pas uit de bergen komt. Geen zuchtje was te bespeuren geweest, de lucht trilde van de warmte, zelfs nu nog, om vier uur. Alles straalde hitte uit. Boven in de vuilblauwe lucht de zon, beneden de macadam-weg, van links en rechts de witte muren. De boompjes langs de Passeh-baan deden er aan mee, en wierpen een kolommetje hitte op, waarin ontelbare vliegjes, met trillende vlerkjes drijvend op de warme lucht. Zelfs in de schaduw van den Simpangschen-weg was het niet beter. Het was of de warmte daar opgesloten was, niet weg kon door het bladerendak; de zucht door het snelle rijden veroorzaakt, sloeg lauw in het gezicht. Om den hoek van Embong-Malang scheen zelfs het felle trekken van de zon nog dragelijker; daar was althans ruimte. Maar de dakijzeren verandah broeide weer des te erger.
Snel liep van Vleuten, na de leidsels om het slikbord te hebben gehangen, het hôtel in, direct naar de bijgebouwen, waar hij zijn kamer had. De dikke muren en neergelaten zeilen mochten iets van de warmte hebben uitgesloten, doch hij merkte het nauwelijks. [8]
In de deur van een der logeerkamers stond een dame, uitkijkend. Een tengere blondine, een kind nog in haar schraalte van vormen, een vrouw naar de uitdrukking van haar gelaat.
„Dag Jan, dag lieveling!” riep zij uit, hem om den hals vallend. „Foei, wat ben je warm! Ga maar gauw baden.”
„Dat heb jij al gedaan, zie ik,” zeide hij, haar de nog vochtige haren van het breede voorhoofd strijkende. „Waarom heb je niet even gewacht?”
„Het was zoo warm. En dan, weet je, in een logement vind ik het zoo gek om samen te gaan baden.”
„Malligheid! Alle getrouwde lui doen dat, Betsy.”
„Dat jok je. Dat heb je mij maar wijs gemaakt, om.… Nu ja, niet iedereen, en in een hôtel zeker niet. Kom, kleed je nu maar gauw uit en ga baden. Ik zal om een kopje thee roepen.”
En terwijl hij de kamer binnenging, riep zij met eenigzins schelle stem om een bediende.
Toen hij terugkwam uit de mandie-kamer, nu geheel opgefrischt, wachtte zij hem op met twee dikke grove aarden koppen hôtel-thee, op het tafeltje buiten in de gaanderij. Binnen in de kamer tjingelde een speeldoos.
„Wat is dat?” vroeg van Vleuten, die met handdoek en zeepbakje bij het tafeltje was blijven staan om even een slok thee te nemen.
„De doos van mama,” lachte Betsy. „Ik heb ze cadeau gekregen en zooeven uit den koffer gehaald.”
De deur van de kamer naast de hunne ging open, en een dame kwam naar buiten. Aarzelend zag zij even naar de beide anderen en deed zelfs een stap in hun richting; doch zich bedenkende, wendde zij zich om, en liep langs het gaanderijtje naar het hoofdgebouw.
„Wat een vermoeid gezicht,” merkte Betsy op. „Ze is [9]zeker gister den geheelen nacht naar een bal geweest. Ik zou me toch eerst wat opgeknapt hebben, vóór ik uit mijn kamer kwam.”
„Ze schijnt nog heel jong,” zeide van Vleuten, „en ziet er te stevig uit om van één nacht dansen zóó overmoe te zijn. Kom, ik ga mijn haar kammen, en dan moesten we met kleeden maar wachten tot het wat koeler wordt. ’n Oogenblikje!”
Hij verdween in de kamer. Middelerwijl was de dame, die tot deze opmerkingen aanleiding gegeven had, de achtergalerij van het hôtel ingegaan, waar de hôtelhoudster bezig was eenige bevelen te geven aan de bedienden.
„Wel, mevrouwtje, hoe gaat het ermee?” vroeg de laatste op hartelijk meewarigen toon, als van iemand die weet wat het antwoord zal zijn.
„Hij is wakker en hijgt weer zoo erg. En naast ons zijn menschen, die een speeldoos hebben. Ik zag dat het hem hinderde, maar durfde niet vragen om er mee op te houden”.
De oogen der spreekster hadden iets star wanhopigs, de randen ervan kleurden zich even rood, alsof er tranen zouden komen.
„Wel m’n beste menschje, zal ik het voor je gaan vragen? Dat is goed; ga maar mee.”
En de jonge vrouw onder den arm nemende, stapte de hôtelhoudster het gaanderijtje in, recht op Betsy af, aan wie zij het verzoek deed de speeldoos stil te zetten, omdat het den zwaar zieke daarnaast hinderde.
Betsy antwoordde niet dadelijk, doch op haar beweeglijk gezicht was voldoende te lezen wat er in haar omging. Waarom moest die hôtelhoudster daar bijgehaald worden? Om aan het verzoek kracht bij te zetten soms? Dan deed zij zeker niet wat gevraagd werd! Men was vrij in zijn eigen kamer, desnoods om muziek te maken buiten den [10]tijd van slapen. En als iemand zóó ziek was, dat hem een eenvoudige speeldoos al hinderde, dan zou zij straks niet meer mogen zingen, wat zij in ’t geheel niet, niet mogen babbelen met Jan, wat zij nog minder laten kon. Zoo iemand hoorde niet in een hôtel, maar moest naar een hospitaal! Maar toen zij den verlegen smeekenden blik zag van haar buurvrouw, weerhield zij de bruske weigering die haar op de lippen zweefde.
„Ik zal ’t meneer vragen,” zeide zij ten slotte, opstaande. „Verbeeld je, Jan,” ging zij voort, binnenkomende, „daar ligt een zieke man hiernaast, en nu vragen ze om de speeldoos vast te zetten …”
„Welnu,” zeide hij, „niets is eenvoudiger.” En hij drukte een hefboom neer, die de vleugels van den regulateur ving. „Daar staat ze al stil.”
„Maar Jan …”
„Sst, kindje! Als ik nu eens ziek werd, en zóó erg dat …”
„Niet doen, Jan, niet doen!” En met een kus belette zij hem het verder spreken.
Toen zij een oogenblik daarna samen buiten kwamen, was hun buurvrouw reeds weer naar haar zieken echtgenoot, doch de hôtelhoudster stond er nog.
„Mevrouw laat u erg bedanken,” zeide deze. „Haar man is zoo ziek, kassian!”
„Wat scheelt hem?” vroeg van Vleuten.
„Hm, ziet u.… de dokter zegt niets, maar.…” En haar stem tot fluisteren dwingend, ging zij voort: „Die meneer is pas een half jaar terug uit Holland. In zijn verloftijd is hij getrouwd, en toen ze goed en wel in hun eigen huisje waren, is het begonnen. Ze zeggen dat hij vergiftigd is. U begrijpt.… enfin, mevrouw is toch getrouwd.… een huishoudster gehad, en.…”
„Jawel, jawel,” ried van Vleuten, het verdere afsnijdend. [11]„En waarom zijn zij niet in hun eigen huis gebleven?”
„Zij zouden weer met verlof gaan, en hebben dus vendutie gehouden. Maar toen hun boot ging, kon hij niet meer getransporteerd worden. Dat duurt nu al zoo zes weken, en de arme ziel tobt zich wat af. Kassian, ze is nog zwanger ook. Al zoowat vijf maanden. Wacht, daar komt de dokter.”
De hôtelhoudster meende nu genoeg verteld te hebben, en ging heen tot groote verlichting van van Vleuten, die haar mededeelingen voor Betsy’s ooren wel wat ruw vond. Deze had zich afgewend, en toen zij zich, na het vertrek der hôtelhoudster, weer omdraaide, waren haar oogen vochtig.
„O, hoe naar, Jan,” zeide zij. „Verbeeld je, dat hij doodgaat! En dan dat arme kindje, dat nooit zijn vader zal gezien hebben!—Zeg, Jan, jij hebt toch nooit zoo’n.… zoo’n huishoudster gehad?”
„Stel je gerust, wijfje,” zeide hij lachend om haar angst. „Maar als je het precies weten wilt, toch één. Maar die was minstens al zestig jaar oud. Dat was toen ik op die suikerfabriek was, en toch iemand hebben moest om den boel in orde te houden.”
„En waar is ze nu?”
„Ergens op een inlandsch kerkhof.”
„Gelukkig!” zuchtte Betsy uit het diepst van haar hart.
„’t Is een noodzakelijk kwaad,—maar een kwaad,” meende hij.
„Kom, laten we ons gaan kleeden en nog een loopje doen. Ik heb vandaag een aardig huisje gezien; maar tachtig gulden, en toch nog in de bovenstad. Als het je bevalt, huur ik het nu al. De lui gaan er de volgende maand uit.”
„Moeten we dan nog zoolang hier blijven?” vroeg zij, hem in de kamer volgend, „Ik zou het zoo erg vinden, als die man daar vlak naast ons doodging!” [12]
„Ik ook, voor jou,” zeide hij. „We willen hopen, dat hij er boven op komt, of het althans uithoudt tot we weg zijn. Intusschen valt er niets aan te doen, tenzij er een kamer mocht openkomen aan den anderen kant.”
„Zou dat niet wreed zijn? Net of we vluchten. Die arme vrouw moet wel in de zelfde kamer blijven.”
„’t Is zoo,” erkende hij. „En we hebben wat goed te maken. Laat ons liever zien of we haar van dienst kunnen zijn met het een of ander.”
Betsy zeide toe haar best te zullen doen. En al was het niet veel wat zij konden, het weinige dat zij deden, werd niettemin op prijs gesteld. Daar stilte voor den zieke een eerste vereischte was, trokken zich van Vleuten en Betsy de kinderen aan van een familie, die de kamers bewoonde aan de andere zijde van de ziekenkamer. Hoewel die veelal onder de hoede van de baboes een eind verder op gestuurd werden, waren er toch tijden op den dag dat zij in de buurt van hun kamers moesten blijven. En om jonge kinderen stil te doen zijn, zonder ze tevens bezig te houden, is een feitelijke onmogelijkheid, temeer als die kinderen in Indië zijn opgegroeid, waar in de groote ruimten een beetje rumoer niet hindert en dus zelden wordt tegengegaan. Maar nu moest het, en Betsy hield dapper vol wat zij beloofd had, blij echter als haar man thuiskwam om een handje te helpen.
De familie waartoe de kinderen behoorden, vond hun zorgen gemakkelijk en liet het begaan, in de veronderstelling levende, dat Betsy plezier in die kleine vagebonden had, daar ze zelf nog kinderloos was. Men meende dus volstrekt geen dank schuldig te zijn, eer omgekeerd, ja nam het haar zelfs eenigszins kwalijk, dat noch zij, noch haar man zich hadden voorgesteld. Immers, al waren de tijden voorbij, dat een tiental elkaar vreemden, toevallig samenkomende [13]in een spoorwegcoupé, vóór alles begonnen met een wederzijdsch zich voorstellen, voor het feit dat men de kinderen van een ander bezighield, alvorens zich te hebben voorgesteld, was de Indische maatschappij nog niet rijp.
De vrouw van den zieke had zich verbaasd over de rust die sedert een paar dagen vooral in het middaguur heerschte, en toen zij bemerkte waaraan zij die te danken had, toonde zij in blik en stommen groet dikwijls haar dankbaarheid. Eens, toen Betsy een ontevreden beweging had bespeurd over het in de keuken klaargemaakte ziekenkostje, bood zij aan hiervoor te zorgen. Zij had een petroleumstel, waarop dit gemakkelijk ging.
Van Vleuten mopperde een beetje over de neiging van vrouwen om altijd in uitersten te vallen. Neen, niet om het koken van die griesmeel, maar van het een kwam zoo licht het ander, en Betsy, die eerst zelfs een klein genoegen niet had willen opgeven, terwille van den zieken buur, had nu een eersten stap gedaan op een weg, die leiden kon tot algeheele inbeslagname van haar persoon en haar tijd.
Waarop Betsy antwoordde, dat mannen nooit de consequenties willen aanvaarden van hetgeen zij zelf aangeraden hebben; overigens behoefde haar groote bengel zich niet ongerust te maken, dat zij hem zou laten achterstaan bij het liefdewerk.
„Daar ben ik het minste bang voor,” zeide van Vleuten. „Er is iets anders. Je bewijst diensten aan iemand, die misschien vergolden kunnen worden. Of, laat ik me anders uitdrukken: die vergolden behooren te worden. Je brengt jezelf, ons, mij, in de positie van een crediteur tegenover een debiteur; het beroerdste wat er is.”
„Hoe zoo?” vroeg zij naief. „Laatst, toen er door Watrin & Co. een quitantie hier gepresenteerd werd, en jij [14]niet thuis was, durfde ik de stad haast niet in. En ik was wat blij toen ik kon gaan betalen.”
„Jawel, je was blij dat je kon betalen, waardoor je den crediteur kwijtraakte. Maar als je dat niet had gekund, zou je onwillekeurig het land hebben gehad als je aan dien man dacht, niet waar?”
„Nu.… ja.”
„Dus, in ’t algemeen, haat de debiteur zijn schuldeischer, in plaats van hem voor het verleende crediet dankbaar te zijn.”
„Dat is toch eigenlijk niet goed!”
„Neen, goed is het niet. Zeker niet! Maar het is zoo. En daarom, als het hart je dringt, bewijs iemand een dienst, en vlucht dan naar het andere eind van de wereld!”
„Flauwe vent!” zeide Betsy. „Je maakt er wat moois van!”
„Enfin,” zeide van Vleuten, schouderophalend, „deze menschen zullen we wel niet veel meer in ons leven ontmoeten. Dat is één troost.—Dag dokter! Hoe staat het met den patient?”
„Het loopt af,” zeide de arts, die juist uit de ziekenkamer gekomen was, en hij stak een sigaar op, hem door van Vleuten aangeboden. „Tegen mijn gewoonte,” bemerkte hij. „Ik rook anders nooit tusschen de visites. Maar ik heb ook nog nooit zoo’n geval gehad. Die man geeft, sedert twee of drie dagen al, een gewone lijkenlucht af. Inderdaad is de ontbinding al begonnen, nog eer de dood intreedt.”
„Is het waar, dat hij vergiftigd is?”
„Ja, doch waarmee weet ik niet. Zooals gewoonlijk met inlandsche vergiften.”
En de dokter legde zijn sigaar neer en begaf zich weder naar den zieke. Een oogenblik later kwam hij terug en wenkte van Vleuten. [15]
„Zou u de hôtelhoudster even willen verzoeken om te telefoneeren? Aan de familie Slot—zij weet het wel.”
„Is het erger geworden?”
„Hij is overleden. Die vrouw moet weggehaald worden, zoo spoedig mogelijk. Het is daarbinnen niet uittehouden, zelfs niet bij open raam.”
Terwijl van Vleuten aan het verzoek van den dokter ging voldoen, was Betsy opgestaan en zonder een woord te zeggen naar de sterfkamer gegaan. Op het bed lag iets, waarnaar zij niet durfde kijken. Daarnaast zat de jonge vrouw, met starende oogen. Betsy voelde zich wee worden van de lucht, maar zich vermannende, ging zij naar de treurende, en legde haar den arm om de schouders.
„Kom,” zeide zij zacht, doch beslist.
En gehoorzamend aan den sterkeren wil, liet zich de jonge weduwe wegleiden. De dokter knikte goedkeurend, en toen de beide vrouwen in Betsy’s kamer waren, zette hij zich aan het tafeltje, stak zijn sigaar weer aan, en wachtte de terugkomst van van Vleuten af.
„In orde, zij komen,” meldde deze. „Zou ze mee willen?”
„Wel waarschijnlijk,” meende de dokter. „Uw vrouw heeft den eersten stap gedaan, door haar in uw kamer te brengen.”
„Mooi!” riep van Vleuten uit. „Echt iets voor Betsy.”
„Mevrouw lijkt nog erg jong.”
„Zij is pas achttien geworden.”
„Zoo, dan scheelt ze precies een jaar met mevrouw van Groningen.”
„Van Groningen?” herhaalde van Vleuten vragend.
„Ja, uw buren. Wist u niet eens hoe zij heetten?” vroeg de dokter verwonderd.
„Neen; maar gelegenheid om officieel kennis te maken, is dan ook niet veel geweest.”
„Dat is waar,” gaf de dokter toe. „Doch u kon het allicht [16]gehoord hebben. Ja, hij heette Mr. van Groningen, en was lid in den Raad van Justitie. Zijn vrouw is een juffrouw Keijzer; ik meen dat haar vader president van het Gerechtshof te Arnhem is.—Ha, daar zie ik meneer en mevrouw Slot.”
De dokter stond op en ging de komenden tegemoet.
Op den bij sterfgevallen gebruikelijken fluistertoon bleven nu de heeren bij elkaar staan praten, terwijl mevrouw Slot de kamer was binnengegaan. Spoedig daarop kwam zij terug, de jonge weduwe steunend, die door Betsy’s hartelijk medeleden eindelijk tranen gevonden had.
Zij reikte van Vleuten de hand, een woord van dank stamelend, en ging, na nog een schuwen blik te hebben geworpen op de deur, waarachter het zielloos overschot lag van haar echtgenoot.
Van Vleuten en Betsy waren alleen, en bespraken het droevig geval.
„Je had eens moeten hooren, Jan,” zeide zij, „hoe dankbaar zij was! Je zou spijt hebben gehad van je woorden, laatst, weet je nog? En ’t is nog zoo’n kind … ze is maar een jaar ouder dan ik, en, zie je, pas uit Holland.”
Het laatste woog klaarblijkelijk het zwaarst.
„Hm,” deed hij. „Het is maar goed, dat de zaak afgeloopen is.—Zeg eens vrouwtje, je zult vannacht toch geen kippekuren krijgen, hé? Anders zou ik nu nog zien dat we een andere kamer kregen.”
„Welneen! Hij zal toch niet bij ons komen spoken,” lachte zij. „Voor doode menschen ben ik niet bang. Dat is ook weer zooiets typisch Hollandsch, waar ik heelemaal aan ontwend ben.” [17]