Van Vleuten was gelukkig geweest. Ruim vier jaar had hij te Soerabaja doorgebracht, en er de filiaal van het Bataviaasch huis gevestigd en doen bloeien. Financieel was hij daar zelf ook bij welgevaren, en achtte zich thans sterk genoeg om te repatrieeren. Wel zouden zij van de rente van hun geld slechts zeer bescheiden kunnen leven, doch voor leegzitten was hij toch te jong; dus zou hij in het vaderland naar iets omzien, dat hem bezighield en de kas hielp stijven. Iets wat niet moeielijk te vinden zou zijn, naar hem dacht; immers als men het niet bepaald noodig heeft, komt zooiets van zelf.
Betsy vond zijn denkbeeld uitstekend. Niet dat zij naar Holland verlangde. Zij had het land daartoe te jong verlaten, en was in Indië zóó thuis, dat zij aan eenigerlei verandering geen behoefte gevoelde. Doch zij koesterde een stille hoop, dat de wisseling van klimaat dienstig kon zijn tot de vervulling van een hartewensch. Langer dan vijf jaar was zij nu getrouwd, en nog steeds kinderloos. En naar den aard der menschen, bij wie het instinct door het aangeleerde is verdrongen, wees de natuur haar noch van Vleuten den weg in deze, en beschouwden zij het al dan niet krijgen van kinderen afhankelijk van een toeval, een invloed van buitenaf, of een bijzondere bestiering van [18]het Opperwezen. En op dien vruchtbaren ondergrond tierde welig het bijgeloof, als overal waar kennis ontbreekt.
Te ’s Gravenhage huurde van Vleuten een kleine woning in de Riouwstraat, en toen de eerste drukte van het zich inrichten voorbij was, besloot hij zich te gaan wijden aan zijn voornemen om bezigheid te zoeken. Hij had feitelijk nog geen vast plan gevormd, hoe daartoe te geraken, en slenterde dan ook maar wat rond, in de vaste overtuiging, dat wat men niet zocht, zich het eerst liet vinden.
Op zekeren middag was hij op het kantoor van zijn kassier, dien hij had opgedragen voor hem soliede effecten te koopen, zonder bepaalde aanwijzing welke, mits niet teveel van één soort, daar hij van oordeel was, dat men door van alles wat te nemen, het risico verdeelde. Dit was geschied, en hij kwam nu zijn papieren kapitaaltje halen. Terwijl hij in een ontvangkamertje met den procuratie-houder bezig was de ingekochte stukken met de afrekening te verifieeren, werd na een vluchtig geklop de deur geopend. De binnentredende bleef aarzelend staan, de knop van de deur in de hand houdend.
„Pardon.… ik dacht dat u alleen was,” zeide hij, zich tot den procuratiehouder wendend, na eerst een snellen blik te hebben geworpen op van Vleuten en zijn effecten.
Laatstgenoemde had opgekeken, en gedurende de korte oogenblikken dat de procuratie-houder den vreemde toesprak, hem verzoekende op het kantoor te gaan, waar hij onmiddellijk tot zijn dienst zou zijn, had hij dien met een belangstelling, waarvoor hij geen reden kon vinden, scherp opgenomen.
Er was iets eigenaardigs in dien man, vond van Vleuten. Twee helderbruine varkensoogjes schitterden listig in een strak wasbleek gelaat, waarop overigens een ijl krulsnorretje de eentonigheid brak. Om den mond een trekje van [19]harde brutaliteit, voortkomende uit het met geweld bedwingen van aangeboren verlegenheid. De kleeding, schoon van goede stof, klaarblijkelijk niet volgens den smaak van den coupeur gemaakt, doch eer op eigenwijze aangifte van den drager, de schouders te laag, de rug teveel getailleerd, waardoor de zware heupen sterk uitkwamen. De pantalon van onder sterk ingevouwen en met fietsgespen vastgemaakt.
„Iemand die ons telkens komt vervelen,” meende de procuratie-houder te moeten uitleggen, toen de deur weer dicht was. „Noemt zich bankier of zooiets.”
„Een titel is gemakkelijk,” zeide van Vleuten. En opstaande, pakte hij zijn stukken bijeen en vertrok, van plan zich onmiddellijk huiswaarts te begeven.
Doch langs Café Central komende, kreeg hij trek in een glas bier, en liep er binnen. Geen kennissen hebbende, vond hij het eenvoudiger zich aan de leestafel neer te zetten, waar hij in de illustraties bladerde.
„Zag ik u zooeven niet bij Karsten & Co.?” zeide opeens iemand naast hem, met onnatuurlijk hoog stemgeluid, en opziende bespeurde hij den man van daareven.
„Dat kon wel,” antwoordde van Vleuten, minder koel dan hij bedoeld had.
De ander scheen dat te bemerken en zich daardoor gerechtigd te gevoelen het gesprek voort te zetten.
„U moest voor den eten geen bier drinken,” zeide hij. „Dat is niet goed voor de maag. Neemt u liever een glas port of een bittertje, dat zet eiwit aan.”
„Eiwit?” herhaalde van Vleuten verbaasd.
„Ja, dat is goed voor de spieren en het centrale zenuwgestel.”
„Is u dokter ….? Ik dacht.…”
„Pardonneer! Ik ben Wiechen, bankier. Maar iemand moet zoo’n beetje zijn eigen lichaam kennen. En.… ik zag u bij Karsten. Soliede firma, maar duur.” [20]
„Men heeft mij heel schappelijk behandeld. Een achtste percent, meen ik.”
„Per hoeveel tijd?”
„Geen tijd. Provisie, bedoel ik, voor het inkoopen van effecten.”
„O! Ja, dat is de prijs. Maar ik meende als men zaken met hen doet, geld opneemt.—Kijk u eens hier,” en Wiechen vouwde een rekening-courant open; „dáár bijvoorbeeld. Daar staat een post van precies duizend gulden. Provisie ƒ 25.— voor 30 dagen. Dat is.…?”
„Twee en een half percent,” zeide van Vleuten, „per maand!”
„Juist. En ziet u,” ging de ander voort, het blad omslaande en op het eindcijfer wijzende, „ik doe nogal zaken met hen. Ruim twee en veertig mille. Ze laten particulieren natuurlijk meer betalen.”
„Maar wat laat u dan de particulieren wel betalen, als uzelf zoo’n ontzettende rente moet opbrengen?”
„Dat is ongelijk. Mijn stelregel is vijf percent.”
„Ook per maand dan?”
„Ja, dat spreekt. Ik ben erg goedkoop. In mijn buurt woont een zekere van der Wal, die niet onder tien percent uitzet. Eens heb ikzelf vijf bij hem moeten betalen. Enfin, het moest, om iemand te helpen. Maar daarom noem ik Karsten duur. Mijn meeste geld is van particulieren, die blij zijn anderhalf tot twee percent te maken. Dat zult u van uw effecten niet halen, wel?”
„Neen, zeker niet,” zeide van Vleuten. „Maar.… als ik onbescheiden ben, zegt u het gerust.… is er voor dergelijke transacties veel omzet?”
„U heeft mijn rekening-courant met Karsten gezien. Als u eens bij mij wilt komen, zal ik u heel wat anders laten zien. Misschien krijgt u wel lust eens iets bij mij te plaatsen.” [21]
„U woont?”
„Hier is mijn kaartje met adres.—Laat ons nu over wat anders praten. Daar komen namelijk een paar heeren, die graag alles weten. Mag ik u een borrel aanbieden? Hé, kellner!”
Een drietal jongelieden naderde het hoekje van de leestafel. Van Vleuten was eigenlijk van plan geweest op te staan, doch de beleefdheid van Wiechen, die een glas Catz voor hem besteld had, weerhield hem. En daardoor kon hij aan een voorstelling niet ontkomen.
Van aard weinig spraakzaam als hij voor het eerst iemand ontmoette, bepaalde van Vleuten zich tot luisteren en het bestudeeren der nieuwe kennissen. Onverdeeld gunstig was de indruk dien zij op hem maakten, nu juist niet.
Arnolds was een spichtige figuur met dwalende oogen en een scheeve neus. Viehof een goede middelmatiger met schonkige vormen, Boom een ietwat fatterige reus met een geweldigen knevel en kaal hoofd. Naar hun gesprekken te oordeelen was de eerste een hartstochtelijk liefhebber van wedrennen, waarop hij enorme sommen moest hebben omgezet, de tweede een man van Wiechens slag, den mond vol van „slagjes” op financieel gebied, de derde eindelijk een uitvinder, sprekend over zijn „machine”, die een revolutie in het wereldverkeer zou teweegbrengen.
Hoewel alle drie volgens van Vleuten’s oordeel het hunne deden aan opsnijderij, was de strekking daarvan verschillend. Terwijl de beide eersten er een eer in schenen te stellen hun medemenschen zooveel mogelijk geld afhandig te maken, onverschillig of de middelen daartoe den toets van stricte eerlijkheid konden doorstaan, leek de laatste weliswaar niet ongeneigd zijn voordeel te zoeken, doch hiermee tevens de menschheid een dienst te willen bewijzen, door het geven van iets werkelijk nuttigs. [22]
Alleen kwam het den toehoorder voor, dat de uitvinding in quaestie leed aan het gewone gebrek van een zoogenaamd perpetuum mobile, namelijk het bewegen zelf. Althans daartoe scheen het nog niet gekomen, niettegenstaande het werk dat Boom, financieel gesteund door Wiechen, daaraan besteed moest hebben.
Toen van Vleuten meende genoegzaam lang in het gezelschap te zijn gebleven, om zijn weggaan niet onbeleefd te doen schenen, stond hij op, en nam afscheid.
„Wanneer kan ik u wachten?” vroeg Wiechen hem zacht, nadat hij hem tot aan de uitgang begeleid had.
„Morgenmiddag?” stelde van Vleuten voor.
„’s Middags ben ik veelal bezet of uit, althans na tweeën. Mijn kantoortijd is van negen tot twee.”
„Dan morgen ochtend?”
„Goed; ik wacht u dan liefst tusschen elf en twaalf.”
Met nieuwsgierige blikken keken de drie jongelui Wiechen aan, toen hij terugkwam.
„Niets voor jelui,” zeide deze, „’n prutsje geld uit Indië meegebracht, en al bij Karsten & Co. gedeponeerd.”
„Laat hij het terughalen. Ik weet een schitterenden coup.”
„Sst, heeren! Laat hem maar aan mij over. Ik zal jelui er wel bij noodig hebben; maar niet te driftig. Je weet, om een gaatje open te maken, is beleid en geduld alles.”
Zij zagen hem alle drie een oogenblik wantrouwend aan.
„Leen me een kopstuk tot morgen,” zeide Arnolds toen.
Wiechen greep in zijn vestzak, en spreidde hetgeen hij daaruit haalde op de vlakke hand uit: twee kwartjes en vier dubbeltjes.
„Dat is alles,” zeide hij, „en mijn borrel nog niet betaald. Daar, ik kan nog net een sectie trammen.”
De ander trok de schouders op en draaide zich half om.
„Wie speelt een partij biljart?” [23]
„Ik,” riep Viehof. „Wie houdt?”
„Drie tegen één, om een gulden!”
En nu volgde een verward geroep, waaruit Wiechen niet wijs kon worden, een nabootsing van het geschreeuw der bookmakers op de rennen.
„Hou je?” vroeg Arnolds hem, en op een toestemmend knikje begon men te spelen.
„Wat is dat voor een spel?” vroeg Wiechen, die Arnolds midden in een serie zag ophouden, terwijl Viehof voortspeelde.
„Gewoon vijftig punten.”
„Waarom hield je dan op, zooeven?”
„Omdat ik den bal gemist had.”
„O, ik dacht dat hij raak was,” zeide Wiechen, die Viehof door zag spelen tot hij een enorm eind vóór was, en begreep zijn gulden kwijt te zijn, dien hij dan ook even later betaalde, uit een ander zakje echter dan waarin het klein-geld van daareven.
„Wat is dat?” vroeg Viehof. „De côte is vijf tegen één gebleven. Vier pop erbij, alsjeblieft.”
En Wiechen, bij zich zelf zwerende dat hij hem die vier gulden duur zou laten betalen, betaalde, uit vrees dat men zou denken dat hij de terminologie der paris niet kende, wat toch inderdaad het geval was, en de anderen zeer goed wisten.
Inmiddels was van Vleuten thuisgekomen, en had zijn wederwaardigheden van den middag aan Betsy verteld.
„Wees vooral voorzichtig,” waarschuwde zij. „Ik heb al lang begrepen, dat menschen, die geruimen tijd in Indië zijn geweest, te naief zijn geworden voor Europa. Wij worden van alle kanten beetgenomen, als we niet oppassen. En het is alsof men elkaar het wachtwoord geeft.”
„Nu ja,” zeide hij; „dat kan zijn bij groentenboer en [24]dergelijken, doch ernstige geldmannen.… Trouwens die Wiechen doet zelf zaken met Karsten & Co.”
„Is het je niet vreemd voorgekomen,” viel zij in, „dat, als hij dan zulke groote zaken doet met hen, die meneer met wien je sprak, zich zoo wegwerpend over hem uitliet?”
„Ja, dat is vreemd. Enfin, ik zal morgen goed toekijken.”
„Gut, man, weet je wie ik gezien heb?” vroeg zij opeens, van het onderwerp afstappend. „Onze buurvrouw in het hôtel te Soerabaja; weet je nog? Wier man toen gestorven is.”
„Mevrouw van Groningen?”
„Ja! Maar ik was haar naam vergeten; daarom durfde ik haar niet aanspreken?”
„Zooveel te beter. Nu kan ik je het compliment van zooeven teruggeven!” lachte van Vleuten. „Ik denk dat het meer dan naief zou zijn, om kennissen uit Indië zoo maar aan te spreken, vooral op straat.”
„Waarom? Zij groette heel vriendelijk.”
„Kan zijn. Ik spreek in het algemeen trouwens. Je weet nooit onder welke omstandigheden de menschen zich hier bevinden, en dus ook niet of zoowel de een als de ander op het hervatten van de vroegere kennis gesteld zijn. Verbeeld je dat een oud-resident hier moet wonen, die winkelier in blikjes en inmaakgroenten geworden is.”
„Och kom!” deed zij ongeloovig. [25]