[Inhoud]

HOOFDSTUK XV.

„Wel, wat drommel, Frans!” riep Wiechen. „Is er dan vandaag geen post?”

„Maar meneer,” zeide Frans, „U heeft er vanochtend zelf een heel pak uitgehaald!”

„Vanmiddag … vanochtend …”, zeide Wiechen knorrig, struikelende over zijn woorden. „Hoe komt het, dat er tegenwoordig haast geen brieven voor mevrouw meer zijn?”

„Ik weet er heusch niets van, meneer,” zeide de bediende stotterend.

„Doe jij boodschappen? Haal je ze soms van de post? Of ergens anders?”

„Ik … ik …” hikte Frans, door die vragen van streek gebracht. „Ik haal ze er niet uit.”

Wiechen was geslaagd in zijn gewone tactiek, dat voelde hij. Ditmaal echter heel toevallig, daar hij meer enkele knorrige uitroepen, dan vragen bedoeld had.

„Vooruit, zeg op,” ging hij nu voort. „Je weet ervan. Gauw, of ik stuur je met een briefje naar je moeder. Ik laat haar gijzelen, als jij niet direct zegt wat het is.”

Frans wist maar al te goed, wat die bedreiging beteekende. Zijn moeder had schuld bij Wiechen, en daarvoor werkte hij. Een deel van wat hij verdiende mocht hij zelf behouden; de rest was afbetaling van de schuld zijner [163]moeder. Of eigenlijk niet eens afbetaling, maar de rente. En Wiechen had een vonnis, waarmee hij zijn moeder kon laten oppakken, als hij wilde.

De arme jongen had geen keus. Al was die mevrouw nog zoo goed en vriendelijk … Ja, en juffrouw Ella, die hem laatst aan het oor getrokken had, en gezegd, dat hij voor mevrouw alles doen moest …

„Moeder!” riep hij half kermend.

„Geen moeder; zeggen wat je weet, of anders …”

Wiechen greep naar de telefoon.

„Mevrouw maakt de bus aan den achterkant open,” liet Frans los.

„Hoe? Wijs het me!”

En gedwee ging de jongen naar de voordeur, en trok met zijn vingers de goed geoliede pennetjes uit de scharnieren.

„Hoe lang weet je dat?”

„Ik zag het mevrouw gistermiddag doen,” loog Frans. „Ik wist heusch niet, dat het zoo erg was.”

„Donder nu maar op,” zeide Wiechen. „Ik zal eens zien wat ik met je doe.”

Wiechen liep een tijdlang heen en weer. Het was hem al eenigen tijd opgevallen, dat Marie geen brieven meer ontving, terwijl er vroeger, hoewel niet druk, toch altijd voor haar kwamen. En juist nu moest zij een remise ontvangen, die hij best had kunnen gebruiken. Als ze die nu ook maar nog niet had!

Er was iets gaande in huis. Het kon zijn, dat Frans het gister voor het eerst gezien had, maar het stond vast, dat Marie reeds eenigen tijd die manoeuvre gedaan had. Er moest nu nog maar bijkomen, dat ze ook zijn brieven … neen, dat kon niet, maar toch de briefkaarten had gelezen. Verduiveld tuig, die Indische vrouwen! Want weinig dacht hij, dat zijn eigen bediende op het denkbeeld gekomen was. [164]

In de eerste plaats moest hij nu zekerheid hebben, omtrent Marie. Zij maakte te veel een schakel uit in den keten zijner plannen, dan dat hij daarover in twijfel kon blijven. Ging zij niet mee naar Parijs, dan moest hij zien iemand anders te krijgen, want met zijn fransch zou het daar niet lukken. Kon hij den tijd maar een jaar of wat vooruit zetten, dat Ella klaar was met haar studiën!

Er werd gebeld.

„Een besteller, die u persoonlijk spreken moet,” meldde Frans.

De man kwam binnen en overhandigde Wiechen een briefje van Marie, houdende verzoek om al het hare te willen medegeven. De meid kon het goed wel in de koffers pakken, en overigens, daar de man een handwagen bij zich had, kon hij zelf beoordeelen hoe hij een en ander zou vervoeren.

„Dat is kort en bondig,” zeide Wiechen, toen hij het briefje gelezen had. „Bah, ze bedenkt zich nog wel, als ze ziet, dat ik niet het minste bezwaar maak.”

En onmiddellijk orders gevende, hielp hijzelf zooveel mogelijk, om alles in te pakken.

„Waar moet je het heen brengen?” vroeg Wiechen, toen alles opgeladen was.

„Noordeinde 68,” zeide de besteller, die zijn les had opgekregen, maar moeite had om ernstig te blijven bij de gedachte, dat die heer straks of morgen al zoekende naar het nummer, met zijn neus voor het Koninklijk Paleis zou komen te staan.

Inderdaad liep Wiechen erin, in zoover, dat hij het straatnummer van het meest bekende huis in den Haag niet kende; iets, wat hem haast tot fatsoenlijk Hagenaar stempelde.

Ziezoo, nu wist hij waaraan zich te houden. Hij zou een [165]briefje schrijven aan Marie, dat ze nu beslissen moest. Zij kon mee, of niet mee. Wachten was onzin.

Er was een Zwitsersch bonnetje, in dienst bij iemand van het Hof, die bereid zou zijn haar plaats in te nemen. Zij was een tijd geleden bij hem geweest, en vond dat eeuwige zeulen met kinderen vervelend. En die werden bovendien groot, zoodat ze reeds een wenk gekregen had om naar iets anders uit te zien. Een heel fatsoenlijke wenk, want die bestond in een spaarbankboekje; maar het was toch een wenk.

Men kon het nu beschouwen zooals men wilde. Marie was.… ja, ze had iets meer gedistingueerds over zich.

Hij trommelde met de vingers zenuwachtig op tafel.

Marthe, de andere, was minder gedistingueerd, maar sprak beter fransch. Hier kwam een plotselinge uitdrukking van niet begrijpen op zijn gelaat. In zijn ongeschoold brein rees eensklaps een vraag op.

Distinctie deed heel wat, ook in zijn zaken; imponeerde. Fransch spreken gold in den Haag voor een bewijs van distinctie. Maar eigenlijk kon niemand het goed, behalve zoo’n bonne, en die was niet gedistingueerd.

Wat een warboel! Misschien was dat in Frankrijk of elders niet zoo, en stelde men het goed spreken van eigen taal hooger, dan het radbraken van een vreemde, zoodat men daarin geen bewijs van distinctie zocht.

Hij zou dit graag eens onderzoeken, maar het beroerde was, dat hij nu dadelijk moest kiezen. Want in den Haag begon het te dreigen, en de groote bedragen waren over de grenzen.

Nu Marie van die kuren begon te krijgen, was het misschien beter haar ineens te laten schieten, en de andere te nemen. Die kon natuurlijk niet zoo op stel en sprong uit haar positie, en hoe eer hij haar dus kon waarschuwen, [166]hoe beter. Geen oogenblik twijfelde hij of ze het doen zou. Als hij wenkte, gehoorzaamde men. Er waren maar weinigen, die met hem in aanraking geweest waren, die hij niet bevelen kon.

Neen, één ding was zeker, als hij uit den Haag ging, zou de heele stad opademen! Gedurende de vele jaren, dat hij er was geweest, had hij de menschen, en hadden de menschen hem leeren kennen.

„Dag Pa!”

„O, ben jij daar.… Wat ik zeggen wil, mevrouw is weg.”

„Weg?” vroeg Ella, bleek wordend. „Waarom heeft u dat gedaan? Ze was zoo goed.”

„Malle meid! Ik heb haar niet weggestuurd. Ze is uit haarzelf weggegaan.”

„Dat kan niet Pa, ze hield.… ze was.…”

Ella begon te beven.

„Ga maar naar boven,” zeide hij, „en kijk. Ze heeft haar heele rommeltje al weg laten halen.—Sta er niet zoo bij, of je geen tien kunt tellen, en tranen wil ik niet zien, hoor je!”

„Och pa, laat mij naar mevrouw toe gaan! Ze is zoo lief, en zal wel terugkomen, als ik het vraag.”

Wiechen zweeg even.

„Hm,” deed hij toen. „Hou je hoed maar op. Ik zal je een briefje meegeven.”

Hij liep naar zijn schrijftafel, en schreef haastig een paar regels op een kaartje, dat hij daarop in een envelop stak. Een tijdlang bleef hij toen staan, bewegingen makend, of hij het Ella geven zou of niet, zoodat zij begon te lachen.

„Lach niet,” riep hij woedend. „Ik denk erover.… Neen, je moest eens te stom zijn om je boodschap goed te doen.”

En hij likte de enveloppe dicht, en schreef er het adres op.

„Hier,” zeide hij toen. „Steek dat in je zak. Als mevrouw [167]met je meekomt, of belooft terug te komen, is het goed. Anders bezorg je dit aan het adres, dat er op staat.”

„Goed,” zeide Ella, het briefje aannemend. „En mevrouw, waar is die?”

„Noordeinde 68,” antwoordde hij. „Rep je wat, anders wordt het zoo laat met eten.”

„Als mevrouw niet thuis is, moet ik dan een boodschap achterlaten?” vroeg Ella.

„Neen” zeide hij. „Als mevrouw er niet is, of niet komen wil, bezorg je het briefje. Geen gedonderjaag.”

„Goed Pa,” zeide Ella.

Dat wist Ella. Als Wiechen zulke strenge orders gaf, en zoo kort sprak, moest er gehoorzaamd worden. Blindelings!

Ella reed dus heen; maar toen zij vóór het Paleis stond, aarzelde zij toch. In het nummer kon ze zich niet vergissen, en ze had het tot overmaat van voorzichtigheid nog met potlood op haar manchet geschreven. Als het dan moest, dan moest het! En dapper plaatste zij haar fiets tegen die trap en liep naar binnen.

„Is mevrouw van Groningen hier?” vroeg zij den dikken portier.

„Onbekend, freule. Bij wie zou die dame kunnen zijn?”

„Bij wie.…,” herhaalde Ella. „Dat weet ik niet. Maar er moet een vergissing zijn.… Men heeft mij een nummer opgegeven.…”

„Een nummer?” vroeg de man, groote oogen opzettend. „Hier is het Paleis en geen nummer.”

Ella schoot in den lach. Haar verlegenheid was verdwenen.

„Het nummer ben jij,” zeide zij. „Dag!”

Vlug liep zij de treden weer op, en stapte op haar fiets.

Ella begreep intusschen, dat mevrouw geen bezoeken of boodschappen wenschte. Het verkeerde adres was natuurlijk met opzet gegeven. Er bleef haar niets te doen over, dan [168]nu het briefje te posten, en dan naar huis teruggaan. En zoo deed zij.

Opeens hoorde zij haar naam noemen, en schoot haar een fiets op zijde. Het was Carel Becker, die haar had ingehaald.

„Goed nieuws,” juichte hij. „Ik ben door het examen, en een van de eerste nummers, zoodat ik zeker geplaatst word.”

„Heerlijk voor je,” zeide Ella. „Wel gefeliciteerd, hoor!”

„Heb je tijd, om mee te gaan?” vroeg hij.

„Geen minuut te verliezen,” verklaarde zij. „Morgenmiddag?”

„Als het niet anders kan, moet het wel. Maar je begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk overal naar mijn familie moet. En bij de plannen vóór mijn vertrek, is er één, waarover ik met jou moet raadplegen.”

Ella was langzamer gaan rijden, toen zij bemerkte, gevaarlijk dicht bij huis te komen. Nu sprong zij van haar fiets, terwijl haar oogen zich met tranen vulden.

„Ga je nu weg?” klaagde zij.

„Ja, maar ik wou niet alleen gaan,” antwoordde hij, snel sprekend, „ik wou je meenemen.”

„Ach!” riep Ella uit, glimlachende en blozend tegelijk.

„We moeten er nu mee voor den dag komen,” ging hij voort. En ik heb gedacht, dat het beste zou zijn, als ik zelf maar belet bij je vader vroeg. Zie eens, mijn ouders zijn menschen, die zich moeielijk verplaatsen, en.… ik ben bang, dat er bezwaren zullen komen. We moeten ze voor een fait accompli zetten. Als ik de toestemming van je vader heb, kondig ik ons bezoek aan, en eer er wat aan te doen is, zijn we op onze eerste engagements-visite.”

„Hoe grappig klinkt dat,” zeide Ella. „Je begint zoo’n gevoel te krijgen een groot mensch te zijn.” [169]

„Ja,” gaf hij toe, „ik kreeg het ook, toen ik den uitslag van het examen kende. Je weet: nu gaat het zelfstandig leven beginnen.—Zeg, liefste, op welke uren is je vader gewoonlijk thuis?

„Tegenwoordig meestal vast den geheelen avond. Hij werkt veel op het kantoor, den laatsten tijd.”

„Dan zal ik hem van tevoren even opbellen, en doe het vanavond al.”

„O, hoe vreeselijk; ik loop weg!”

Hij lachte hartelijk, en nam afscheid, blij dat dit onderhoud zoo gemakkelijk was gegaan. Want hij had er tegenop gezien, om redenen, die hij Ella echter niet verteld had.

De tegenstand, dien hij tegenover haar slechts verondersteld had, was in werkelijkheid reeds een feit. Hij had een poos geleden zijn ouders met zijn wenschen in kennis gesteld, wat tengevolge had, dat men aan het informeeren was gegaan. Gevraagde en ongevraagde inlichtingen waren verkregen, en vooral de laatste waren, zooals altijd wanneer het een voorgenomen huwelijk geldt, meer dan bar. Maar toch, ontdaan van hetgeen er kennelijk bij gefantaseerd was, bleef er nog genoeg over, om de relatie ongewenscht te maken. Met uitzondering van een laf praatje, gedebiteerd door een ongehuwde nicht, die niemand het levenslot gunde, dat haar neus was voorbijgegaan, waren de berichten over Ella onverdeeld gunstig.

Hierop had Carel dan ook dadelijk gewezen, en aangevoerd, dat hij niet met de familie trouwde, en buitendien naar Indië ging, zoodat hij met Ella gelukkig kon wezen, zonder last van haar familie, terwijl zijn ouders hier geen omgang behoefden te maken met die menschen.

Hij had het eindelijk zoover weten te brengen, dat zijn ouders hun verzet opgaven, op voorwaarde echter, dat zij niets dan het strict noodige zouden behoeven te doen, en [170]in geen geval iemand van dien kant, Ella uitgezonderd, in hun huis zouden behoeven te ontvangen. En Carel mocht geen cent van Wiechens geld aannemen. Dat geld, door woeker of misdrijf verkregen, kon toch nooit geld zijn waar zegen op rustte.

Carel had alles beloofd en toegegeven. Als hij Ella maar had, was hij tevreden; meer begeerde hij niet.

Wiechen was verrast.

Aan deze mogelijkheid had hij nu het allerminst gedacht! Dat een meisje, dat men laat studeeren, het in haar hoofd krijgt, om vlak vóór het eindexamen van het Gymnasium, zich te willen engageeren, vond hij iets onbehoorlijks. Dat beetje, dat volgens hem voor een getrouwde vrouw noodig is, had men goedkooper kunnen leeren. Nu was het weggegooid geld, en daar hield hij niet van.

Hij wilde niets beslissen, zoo dadelijk, en begon, om tijd te winnen, den jongen man de vragen te stellen, die hij meende dat bij een gelegenheid als deze gebruikelijk waren, te weten naar Carels toekomst en de financieele positie zijner ouders.

En Carel, die van beide niets dan goeds kon zeggen, vond dit een gunstig teeken, en antwoordde zoolang hij wat te zeggen had, terwijl Wiechen luisterde en nu en dan korte vragen deed. De macht der gewoonte toonde zich ook hier weer. Het was langzamerhand of het een te sluiten geldleening betrof. Werktuigelijk begon Wiechen de gegevens, die hem Carel gaf, met potlood op een voor hem liggend stuk papier op te teekenen.

„Ik zal informatie nemen,” zeide hij opeens. „Wanneer moet het geld er zijn?”

„Geld, meneer?” riep Carel verbaasd uit. „Daar heb ik in de allerlaatste plaats aan gedacht, of liever in het geheel niet.” [171]

„O neen,” zeide Wiechen, zich herstellende. „Ik was een oogenblik absent. Maar nu we er toch over spreken, konden we dat ook behandelen. U verwacht natuurlijk, dat Ella wat meekrijgt. Misschien moet ik daarover met uw papa spreken …”

„Neen meneer. Vader is … te oud,” redde zich Carel, die begreep dat nu het moeielijke punt kwam. „Hij mag nergens in gemengd worden, te wille van zijn gezondheid. Hij geeft zijn toestemming, ziedaar alles. En het zou hem en mij aangenaam zijn, als over geld niet werd gesproken. Met mijn tractement en de toelage, die mijn vader zal geven, is te dien aanzien gezorgd.”

„Zoo,” deed Wiechen langzaam. „Nu, we zullen zien. Ik had andere plannen met haar, en wil eerst weten, of het haar ernst is die op te geven. En dan, moet ik haar moeder erin kennen.”

„Wanneer mag ik dan mijn antwoord verwachten?”

„Morgenavond om dezen tijd. Is dat goed? Iets vroeger kan ook, maar niet vóór zessen. Als de zaak doorgaat, zullen we toch nog een en ander te bespreken hebben …”

„Ik zal om half zeven hier zijn,” beloofde Carel, opstaande.

Het was een vervelend geval, vond Wiechen. Hij wilde dat Ella onbezorgd zou zijn in de toekomst, en dat bood zich nu aan, al was het niet op de manier, die hij gedacht had. Want dat ooit iemand, laat staan in Holland, om zijn dochter zou komen, had hij niet verwacht. Maar hij had een tweede bedoeling. Zoodra zij klaar was, wilde hij haar aan zijn practijk verbinden, door haar gedekt zijn. En dát ontging hem op deze wijze.

„Ella!” riep hij, en het antwoord kwam van zóó dicht bij, dat hij besefte, dat zij zich in de buurt van het kantoor had opgehouden.

„Ga eens zitten,” zeide hij, toen zij binnenkwam, de [172]sporen dragend van te hebben gehuild. „Je weet wat er geweest is.”

En op haar toestemmend knikje, deelde hij haar mee, niet geheel te hebben willen weigeren, maar dat zijn inzicht in de zaak was, dat men het moest laten afhangen van het eindexamen. Dat begon nu over enkele dagen. Slaagde zij, dan bleek het, dat zij voldoende studeerkracht had, om ook verder te komen. Men zou zoolang het antwoord kunnen uitstellen.

„Dat is niet noodig, pa,” zeide Ella. „In dat geval kunnen we nu evengoed beslissen.”

„Ben je zóó zeker, dat je er komt?”

„Neen,” zeide Ella, zacht doch beslist. „Ik zou het diploma graag hebben, en zal er mijn best voor doen. Maar als ik dan Carel niet hebben mag … dan laat ik mij expres zakken.”

Vloekend sprong hij op en schudde haar doorelkaar.

Zij bood niet den minsten tegenstand.

„Zoo zal het ook op het examen gaan,” zeide zij apatisch. „Geen behoorlijk antwoord zal men uit mij krijgen.”

Hij liet haar los. Ja, dat was wel zijn dochter! Zoo was ook hij geweest, toen hij indertijd zijn militair pensioen wilde halen.

„Gévédé! Trouw dan voor mijn part. Maar doe ook je examen.”

„Dat beloof ik u,” riep Ella uit, hem om den hals vallend. „U meende het toch ook niet. wel? U wou maar eens zien of het mij ernst was, nietwaar?”

„Al goed,” bromde hij.

Zij keek op de klok.

„Mag ik het nog even aan moeder gaan zeggen?” vroeg zij. „En als ik thuis kom, zal ik gauw een briefje aan mevrouw schrijven. De post zal haar adres toch wel weten.” [173]