Den Haag savoureerde een heerlijk schandaal.
Het faillissement van den ouden dokter Arnolds was uitgesproken, door de Rechtbank, en nog was dit nieuws niet koud, of reeds werd bekend, dat de jonge Arnolds en Viehof in hechtenis waren genomen.
De snelle opeenvolging dier feiten was oorzaak, dat men die met elkaar in verband bracht, en zoo wist men elkaar te vertellen, dat de beide jongelui den ouden man bestolen hadden, waardoor deze niet aan zijn verplichtingen had kunnen voldoen. Niet alleen het geld, dat voor de betaling eener wisselschuld bestemd was, hadden zij verdonkerd, maar zelfs zou door hen een collectie zeldzame teekeningen, waaraan de oude dokter zeer gehecht was, bij een beruchten opkooper zijn beleend.
Gaandeweg begon zich de voorstelling echter te ontwarren. Men wist nu, dat de jongelui betrokken waren in een buitenlandschen effectendiefstal, althans getracht hadden gestolen effecten hier te lande te verkoopen. Niet dat reeds vaststond, dat zij geweten hadden gestolen waar te hebben willen verhandelen, of dat de buitenlandsche dieven veroordeeld of zelfs maar bekend waren, doch dat deed minder terzake. Het etiket „buitenland” dekte de arrestatie volkomen, [124]en de Inspecteur van Politie, aan wien Wiechen alle aanwijzingen verstrekt had, was reeds kort daarna, tot erkenning zijner scherpzinnigheid, buitenlandsch gedecoreerd. Het moest dus wel in orde wezen. In elk geval, het publiek was tevreden en voldaan.
Niet alzoo Wiechen. De politie had bij haar invallen juist bij Boom niets gevonden. Daardoor, en misschien ook tengevolge van den hoogen toon, waarop hij tegen den hem veroorzaakten last had geprotesteerd, waren er geen termen gevonden om hem te arresteeren. En dat was jammer, vond Wiechen, daar toch zijn wraak in de eerste plaats Boom gold, en deze nu den dans ontsprongen was. Niet onmogelijk was het, dat Boom ten slotte de eenige was, die van de zaak voordeel getrokken had, dat de anderen, tengevolge hunner preventieve hechtenis ontging. Het was om helsch te worden, dat die Boom daarvan vrijgeloopen was.
Doch spoedig kwam er troost van een anderen kant. Geldelijk verlies, dat hij zich getroost had terwille van zijn wraak, zou hij er althans niet bij hebben.
Het medelijden, dat men, naast zijn verontwaardiging, in den Haag gevoeld had met den ouden dokter, toen men dezen het slachtoffer waande van zijn zoon en diens vrienden, had een practischen vorm aangenomen. Vermogende patienten sloegen de handen ineen, en toen men ongeveer wist hoeveel de schulden van den gefailleerde bedroegen, bracht men een som gelds bijelkaar, voldoende om een „hoogst fatsoenlijk” accoord aan te bieden. Een daarover geraadpleegd advocaat had medegedeeld, dat in de practijk te ’s Gravenhage tien percent fatsoenlijk, en twintig reeds zeer fatsoenlijk was. Daarboven hoogstfatsoenlijk, terwijl boven dertig percent belachelijke royaliteit, en boven veertig pedante aanstellerij mocht heeten. Besloten werd [125]de kerk in het midden te laten, en vijf en twintig percent beschikbaar te stellen, dus „hoogstfatsoenlijk” te zijn.
Nauwelijks had Wiechen hiervan de lucht gekregen, of hij bracht Dr. Arnolds een bezoek.
„Dokter,” begon hij, „ik kom als een eenvoudig man, met een eenvoudige vraag. Wat kan ik voor u doen?”
De oude man was ontroerd. In den nood leert men de menschen kennen, en die kennismaking brengt soms wonderlijke verrassingen mee. Van alle crediteuren kwam deze man alleen, niet om te klagen, te verwijten, maar om hulp te bieden. Wat een verschil! Hoewel hij de meesten aan de deur had kunnen laten verwijzen naar zijn curator, was het enkelen toch gelukt tot hem door te dringen. En welke beleedigingen had hij dan moeten slikken. Het woord „oplichten” lag de menschen als in den mond bestorven.
Dat was hatelijk, en misschien nog hatelijker de houding van de vrienden, die hem in staat stelden een accoord aan te bieden. Een daad waarbij zij zoo goed als niets verloren. Zeker, het geld was bijeen gebracht, doch daartegenover stonden zijn inkomsten onder contrôle. Met pijnlijke nauwgezetheid was uitgerekend wat hij voor zijn huishouden noodig had; al het andere werd door den advocaat der „vrienden” betaald. Hij mocht zijn eigen rekeningen niet meer zenden aan zijn patienten, doch moest die opgeven aan dien advocaat en den curator, die samen zijn belangen behartigden, en hem er buiten hielden. Natuurlijk werd dat geld in de eerste plaats besteed om de accoordpenningen bijeen te brengen, en bleef van den dienst der vrienden gaandeweg niets over dan een garantie. Daarvoor achtte zich een ieder gerechtigd hem te vermanen, op de wijze als men een stout kind doet. Dat was hard voor iemand op zijn leeftijd, met zijn kunde. Het maakte hem zenuwachtiger dan voorheen de emoties van het hazardspel. [126]
En wat had hij niet moeten hooren over zijn relatie met Wiechen. Die had feitelijk den doorslag gegeven—althans zoo zeide men—bij zijn faillietverklaring. Het was voor de rechters genoeg om te hooren, dat men met dien man in betrekking stond, om hen doof te doen zijn voor elk ander argument. De advocaat die de aanvraag voordroeg, had dat met andere woorden als het ware in het publiek durven zeggen.
Diezelfde man nu kwam, wetende dat ook hij verlies zou lijden, met de vraag daareven gedaan.
Dr. Arnolds stond op en stak Wiechen de hand toe.
„Dankje, dankje voor dat woord,” zeide hij. „Doen? Och men doet alles voor mij. Tot mijn koetsier toe, betaalt …”
„Ik heb iets gehoord van een accoord,” viel Wiechen in. „En nu had men erbij verteld, dat men verlangde u zich onder curateele zou laten stellen, doch dat u dat niet wilde.”
„Zoo is het, meneer Wiechen. Ik heb geweigerd. Het zou mijn dood geweest zijn. Ach, ik ben toch al zoo ellendig, door die schande, en nu komt er dat met mijn zoon nog bij …”
„Ja, dat is treurig. Maar laat ons de zaken stuk voor stuk behandelen. Straks kom ik op uw zoon terug. Dat accoord dan. Ik kan u misschien helpen. In de eerste plaats door zelf vóór te stemmen, dat spreekt als een boek. Dan zijn er menschen, die, als u of uw advocaat het vraagt, niet zullen meegaan.”
„Die Joden van de Veerkade?”
„Juist. Ziet u eens hier. Ik heb al volmacht van hen.”
„Hoe?” riep Dr. Arnolds verbaasd uit. „En de smeerlappen zijn hier gekomen, en hebben een kabaal gemaakt …”
„Ja, en u is heftig geworden en heeft tegen hen uitgevaren, en ze ten slotte de deur gewezen. Maar dat is niets. Een beetje lawaai ligt in hun aard. Maar daarom zijn ze [127]nog zoo kwaad niet. Zooals u ziet, zijn ze u terwille.”
„Zeg liever u terwille.”
„Ook goed. Hoe staat u met de rest?”
„Wel, als we deze menschen hebben, ben ik er. Maar ik begrijp nog niet, hoe u hen ertoe gekregen heeft.”
„U heeft eens een hunner goed gedaan. Geloof me, Joden zijn zoo kwaad niet. Maar terzake. Heeft u genoeg geld ter beschikking, of voor hoeveel moet ik zorgen?”
„Wat? U zou willen bijspringen? Maar neen, dat is niet noodig. De vrienden,” vervolgde hij met eenige bitterheid, „hebben een ongelimiteerde garantie gegeven voor vijf en twintig percent. Intusschen innen zij mijn rekeningen, en betalen ten slotte van mijn eigen geld. Ik werk ervoor, maar krijg niets inhanden.”
„Des te beter,” zeide Wiechen, goedkeurend knikkend. „Dus in dat geval heeft u.… ik hoop u niet te beleedigen.… U heeft wat zakgeld noodig, niet waar?”
En zonder meer haalde Wiechen zijn portefeuille uit den zak, en schoof die den ouden dokter toe.
„Maar meneer Wiechen,” protesteerde deze, de van het dragen warme portefeuille in de hand nemend; „ik.… ik mag nu geen nieuwe schulden aangaan.”
„Dat is ook niet noodig,” meende Wiechen, „en bovendien heeft niemand daarmee te maken. Ik heb mijn vordering nog niet ingediend. Ik dacht zoo, dat we die maar buiten het faillissement moesten houden, omdat.… nu, u weet zoo goed als ik, dat mijn geld duur is, en dat men er daarom teveel over praat. Wat voor u noch voor mij goed is.”
„Neen,” zeide Dr. Arnolds, „dat wil ik niet. Dient u maar in. En vooral nu er toch een accoord komt. Wist ik maar een middel om u alles te voldoen.…”
„Dat middel is gemakkelijk te vinden,” zeide Wiechen. „Als u het ernstig meent.…” [128]
„Mijn woord van eer erop!”
„Welnu. U biedt een accoord aan van.…”
„Vijf en twintig percent,” zeide de dokter met een zweem van trots.
„Uitstekend. U teekent eenvoudig een paar wissels bij, en daarna dien ik mijn vordering in. Met die 25% ben ik dan geheel betaald.”
„Kan dat?”
„Welzeker,” zeide Wiechen, de portefeuille weer uit des dokters handen nemende, en die openende, zoodat de ander het bankpapier kon zien. „Ik heb hier een paar formulieren. Teekent u maar, op de gewone wijze, dan vul ik ze thuis wel in. En.… hoeveel contanten zou u willen hebben. Zeg het gerust.”
„Ik zou.…,” begon de dokter, wiens oogen schitterden, „ik zou.… duizend gulden willen hebben, als het kon. Men heeft mij een prachtigen tuyau gegeven.… eigenlijk voor m’n armen jongen. Is er voor hem niets te doen? Ik heb er zoo’n hartzeer van!”
„Duizend gulden,” zeide Wiechen, die uitstellend. „Ik zal uw schuld dan maar met vijf mille verhoogen. Dan krijg ik ƒ 1250.– terug.”
En hij zette zich aan het invullen van de formulieren.
„Maar ik heb beloofd niets meer te zullen teekenen,” merkte de oude man op.
„Daarom dateer ik ook een paar maanden vóór het faillissement,” zeide Wiechen doodleuk. „U heeft dus nà uw belofte niets meer geteekend.”
„Hé ja,” zeide Dr. Arnolds, voor het eerst weer glimlachend. „Ik zou er dat zoo gauw niet op gevonden hebben. Ik zie weer met een man van zaken te doen te hebben.”
En hij teekende wat Wiechen hem voorlegde.
„En nu over uw zoon,” zeide de laatste, de wissels [129]opstekend. „Ik zou er mij maar niet te veel van aantrekken. Hij zit voorloopig geborgen, en kan geen kattekwaad uitvoeren. De algemeene opinie is, dat hij vrijkomt. Misschien veroordeelt hem de Rechtbank, maar het Hof spreekt hem in elk geval vrij. Dat is hier zoo de manier tegenwoordig.”
„Waarom doen ze dat?”
„Dat zit hem in de preventieve hechtenis,” verklaarde Wiechen. „Als iemand wat verdiend heeft, maar eigenlijk niet gestraft kan worden, wordt hij tegenwoordig preventief geplakt, en veroordeeld. Dan spreekt het Hof vrij, maar hij heeft intusschen zooveel maanden gezeten. Begrijpt u?”
„Dat zal ik toch den President eens gaan zeggen,” zeide Dr. Arnolds. „Dien ken ik persoonlijk.”
„Als u er dan bij zegt, dat ik het gezegd heb, bederft u de zaak voor iedereen tegelijk,” zeide Wiechen droog. „Ik zou het maar laten. Ik vind het voor het oogenblik voor uw zoon zoo erg niet. Voor zijn meisje is het.… U weet dat toch?”
„Jawel,” zuchtte de ander. „Ik zal haar eens gaan opzoeken, en haar wat geven.”
„Enfin, dat moet u weten,” zeide Wiechen. „Dag, dokter.”
De dokter stond mede op, en begeleidde zijn bezoeker naar de deur, waar hij hem hartelijk de hand drukte.
Wiechen sprong op zijn rijwiel, tevreden over zichzelf, en reed zoo snel hij kon naar den curator, om zijn vordering nu in te dienen.
Thuisgekomen, gaf hij den bediende last mogelijke bezoekers af te wijzen met de boodschap, dat hij uit was, en niet vóór den volgenden ochtend zou te spreken zijn. Hij wilde het er vandaag eens van nemen. En Marie mocht hem nu vertellen wat zij op het hart had, zelfs al moest het geld kosten. Het was een goede dag geweest. [130]
„Je had iets, vanochtend,” zeide hij, toen hij met Marie in de bovenvoorkamer zat.
„Ja,” antwoordde Marie. „Over de brievenbus. Ik vind het zoo vreeselijk lastig, dat je dat sleuteltje altijd in je zak houdt, ook als je uitgaat. Telkens zie ik door het ruitje brieven liggen, en kan er niet bij. Soms moet ik er een heelen dag op wachten.”
„Heb je dan ooit haast? Ik zie je brieven dikwijls dagen lang ongeopend liggen. Zelfs van dien aangeteekenden brief laatst, moest er een herhaalde kennisgeving komen, eer je eraan dacht hem af te halen.”
„Dat kwam doordat jij hem boven zoo uit het gezicht had gelegd, en overigens is het mijn zaak. Als een brief geen haast heeft, mag ik gerust iets anders doen. Maar ik vind het vervelend. Geef toch dat sleuteltje een vaste plaats, dat ik er ook bij kan.”
„Die iedereen dan dadelijk weet, dat ken ik,” zeide hij, zich een glas madera inschenkend. „Wil je?”
„Dankje,” zeide zij, opstaande en de kamer verlatend.
Marie was kalm, maar boos. Zij durfde op het oogenblik niet langer in de kamer blijven, uit vrees in haar boosheid te zullen verraden, wat zij voornemens was te doen, als Wiechen haar zin niet deed.
Het was niet zonder reden, dat zij gaarne dadelijk bij haar brieven wilde kunnen komen. Meer dan eens toch meende zij te hebben bespeurd, dat er aan haar brieven gepeuterd was. Op de sluiting was de glans van het papier verdwenen òf bijzonder sterk. Het herinnerde haar aan het met gomelastiek uitwrijven van schrift, vroeger op school, en het nawrijven met den nagel. Of ook, dat het papier op een plek nat was geweest. Dit alles deed haar vermoeden, dat Wiechen die brieven had opengemaakt. Het hinderde haar. Zij had voor hem geen geheimen, en vertelde hem [131]uit eigen beweging, wat zij meende dat hem uit haar correspondentie kon interesseeren. Dat stille gedoe van hem vond zij ergerlijk. En nu had zij zooeven in de bus weer een brief gezien, van een vriendin uit Indië, wier hand zij herkend had, en aan wie zij vertrouwelijk had geschreven over haar tegenwoordigen toestand. Zij had haar verzocht haar man, die rechter was, eens te vragen wat zij kon en mocht doen om haar kind terug te krijgen. Dit schrijven nu wilde zij in geen geval door Wiechen gelezen hebben.
Beneden gekomen, probeerde zij eerst haar sleuteltjes op het slot van de brievenbus, doch geen er van paste. Toen nam zij de bos stevig in de hand, en stond op het punt met een forschen slag het ruitje te verbrijzelen, toen zij zich opeens bedacht.
„Frans,” riep zij, de deur van het kantoor openend, „kom eens hier. Zie je kans dit kastje open te krijgen?”
„Meneer is boven,” merkte Frans op.
„Dat weet ik wel, maar hij plaagt me,” zeide zij een kleur krijgend.
„Ik zal eens kijken,” zeide Frans, en na eenige oogenblikken ging hij naar achter, om terug te komen met een hamer, nijptang en een paar dunne draadnageltjes.
Van de laatste zocht hij er een uit, en dat tegen den onderkant van het scharniertje zettend, dreef hij er de pen uit, tot hij die met de nijptang kon lichten. Eveneens deed hij met het tweede scharnier, en nam het deurtje uit de sponning.
„Hier is de brief, mevrouw,” zeide hij lachend. „Ik zal nu de pennetjes met wat fiets-olie insmeren, dan kunt u ze er gemakkelijk met de nijptang uittrekken.”
„Dank je wel, Frans,” zeide zij, den brief in haar zak stekende en de trap opgaande.
Halverwege draaide zij zich nog even om, en toen de [132]bediende opkeek, legde zij den vinger op den mond, waarop hij begrijpend knikte.
Zij was bepaald vroolijk, toen zij in de kamer kwam, en dit stelde Wiechen gerust.
Zoolang zij weg was, had hij zitten nadenken, hoe hij op den duur haar de inwilliging van haar meer dan billijk verzoek zou kunnen weigeren. Hij wist hoe dat ging. Als zij zooiets had, poeslief zoolang zij niet aan haar verlangen dacht, maar onverdragelijk zoodra het haar weer te binnen schoot, dat zij haar zin nog niet had. Dan werd zij koud als ijs, en liet hem in alles den afstand gevoelen, die er bestond tusschen een dame van stand en een proleet. Dan moest hij toch toegeven, en had nog dagen noodig, om de hartstocht, die dien afstand overbrugde, weer te doen ontgloeien.
Het oorspronkelijke doel, waarmee hij de brievenbus had afgesloten, was bereikt. Hij had gelegenheid genoeg gehad om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, en kende al haar relaties, die hem van weinig of geen nut konden zijn, terwijl zij hem bovendien toch van alles vertelde. De reden waarom hij niettemin het sleuteltje in zijn zak hield, was een andere.
In den laatsten tijd was het getal anonieme brieven, dat hij gewoon was te ontvangen, sterk vermeerderd, en bovendien schenen die correspondenten het in den laatsten tijd te probeeren Marie te bereiken, door hetzij brieven aan haar te adresseeren, hetzij hun vies geschrijf op briefkaarten te stellen. Ook de telefoon werd aan die practijken dienstbaar gemaakt, doch dat had hij weten te verijdelen, door de belletjes uit elkaar te stellen, zoodat het klepeltje ze niet bereikte, en enkel een snorrend geluid maakte, voldoende voor hem, als hij op het kantoor zat, doch dat boven niet gehoord werd. Maar iets dergelijks was op [133]brieven niet te vinden. En waren het nu maar gewone bedreigingen geweest, die men hem toezond, dan zou hij er de schouders voor hebben opgetrokken, doch erger was het, als men zinspeelde op een duister bedrijf, dat men hem toerekende. Daarvan mocht Marie nooit iets onder de oogen komen.
Hij was dus in zijn schik, toen zij terugkomende, niet bleef aandringen op de beschikking over dat sleutelje. Zoolang zij dat niet had, was er niets te vreezen, meende hij.
„Waar blijft Ella toch,” vroeg hij, ter afleiding tevens. „Het is al ruim half vijf.”
„Ze zal wel dadelijk komen,” meende Marie. „Je kunt van dat kind moeielijk vergen, dat zij het op een hollen zet, om precies op de minuut thuis te zijn. Laat haar met de omnibus komen, als je haar vroeger thuis wil hebben.”
„Ik acht het niet goed voor meisjes, op die schokkende dingen te staan,” zeide hij. „Ze tramt tot de Laan van Meerdervoort, en dan is het een stapje.”
„Misschien was de tram juist weg, en komt ze wandelen,” opperde Marie.
Haar gissing was evenwel onjuist.
Ella miste de tram maar hoogst zeldzaam, en geschiedde dat al eens een enkelen keer, dan wandelde zij wat heen en weer, tot de volgende tram kwam. Voor geen geld zou zij alleen zijn doorgeloopen, in geen geval de Prinsenstraat uit. Want daar, bij de halte van de tram, stapte hij op het voorbalcon, even regelmatig als de groote wijzer van de torenklok eens in het uur op twaalf stond. En het scheen nu eenmaal Ella’s lot, dat men haar op de tram het hof maakte. Zij wist dat ze daar niet aan kon ontkomen, al wachtte zij nog zóólang, en ging ze loopen, dan kwam hij toch bij haar, en liep met haar mee, wat nog erger was. [134]
Hij was ditmaal iemand dien zij niet spottend zijn afscheid gegeven had, zooals dien notaris, en trouwens, dat had zij ook moeielijk kunnen doen, daar hij zich niet als de ander, had opgedrongen. Integendeel, het was eigenlijk van haar kant gekomen; schanddalig genoeg, vond ze, maar het had de beste kunnen overkomen. Als hij niet zoo bleu was geweest, en haar had durven aanspreken, zou zij het hem niet hebben gedaan. En toen zij het gedaan had … ach, het was maar een onverschillig woord geweest, zooals er zooveel gewisseld worden op ’n tram … en hij zoo bescheiden, beschroomd zelfs, had geantwoord, toen was er niets meer aan te doen geweest. Ze kon hem toch niet beletten voort te gaan met praten, evenmin den volgenden dag, toen hij toevallig weer op de tram stond. En den derden dag begreep zij, dat ze „er in zat.”
Het eenige waar nu voor te zorgen viel, was dat hun ontmoetingen tegenover derden een doodgewoon iets bleven schijnen. Met echte vrouwentaktiek trad zij op, zoodra het noodig was. Het is nu eenmaal een feit, dat de wereld nimmer iets ongeoorloofds vermoedt achter hetgeen met ongedwongen beslistheid gedaan wordt, terwijl aarzeling vermoedens wekt. Dus toen op zekeren dag een kennis van haar eveneens op de tram stond, begroette zij deze, en vervolgens reikte zij haar hand aan den jongen man, met een cordiaal „bonsoir!” En hij, ofschoon het voor het eerst was, dat hij haar hand in de zijne voelde, verraadde uiterlijk niets, bleef geheel in de rol, die hij begreep dat zij spelen wilde tegenover die lastige derde.
Daartoe behoorde in de eerste plaats, dat men elkander tutoyeerde, wat hij op haar voorbeeld onmiddellijk deed, en ook niets moeielijk vond. Maar ook, dat men elkaar bij den voornaam noemde, wat lastiger was, daar noch hij de hare, noch zij de zijne wist. Gelukkig konden zij dit met [135]eenig beleid ontkomen, doch toen de kennis was afgestapt, haastte hij zich naar haar naam te vragen.
„’t Is maar, omdat het zoo raar stond, daareven,” voegde hij er aan toe. „Anders vond ik het wel aardig, en buitengewoon handig van u.”
„Is het nu ineens weer u?” vroeg Ella, nadat zij vernomen had, dat hij Carel Becker heette, en voor Indisch ambtenaar studeerde. „Hè, wat zijn die mannen toch stijf!”
Hij lachte.
„Zooals je wilt,” zeide hij. „Ik dacht dat het enkel maar was voor de menschen.”
„Dat zou de omgekeerde wereld zijn,” riep zij uit. „Familiaar in gezelschap, en officieel als je met z’n beidjes alleen bent!”
„Neen, maar …”
„Nu, ik zeg Carel tegen je, en wil jij „juffrouw” blijven zeggen, doe het gerust. Dan zal ik een gevoel hebben alsof ik je kinderjuf ben.”
„Dat moet er nog bij komen,” zeide hij, door haar overmoed geprikkeld. „Ik zal je eens frisch afzoenen, tot straf, den eersten keer dat we alleen zijn.”
„Dat is goed,” zeide zij. „Dan zal je eens zien wat er gebeurt!”
Hij wilde dat graag dadelijk weten, doch zij weigerde het te zeggen, van oordeel zijnde, dat hij het maar ondervinden moest, als hij het waagde.
En al moediger wordend, verklaarde hij zich bereid tot het waagstuk, als zij mee wilde werken tot het zoo noodige alleen zijn, daar men dergelijke proefnemingen toch niet midden op een drukke straat kon doen. Of zij fietste?
Dat deed zij. En zoo was het eerste afspraakje gemaakt, leidende tot wat men in den Haag, en ook elders, met een technischen term „scharrelen” noemt. [136]