[Inhoud]

HOOFDSTUK XVII.

Ella Wiechen had haar eindexamen met goed gevolg afgelegd. Zoolang zij daarvoor werkte, had men het geraden geacht het engagement nog geheim te houden, teneinde haar geen te groote afleiding te geven. Nu zij er door was, wilde men haast maken met het huwelijk. Carel kon elken dag zijn orders krijgen, om naar Indië te vertrekken, en hoe vlugger alles afliep, hoe beter, naar de betrokken partijen voorkwam.

Zelfs Wiechen werkte mee. Want hij vreesde elken dag voor een beslag, en wilde zien vóór dien tijd weg te komen. Een paar kleine vonnisjes had hij afgedaan, doch een der groote hing er teveel in. Tot overmaat van ramp had de advocaat van van Vleuten, met hoop op een verstek, maar ineens gedagvaard, en daar Wiechen geen kosten meer wou maken, was de toeleg gelukt.

Van Marie van Groningen had Ella antwoord gekregen, waarbij deze haar hartelijk geluk wenschte. Als Ella trek had, haar eens op te zoeken, dan kon dit nu geschieden, daar zij bij haar oom en tante Slot was ingetrokken.

Gaarne gaf Ella nu aan die uitnoodiging gehoor, en nam ook dankbaar Marie’s aanbod aan, om haar met haar uitzet te helpen, zoodat zij geen onbruikbare dingen meenam.

Ten huize harer aanstaande schoonouders was zij in het [185]eerst met eenige koelheid ontvangen, doch ook die week weldra, en al heel spoedig was Ella maar zelden thuis te vinden.

Het begon er ook ongezellig te worden. Haar vader had, behalve op het kantoor, dat nog zijn gewone uiterlijk behield, overal ingepakt, en veel de deur uitgezonden. Tot haar had hij gezegd, dat hij onmiddellijk na haar huwelijk naar Parijs zou vertrekken, en dus op de meubels na, alles wilde hebben opgeruimd en opgezonden. Zoo ging dan het een vóór, het ander na, de deur uit, en kreeg het eigenlijke huis den indruk of het voor een verkooping klaargemaakt was.

Op den Zaterdagmiddag, vóór den Zondag, waarop Wiechen naar Parijs spoorde, had hij Ella met een groot envelop naar Marie van Groningen gezonden, dat zij onmiddellijk moest overhandigen, en er haar bij gezegd, dat hij even heen en weer naar Parijs ging, en zij de gastvrijheid van Marie maar moest inroepen. Daarop had hij haar een hartelijken afscheidskus gegeven. Dit laatste herinnerde zich Ella pas later, toen Marie haar had verteld, wat er nader in den brief van haar vader stond.

Het was geen „even heen en weer”, maar een vertrek voor goed. En hij vroeg zijn vroegere vriendin, die toch zooveel van Ella hield, of zij haar bij zich wilde houden, en voor het verdere zorgen. Een acte van toestemming voor Ella’s huwelijk, was in den brief vervat. Die had hij doen opmaken, omdat, afgezien van zijn vertrek naar Parijs, hij bij de huwelijksvoltrekking niet tegenover die trotsche menschen wou staan, die niet eens zijn kennis wilden maken. Hij zou nog niet zoo spoedig gegaan zijn, als niet Maandag een beslag in zijn huis verwacht werd, en hij daar Ella niet in kon laten zitten. Hij verzocht Marie van dit alles aan Ella enkel het hoognoodige te willen meedeelen.

Ella schreide haar oogen rood, en zoo vond haar Carel, [186]die haar kwam afhalen, om bij zijn ouders te gaan eten. Hoewel hij hartelijk blij was, dat hij Wiechen, die hem tegenstond, niet zou ontmoeten voorshands, gevoelde hij toch groote deelneming met zijn aanstaand vrouwtje, en stelde haar voor haar komen voor heden af te gaan zeggen. Doch hiervan wilde Ella niet hooren. Zij verzocht Carel zelfs thuis niets van de verdwijning van haar vader te zeggen. Men wilde hem daar niet kennen, dus had men ook geen belang erbij.

„Weet je wat,” zeide Marie van Groningen. „Ik zal oom Slot verzoeken morgenmiddag naar meneer Becker te gaan. Voor iedereen kan het voorloopig blijven, alsof hij slechts tijdelijk weg is.—Neen, kind,” zeide zij tot Ella, „de oude heer Becker moet het weten. Anders zou hij trouwens niet begrijpen, waarom je zoolang bij mij blijft logeeren. Want dat doen we toch?”

Ella viel haar om den hals.

„Ziezoo,” zeide Marie. „Nu de traantjes gedroogd, en je gezicht even afgewasschen in mijn kamer. Als je terug komt vanavond, heb ik een aardig klein nestje voor je klaar, vlak naast mij.”

Ella deed wat haar gezegd werd, en kwam weldra beneden, een voile voor haar gezichtje, waardoor men niet meer zag, dat zij had gehuild, en ging met haar aanstaande mee.

„Ik moet eens een poosje vreeselijk ouderwetsch zijn,” zeide zij, zijn arm nemend. „Ik gevoel zoo’n behoefte aan steun.”

„Dien kan je krijgen, lieveling, altijd als je dien noodig hebt,” zeide hij zacht.

De heer Slot volvoerde den volgenden dag zijn eenigzins kiesche taak, om Carels ouders met den toestand bekend te maken.

„Het fatsoenlijkste dat de vent ooit in zijn leven heeft [187]gedaan, wed ik,” merkte de heer Becker op. „Het toont tenminste eenig eergevoel.”

„Als hij het tenminste alleen dáárom gedaan heeft,” zeide de heer Slot. „Maar ik hoor in den laatsten tijd rare noten kraken over zijn financieele omstandigheden.”

„Zoo? Dan ben ik dubbel blij om onze houding. Ook dat Carel van den beginne af geweigerd heeft iets als bruidschat aan te nemen.”

„Hij schijnt dan nog wat te bezitten.”

„Het doet er niet toe. Onze jongen krijgt nu zijn vrouwtje schoon uit zijn handen. Dat is één geluk.”

„En een lief vrouwtje. Mijn nicht, die haar al lang kent, dweept met haar. Zij wil haar nu gaarne bij zich houden tot de bruiloft. Maar zou het niet zaak zijn, die wat te bespoedigen?”

„Daar heb ik wel ooren naar,” verklaarde de heer Becker. „We kunnen daar eens met de dames over spreken. Want het zal wel van den uitzet afhangen.”

„Ik heb er terloops met mijn nicht over gesproken. Er is nog wel wat te doen; maar als ze vóór hun vertrek naar Indië nog eens een reisje in Europa maakten? Dat geeft tevens een afleiding, die het arme kind wel noodig zal hebben. En als, wat ik vrees, in enkele weken toch een faillissement van Wiechen volgt, merkt zij daar niets van. Hoe zou u over dat plan denken?

„Het is uitstekend!” riep de heer Becker uit. „De jongelui behoeven we niet te vragen of ze het er mee eens zullen zijn! Dus morgen aanteekenen. Wat hebben we nu daarvoor nog noodig? Ik zal morgen Carel met de heele papierengeschiedenis naar het gemeentehuis sturen. Zoo vroeg mogelijk.”

Toen Ella dien avond naar haar tijdelijk huis zou gaan, nam de heer Becker haar bij de hand. [188]

„Ik weet alles,” zeide hij. En je moet me beloven er in het geheel niet over te praten. En nu heb ik een verrassing voor je. Luister jij ook eens, Carel. Je gaat morgen vroeg naar het stadhuis, en brengt er de stukken, vraagt of ze nog meer noodig hebben, en wanneer op zijn vlugst kan worden aangeteekend. Als het kan, morgen reeds. Dan hebben we haar zooveel te langer als bruid.”

Ella bloosde, terwijl een traan in haar oog blonk.

„Welnu, beste meid, krijg ik een zoen van je?”

„Dank u, vader,” zeide Ella, hem kussend en voor het eerst dien naam gevend.

„Dat is lief van je!” riep Carels moeder uit. „Hier, ik ook mijn portie.”

„Je hebt het hart der oude lui voor goed gestolen,” zeide Carel, toen zij buiten waren.

Et mulier peregrina vertit,” prevelde zij bijna onhoorbaar.

„Wat zeg je daar?” vroeg hij.

„Een regel uit Horatius,” antwoordde zij. „Stil, Carel, ik durf hem je nu niet uit te leggen. Later.”

En hij, begrijpende, dat haar gemoed vol was, stapte zwijgend naast haar voort.

Carel haastte zich den volgenden ochtend, en het gelukte hem den dag daarna aan te teekenen, wat heel vlug was, naar men hem verzekerde.

En op hetzelfde oogenblik dat Ella aanteekende, werd het oude huis van haar vader opengebroken, en namens van Vleuten beslag gelegd op het weinige dat men daar vond.

Voor de kosten altijd goed, maar niet voor de vordering.

Dat was het treurig bericht, dat van Vleuten van zijn advocaat ontving.

Binnen weinige dagen had men nader bericht, en wel, dat Wiechen te Parijs vertoefde, doch zijn adres was nog [189]niet bekend. De advocaat raadde eenvoudig faillissementsaanvraag aan. Dat was het goedkoopste, en men zou meteen kunnen doen constateeren, of er misschien vorderingen waren, die men kon geldig maken.

En zoo geschiedde precies, wat Wiechen wilde, en hij tijden geleden op dien fietstocht aan Marie van Groningen had aangekondigd.

Maar eer dit alles gebeurde, was Ella getrouwd.

En haar moeder was erbij geweest. Want op dat punt had zij niet willen toegeven. En niemand had er spijt van met die lieve bescheiden vrouw kennis te hebben moeten maken, en haar te zien vermeerderde slechts de verontwaardiging, die de ingewijden tegen Wiechen voelden.

De heer Becker ging zoover, dat, toen men zekerheid had van Wiechens blijvend vertrek, en de genomen stappen bekend werden, haar zijn steun aan te bieden, als zij dien noodig mocht hebben. Zij was dankbaar voor zijn aanbod, doch vertrouwde er vast op, dat Wiechen haar geregeld van het noodige zou blijven voorzien. Daarin was hij nog nooit tekort geschoten.

Toen de eerste schrik voorbij was, en de verificatievergadering plaats vond, waren de crediteuren in Wiechens boedel niet weinig verbaasd te vernemen, dat zijn vorderingen omstreeks evenveel bedroegen als zijn schulden, en er dus hoop bestond op een zeer hoog percentage. Dat gaf verademing, en men begon minder slecht van Wiechen te denken.

„Als het zoo voortgaat,” zeide van Vleuten op zekeren dag tot Betsy, „krijgen we nog heel aardig wat van ons geld terug. Ik vind het nu al haast jammer, dat ik werk gemaakt heb bij onze oude firma, om weer terug te komen. Natuurlijk zouden we iets bescheidener moeten leven, maar aan den anderen kant beginnen de verdiensten uit mijn werk aardig te klimmen.” [190]

„Ik verlang toch naar Indië,” vond zij. „Maar dien Wiechen vergeef ik veel, en weet je waarom? Kom eens heel dicht bij me, Jan.”

En toen hij dat gedaan had, sloeg zij haar arm om zijn hals, en fluisterde hem iets in.

„Meen je ’t?” vroeg hij verrast opspringend. „Ja, dan … dan.…”

„Zie je,” ging zij voort. „Als we niet alleen blijven, moet jij ook meer verdienen. Is het niet zoo?”

Zijn eenig antwoord was een hartelijke kus.

„Ben je er erg blij mee?” vroeg hij toen.

„En jij?” was haar tegenvraag. „Zonder dat die man je erop gewezen had, zou je het nooit geweten hebben, en wij hadden dat geluk nu niet in het vooruitzicht.”

„Het is zoo,” erkende hij. „Weet je wat het gekste is? Ik heb er na dien tijd zooveel dokters over gepolst, en ze zeiden mij altijd, dat er niets aan te doen was. Niets zekers tenminste. Hoe zoo’n man daar nu aan komt?”

„Je hebt het toch niemand verteld? Zelfs geen dokter?”

„Neen, liefste. Dat had ik je immers beloofd!”

„Dat weet ik wel. Maar jelui praat zoo graag! En dan vooral, waar het iets geldt, waarover de geheele wereld in dwaling schijnt te verkeeren.”

„Wees gerust. Tenzij me iemand een ton ervoor bood … Iets anders. Het zal toch geen beletsel zijn om naar Indië te gaan?”

„Ben je dwaas? Dat durf ik over vijf maanden nog wel te doen. Er wordt gebeld, en de meid is uit.”

Hij stond op.

„Hoera!” riep hij uit, binnenkomend. „Lees eens.”

Het telegram hield slechts één woord in: Welkom.

„Dat beteekent, dat er een plaats voor je is?”

„Ja,” zeide hij. [191]

„Wanneer gaan we?”

„Wat heb je een haast! Natuurlijk zoo gauw mogelijk. Ik zal morgen de Maatschappij kennis geven. Voor de zaak Wiechen zal ik den advocaat een volmacht geven. Dat kan ook morgen. Tevens kan ik eens zien welke booten er gaan, en een paar lui opduikelen om ons meubilair over te nemen.”

„Hemel, Jan! Je wilt toch niet zonder goed gaan?”

„Indisch goed hebben we nog boven liggen, geloof ik. Als we tot Genua of Marseille over land gaan, geven we onze koffers hier al mee, en wat ons ontbreekt koopen we bijvoorbeeld in Parijs.”

„Dan moeten we dáár weer langer blijven,” zeide Betsy, „maar dat is zoo erg niet. Doe dan maar wat je kunt. Ik bedenk ineens, dat als we zoo hals over kop moeten vertrekken, we meteen van alle mogelijke afscheidsvisites verschoond zijn.”

„Die twee of drie, die wij te maken hebben, doen we in één achtermiddag af.”

„Dat denk je maar, Jan. Ons plotseling vertrek zal de nieuwsgierigheid teveel gaande maken. En dan ben je goed af hier! Men wil het naadje van de kous natuurlijk weten. En, daar iedereen in dit land wat te verbergen schijnt te hebben, gelooft men het tegendeel van ons toch niet, en vraagt, vraagt.… om, als ze niets uit je kunnen krijgen dat ze niet al lang weten of gezien hebben, je voor erg achterbaks te verklaren. Wat hebben we er aan?”

„Je hebt eigenlijk gelijk,” zeide hij. „Dus zal ik maar beginnen met wat ik te doen heb, terwijl jij met inpakken aan den slag gaat. Ik zal je dadelijk iemand van de Dienstverrichting laten sturen, om de koffers van boven te halen.”

„Neen, dat hoeft niet. Die leege koffers kan ik wel met de meid naar beneden krijgen, als jij vanavond met die groote maar helpt. Stuur je zoo’n man hier, dan zien dat [192]de buren, en wordt hij uitgevraagd. Het gevolg is natuurlijk, dat er dan bezoek komt, om uit te visschen wat er gebeurt. Dat houdt me teveel op.”

Beiden togen nu aan het werk. Betsy in huis, van Vleuten daarbuiten.

Groot was de consternatie van de meid, toen het inpakken begon.

„Luister eens Mietje,” brak Betsy haar vragen en uitroepen af. „Ik zal je in twee woorden zeggen wat het is. Wij gaan naar Indië terug. Je hebt ons trouw gediend, en daarom zullen we je goed bedenken. Maar ik maak één voorwaarde. Geen tijd verbeuzelen met vragen, en niet praten buiten de deur. Een jaar loon, en kostgeld, als je je daaraan houdt. Begrepen?”

„Best, mevrouw,” zeide de meid.

En als teeken dat zij zwijgen zou, sloeg zij zich even met de hand voor den mond.

Er werd gewerkt! Indisch gewerkt, zonder tijd te verbeuzelen met praten en overleggen, zonder de dingen op te nemen om ze dan weer neer te leggen, den wil steeds gericht op het einde van de taak, om die zoo spoedig en goed mogelijk te voleindigen. De zeer eenvoudige redenen, waarom in Indië in korter tijd, meer werk wordt verricht dan in Nederland, en dus hooger salarissen kunnen worden betaald.

In weinige dagen was men zoover, dat men in eigen huis leefde als in een logement. Alles ingepakt, het gebruikte terug in de koffers.

Van Vleuten had intusschen ook het zijne gedaan. Het eenige oponthoud dreigde een oogenblik van de zijde der Levensverzekeringmaatschappij te komen. Eerst vier dagen na de kennisgeving van van Vleuten, kwam de generaal-inspecteur, op wiens komst men hem had voorbereid.

„De Maatschappij vindt de behandeling door u … eenigszins [193]zonderling,” zeide deze. „Een betrekking als de uwe, zegt men gewoonlijk niet met een paar dagen op.”

„Er was niets aan te doen,” zeide van Vleuten. „Het spijt mij genoeg, niet eer in de gelegenheid te zijn geweest. Ja, ik voor mij zou liever in het geheel niet weggaan.”

„Daar kan ik niet over oordeelen,” meende de ander. „De Maatschappij is van opinie, dat u minstens nog drie maanden behoorde te blijven. Uw betrekking is er een, die …”

„Houd mij te goede, dat ik u in de rede val,” zeide van Vleuten. „We gaan van een verkeerd uitgangspunt uit. Het zit in het woord betrekking. Van het oogenblik af, dat de Maatschappij het vaste salaris, dat we in den beginne overeenkwamen, is gaan korten op de door mij verdiende tantièmes, hield de betrekking op. Sinds ben ik bezorger van polissen geweest, en deed stukwerk. En die relatie kan ik, dunkt me, afbreken, wanneer ik verkies.”

„Enfin, ik zie dat u vastbesloten is, waar alles in huis staat ingepakt. Dus laat ons van die quaestie afstappen. Schikt het u, dat we aan het overnemen van uw administratie gaan?”

Van Vleuten legde zijn boeken en registers over, waarin de generaal-inspecteur het sedert de laatste inspectie bijgeschrevene naging. Toen na eenigen tijd alles was doorgezien en geverifiëerd, hernam hij:

„Uw eigen polis moet dus nu op Indisch tarief worden overgeschreven.”

„Juist,” zeide van Vleuten. „Er komt een kleine vermeerdering van premie. We kunnen het nazien.”

En hij greep naar een tariefboekje, dat op tafel lag.

„U heeft het verkeerde,” merkte de ander op. Dit is het nieuwe tarief, en uw verzekering is gesloten, eer dit werd ingevoerd.” [194]

„U wilt daarmee toch niet zeggen, dat ik volgens het oude, hooge tarief zou moeten betalen?”

„Kijkt u maar op uw polis.”

„Ja maar,” zeide van Vleuten, nadat hij dit gedaan had, „die bepaling is krachteloos, doordien een nieuw tarief sedert is ingevoerd, bijna de helft lager.”

„U is nog verzekerd onder de oude bepalingen.”

„Spreekt u hier uw persoonlijke meening uit, als ijverig inspecteur, of is het die der Maatschappij?”

De laatste. We hebben over de quaestie onlangs zelfs een proces moeten voeren, en gewonnen.

„’t Is fraai!” riep van Vleuten uit. „Maar ik weet wat. Wij transformeeren deze polis in een premievrije, en ik neem een nieuwe voor Indië.”

„Dat kan,” zeide de ander. „U is nog altijd dezelfde, zie ik. U kende onze tarieven zooals geen enkel inspecteur, en ik herinner me de eerste maal, dat een premie door u werd geinterpoleerd, omdat die in het tariefboekje niet voorkwam. Zonder eenige fout! Welnu, uw idee is goed, en de Maatschappij ontkomt aan een precedent. Zal ik de nieuwe verzekering meteen noteeren? Of wilt u het nog zelf doen, om uw tantième? U ziet, ik ben geheel open.”

„Ik ook,” zeide van Vleuten, „en daarom deel ik u mede, dat u de transformatie kunt noteeren, maar dat ik de nieuwe polis bij een andere Maatschappij neem.”

De generaal-inspecteur sprong op.

„Te drommel!” riep hij uit. En toen licht vermanend: „Kom, meneer van Vleuten, dat meent u niet!”

„Toch,” zeide van Vleuten bedaard.

„Nu dan … wil ik u een voorstel doen. Tot speciale belooning uwer aan de Maatschappij bewezen diensten, vergunt zij u bij uitzondering in het nieuwe Indische tarief te treden.” [195]

„Ik had van de Maatschappij niet anders verwacht,” zeide van Vleuten lachend. „Zorgt u dus voor de overschrijving?”

„Met spoed. Ik beloof het u. Vergun me u een goede reis en veel succes te wenschen. We hebben altijd prettig samen gewerkt.”

„Dank u,” zeide van Vleuten.

En hij leidde den bezoeker uit.

Hiermee was het laatste afgedaan, dat nog in Holland te doen viel; en toen den volgenden dag de stukken van de Maatschappij reeds kwamen, stelde van Vleuten voor op te breken.

Dat ging nu spoedig genoeg. De meubelen had van Vleuten overgedaan aan den huiseigenaar, die er meer voor gaf, dan een ander, wijl hij met het nette inboedeltje het huis gemakkelijker kon verhuren aan Indische menschen, die er dikwijls tegenop zien, in hun verloftijd zich voor eigen rekening in te richten.

In den vroegen ochtend waren de koffers, die men niet voor de reis overland noodig had, weggehaald, ter verzending naar de Stoomvaartmaatschappij. Iets later kwam de huisbaas met een vigelante, en terwijl de reisbagage daarop geladen werd, ging hij met van Vleuten even rond, met een vluchtigen blik zich vergewissende, dat alles in keurige orde was.

Toen gaf van Vleuten hem de sleutels over, en stapte in het rijtuig waarin Betsy reeds zat, met de meid, die verlof had gevraagd hen tot aan den trein uitgeleide te mogen doen.

„Weet je nog, Betsy,” merkte van Vleuten op, toen zij samen in den sneltrein zaten, „dat je huilde, toen we indertijd Soerabaja verlieten, waar we toch nauwelijks zoo lang gewoond hadden als hier?”

„Ja,” erkende zij.

„Ik was toen ook stil. En nu gevoel ik me haast vroolijk.” [196]