Onder een loodzwaren mistral was de „Prinses Marie” de haven van Marseille uitgevaren. Zelfs toen de boot nog aangemeerd lag, was het aan dek onaangenaam, en zooveel te meer toen zij buiten was, en zwaar werkte door de golven, waar het schuim, neergeslagen, in kralende streepjes afliep.
Reeds een heelen tijd was men in volle zee, eer van de passagiers zich iemand boven durfde vertoonen.
Gehuld in regenjassen, de kragen op, tegen de koude, die men niet meer verwacht had, stonden twee heeren tegen de verschansing, uit verveling de Indische gewoonte van zich voorstellen reeds nu aannemende.
Van Vleuten!
Becker!
En zoekend naar eenig onderwerp van discours, begonnen zij elkaar te ondervragen, en ten slotte mededeelingen te doen, die men onder andere omstandigheden bewaart tot meer intimiteit is ontstaan.
Zoo wist de een al heel spoedig van den ander, wat zij waren en met hun vrouwen de reis deden.
„Een dame!” riep Becker eensklaps uit, en van Vleuten, omziende, ontdekte Betsy, die geheel gekleed op slecht weer, in de ingang van de kajuit stond. [219]
Hij ijlde toe om haar verder te helpen, in de luwte van den rooksalon, waar Becker was blijven zitten.
Een korte voorstelling volgde.
„Ik ben naar boven gekomen, om je wat te vertellen, Jan,” zeide Betsy. „Weet je, wie hier aan boord is?”
„Nog niet.”
„Dat dochtertje van dien Wiechen. Waar ik je toen vertelde. Zou die nare vent er ook zijn?”
„Wat zeg je?” riep van Vleuten uit, onaangenaam verrast.
Becker stond op. Hij wilde iets formeels zeggen, doch dit beletten hem de wind en de beweging van het schip.
„Het meisje was een lief kind,” zeide Betsy. „Maar o, ik zou het zoo vervelend vinden, als die man.…”
„Stel u gerust, mevrouw,” zeide Becker. „Niemand zou het waarschijnlijk zoo vervelend vinden als ik. Het lieve kind.… is mijn vrouw.”
Betsy had een gloeiende kleur gekregen.
„Pardon, ik wist niet.…” stotterde zij.
„Wij hebben heel onplezierige ervaringen met meneer uw schoonvader opgedaan,” zeide van Vleuten, haar tehulp komend. „En.…”
„Dat hebben er meer,” lachte Becker. En toen weer ernstig wordend: „Als u eenigzins prijs erop stelt met mij in goede verstandhouding te blijven, zou ik u in overweging willen geven geen melding van dien man meer te maken. Meer zeg ik zelf er ook niet van. Maar mijn vrouwtje pijn te zien doen door anderen, zou ik.…”
„Allright!” riep van Vleuten. „En, Betsy, je praat er ook niet over met anderen, hè?”
„Ik denk er niet aan,” zeide Betsy verruimd.
„En ik ga eens naar beneden, zien hoe de zaken dáár staan,” zeide Becker, een aanloopje nemend om tegen de helling van het dek op te komen. [220]
„Je had je daar mooi verpraat,” zeide van Vleuten, toen hij weg was.
„Nu, ja,” meende Betsy. „Is het toch niet beter zóó? Nu hebben we ons even uitgesproken, en anders hadden we misschien de heele reis stijve gezichten tegen elkaar getrokken.—Wat een akelige wind is dat! Mijn lippen beginnen er van te springen.”
„Laat ons dan in de rookhut gaan,” stelde hij voor, „daar zitten altijd enkel een paar oude heeren.”
En zoo deden zij, terwijl van Vleuten bij het binnenkomen de oud-gasten verzocht rustig door te blijven rooken, en zelf een sigaar opstak.
Becker was inmiddels naar beneden gegaan, en vond Ella in de hut.
Het was een ruime tweepersoonshut, waarin een sofa, die desnoods voor een derde plaats kon worden ingericht.
Daarop had Ella, na haar bovenkleeding te hebben uitgetrokken zich neergevlijd.
„Hoe is het?” vroeg hij, haar met de eigenwijsheid van jonge echtgenooten kussend waar hij een bloot plekje zag.
„O, beter!” zeide zij. „Ik was al opgestaan en heelemaal aan de beweging gewoon, en wou juist eens gaan onderzoeken waar jij zat, toen ik.…”
„Toen je mevrouw van Vleuten zag,” viel hij in.
„Ja,” zeide zij verwonderd. „Kende je die?”
„Sinds daareven. Ik stond met haar man te praten, en zij kwam er bij, en vertelde precies, wat jij nu wou gaan vertellen.”
„En, wat heeft ze gezegd?”
„Nu,” zeide hij, zonder direct op haar vraag te antwoorden, „het zijn heele geschikte lui, maar ze willen over één ding niet praten. Net als wij. Over.… den Haag. Dat hebben we nu afgesproken. Dus, als je nu opstaan wilt, [221]kan je de kennis hernieuwen. Zij vindt jou heel lief.”
Ella was al opgesprongen, en trok de japon weer aan, die hij haar toereikte, waarbij zij zich naar den aard der jonge vrouwen onnoodig veel aan hem vastgreep.
„Verschrikkelijk, wat maakt dat schip een beweging,” merkte Ella op, onder het naar boven gaan. „Blijft dat nu den heelen tijd zoo?”
„Neen,” zeide hij, „soms is de zee heelemaal stil. Toen wij jaren geleden uit Indië kwamen, hebben we maar een dag of wat zulk slecht weer gehad.”
Zij waren de trap opgekomen.
„Mag ik mevrouw even helpen?”
Het was de eerste officier, die zonder antwoord af te wachten, Ella greep, en haar met een zetje naar de ingang van den rooksalon hielp.
Becker volgde, dankbaar. Want het was nog niet hetzelfde, of men zichzelf helpen kon aan boord van een zwaar werkend schip, dan wel nog daarbij een dame aan den arm te hebben hangen, die, naar den aard van haar geslacht, de loodlijn naar gelang van haar omgeving zoekt te bepalen, en daarom op een hellend vlak steeds uit het lood geraakt.
„Niet meegaan met de beweging, er tegen in leunen, mevrouw,” vermaande de eerste officier. „Ziet u wel, daar gaat het al beter. En als u alleen is, nooit uw handen loslaten, dan kunt u geen gevaar loopen.”
Lachend volgde Ella den gegeven raad, en zoo bereikte men de plaats waar van Vleuten en Betsy zaten.
„Kom maar gauw naast mij,” raadde Betsy. „Het went wel.”
De eerste officier bleef een oogenblikje praten. Maar toen hij zich verwijderd had, ontstond er onwillekeurig een stilte.
„Kom,” zeide van Vleuten, „zooveel menschen zoeken een aanleiding om hun eerste glas champagne aan boord [222]te drinken. Ik geloof, dat het ons niemand kwalijk zal nemen, als wij dit eens bij deze gelegenheid doen. Ik ga zien een hofmeester te vinden. Meneer Becker, helpt u mij de glazen dragen?”
De beide dames waren eenige oogenblikken alleen, daar de rookende oudgasten een luchtje waren gaan scheppen.
„Had je last van zeeziekte?” vroeg Betsy, de stilte brekend.
„Ik weet het niet,” zeide Ella. „Ik had het al enkele dagen vóór we aan boord kwamen.”
Betsy keek op, en zag Ella in de oogen, die zoo naief, zoo onbewust stonden. Met een plotselinge beweging trok zij haar naar zich toe, en kuste haar. Toen volgde een gefluister, terwijl Ella half angstig, half blij naar Betsy luisterde, en zij een voor haar doen ongewoon hooge kleur kreeg.
„Moet ik het Carel.… dat is mijn man, al zeggen?” vroeg zij.
„Wacht nog een weekje, tot je absolute zekerheid hebt,” raadde Betsy. „Anders kon er een teleurstelling zijn.”
De heeren kwamen terug, en hadden natuurlijk niets te dragen, daar de bevaren hofmeester dat minder raadzaam geacht had. De champagne werd ingeschonken.
„Op een gezellige reis,” zeide van Vleuten.
„Auf unser specielles,” fluisterde Ella Betsy toe, terwijl haar oogen glinsterden.
Van Vleuten en Becker verwonderden zich over den spoed, waarmee tusschen hun dames een goede verstandhouding bleek te zijn ontstaan, en verheugden zich er tevens in.
Ziezoo, dat was een waarborg tegen onaangenaamheden op reis. En verwonderlijk zooals vrouwen altijd in uitersten vervallen. Of gevecht op leven en dood, òf een intimiteit waar men eenvoudig van verbaasd staat! [223]
De eerste wist natuurlijk de oplossing reeds dien avond, maar de ander moest een goede week wachten, eer hem Ella haar hoop meedeelde.
„Foei,” zeide hij. „Moest je daar zoo lang mee wachten, om mij dat te vertellen?”
„Mevrouw van Vleuten dacht …”
„Met wie ben je getrouwd?” vroeg hij.
„Met jou natuurlijk. Hoe bedoel je dat?”
„Kijk eens liefste, dat bedoel ik zóó. Geheimen tusschen man en vrouw behooren er niet te zijn. En al mocht ons hart ons eens dringen iets tijdelijk voor elkaar geheim te houden, dan nog mag men het nooit aan een derde toevertrouwen. Voel je zelf niet, dat er in de laatste dagen tusschen ons iets geweest is, wat er niet had mogen zijn? Dat op zeker punt een ander je nader stond dan ik?”
„Ja,” erkende Ella, een traan wegpinkend. „Het was net of ik minder van je hield, en dat was toch niet waar.”
Carel keek heel ernstig. Eigenlijk wist bij zich uit de situatie niet heel goed te redden. De vermaning, die hij gedaan had, was geen oorspronkelijk werk. Eer hij trouwde had hij boekjes gelezen, hoe men met zijn vrouw of zijn.…. ja, van alles! om moest gaan. Hier dacht hem de gelegenheid gunstig, om de theorie in practijk te brengen. Maar, het was zonderling, tegenover de mooie oogjes, die zich met tranen vulden, wist hij niet wat te doen. Zij had moeten antwoorden, zooals in het boekje stond. Ja, hoe duivel was het ook weer?
Denn eben wo Gedanken fehlen.… juist, da, hm, de rest kon men cadeau krijgen. Een „Wort” had hij zooeven ook uitgesproken. Maar wat doe je nu, als dat ook niet helpt, en je lieve jonge vrouwtje tranen in haar oogen krijgt. Dat had Goethe erbij moeten zeggen!
Hij pakte Ella eens goed en gaf haar niet één, maar verscheiden [224]zoenen, en daar scheen zij volkomen genoegen mee te nemen.
Dus, wo die Worte fehlen, daar moet je zoenen.
Carel kon dat wel niet zoo mooi doen rijmen als Goethe, maar de philosophie was beter, en meer afgerond. Weg boekjes met raadgevingen!
Dat de raadgevingen op zichzelf nog zoo kwaad niet waren, mits goed en geput uit ervaring, zou hij even later bemerken.
Men was in Port-Said geweest, en het Suez-kanaal doorgevaren.
Geducht deed zich de warmte gelden, de lucht in zoodanig snelle trilling brengend, dat ze minder doorzichtig werd, en de beelden weerspiegelde.
En nu verdween het Europeesche régime, om voor het tropische plaats te maken. Dat wilde aan boord van een mailstoomer zeggen, dat de middagtafel gerechten bevatte, die sommigen voor een rijsttafel aanzagen, maar vooral dat Indisch négligé zijn intrede deed. Zoodra het Suez-kanaal was gepasseerd, mocht het in de namiddaguren en des avonds gedragen worden, ook aan dek.
De oudgasten maakten daarvan onverwijld gebruik, kennende het genot, dat de voor het klimaat aangewezen kleeding het menschelijk lichaam geeft, en aarzelend en zich vreemd erin gevoelend voor het eerst, werd het voorbeeld ook door de baren gevolgd.
Had Ella niet den goeden raad van Marie van Groningen ook op dit stuk gehad, maar haar uitzet laten maken bij een der vele zich daarvoor uitgevende specialiteiten, dan zou zij er waarschijnlijk even bespottelijk hebben uitgezien als een paar andere voor het eerst uitkomende dames, die met hun à la nachtjak getailleerde kabaja aan dek verschenen. [225]
Betsy was er over uit.
„Keurig!” riep zij. „Wie heeft dat zóó voor je besteld?… O ja, ik weet het al.… het is in orde, en het staat je lief.”
En met den vinger prikte zij Ella in de heup, op de grens waar de kabaja behoort te eindigen om niet te lang te zijn, en evenmin indecent kort.
„Je ziet er snoezig in uit,” herhaalde zij.
En daarin had zij gelijk. Want de Indische sarong en kabaja, die, slecht gemaakt, bespottelijk kleedt, en dan ook maar het best onder „nachtgoed” wordt gerangschikt, is een négligé, dat in hooge mate flatteert, als het goed gedragen wordt.
In Batavia scheidde men. Van Vleuten en Betsy om naar Soerabaja te gaan, waar de eerste zijn oude betrekking weer innam, Becker en Ella, om den zwerftocht te beginnen, waartoe jonge ambtenaren veroordeeld schijnen, en waaraan zelfs ouderen niet altijd ontkomen, en die niemand anders voordeel aanbrengt dan de stoomvaartmaatschappij en andere ondernemers van transportmiddelen.
Want dat is het verschil tusschen den particulier, die het welzijn van zijn zaken beoogt, en het Gouvernement, dat de eerste zijn employé’s bij voorkeur dáár plaatst of laat, waar zij met de omgeving bekend en vertrouwd zijn, terwijl het laatste zijn ambtenaren overplaatst, zoodra er gevaar dreigt dat zij in denzelfden toestand geraken.
En dit is maar goed ook, daar de ambtenaar anders zich te vast nestelen zou, en in zijn omgeving een invloed zou kunnen krijgen, die hem tot een staat in den staat zou kunnen maken, tenzij.… hij zijn meerdere kennis en invloed ten nutte van het Gouvernement aanwendde.
Doch dit veronderstelt het Gouvernement blijkbaar niet van zijn ambtenaren, de koopman wel van zijn employé’s. [226]
Van Vleuten werkte hard, zooals hij gewoon was geweest, en gaandeweg begon hij zich weer thuis te gevoelen in den goeden ouden Oost.
Zij hadden slechts enkele dagen in het hôtel doorgebracht, daar Betsy’s toestand spoed eischte, en nauwelijks waren zij dan ook ingericht, toen Betsy beviel, tot beider groote vreugd van een jongen.
Tijden tevoren hadden zij beraadslaagd welken naam zij hem of haar, al naar gelang het uitviel, zouden geven.
Van Vleuten had een heel rijtje opgesomd, allen geput uit het oude Testament, waarvoor hij een penchant scheen te hebben, maar Betsy had daarbij telkens een leelijk gezicht getrokken, als hij er een van voorstelde.
„Blijf me nu met je oude-Jodennamen thuis,” riep zij op zekeren dag, zich boos makend. „Waarom plaag je me toch zoo?”
„’t Is geen plagen,” zeide hij. „Eer een.… hoe zal ik het zeggen.… een soort dankbaarheid. Zonder in den Bijbel te hebben gelezen, zouden we dit geluk niet te wachten hebben.”
„Vraag dan Wiechen om peet te zijn,” zeide hij. „Die heeft je op het denkbeeld gebracht.”
„Nooit,” verklaarde hij plechtig. „Men zegt, dat kinderen soms het karakter overnemen van hen naar wie ze genoemd worden.…”
„Schei uit, Jan! Wees niet kinderachtig. Weet je, dan moeten we hem maar noemen naar zekeren lummel, van wien ik, al verdient hij het niet altijd, toch een beetje houd.”
„Hm,” deed hij, „maar dat is geen mooie naam.”
„Mooi of niet,” meende zij. „Hij is zoo gemakkelijk.”
„Omdat hij zoo kort is? Dat is geen bezwaar, daar alle lange namen toch worden afgekort.” [227]
„Ja maar.… Luister eens Jan. Herinner je je nog, dat je mij vroeg?”
„Flauwtjes.”
„Akelige vent! Ik had eigenlijk geen zin in je, zie je, en wou tegen je zeggen: Jan, ben je mal—neen hoor! Maar.…”
„Je zeide: Ja! Zonder aarzelen.”
„Niet waar. Ik zei: Jan.… en de rest kon ik niet zeggen, omdat je mij toen dadelijk beetpakte. En.… nu, toen was het ook goed.”
Hij lachte hartelijk.
„Dan maar Jan!” zeide hij. „Misschien krijgt hij daardoor ook zoo’n koopje. En als het een meisje is? Betsy, of voluit Elisabeth?”
„Neen, dat wil ik niet. Meisjes die naar de moeder heeten, hebben altijd een moeielijk leven.”
Hij haalde de schouders op.
„Rachel, Miriam.…”
Betsy stopte haar ooren dicht.
„Ben je klaar? Ik zal er nog eens over denken. Ik zie wel, dat ik het toch alleen moet doen.”
Doch het was niet noodig, want het was een jongen.
„Weet je aan wie ik dikwijls denk,” vroeg Betsy eenige weken later toen zij weer op mocht zitten. „Aan Ella Becker. Met haar moet het ook zoover zijn, dezer dagen.”
„O, ik heb een brief in mijn zak,” herinnerde hij zich.
„Daar loop je natuurlijk alweer den heelen dag mee rond,” merkte Betsy op.
„Van Becker,” zeide hij, de enveloppe openscheurend. „En een velletje voor jou erin. Wil je het hebben?”
„Zóó zeker?” vroeg zij, wijzend op den kleinen Jan, die aan zijn middagmaal bezig was. „Lees maar eerst jouw brief, en vertel mij wat.” [228]
„Zij zijn in Sindanglaut, residentie Cheribon,” zeide van Vleuten, na den brief te hebben gelezen. „Hij is contrôleur geworden, en heeft nu het bestuur over een krankzinnigengesticht gekregen.”
„Hè Jan, hoe flauw!”
„Heusch, hij schrijft het. De vorige contrôleur heeft dat zaakje zoo opgeknapt. Die had ontdekt, dat men door te planten in een ruitvorm, meer planten op eenzelfde oppervlakte grond kon zetten, dan bij den ouden quadraatvorm. En nu moest bij hem alles in de ruit gebeuren. Dat drukt een eigenaardig cachet op de geheele afdeeling. Alles ziet er scheef uit.”
„En verder?”
„Verder niets,” zeide van Vleuten. „De manie van dien vorigen contrôleur schijnt nogal invloed te hebben gehad, zoodat men zich in de buurt voor dien ruitvorm heeft ingespannen, en men daar nu niet alleen plant in dien vorm, maar, meenende dat het een soort tooverfiguur is, er voor allerlei gebruik van maakt. Het wordt een soort Godsdienst. Je weet toch wat een ruit is?”
„Zeker,” zeide Betsy, die inmiddels bezig was den kleinen Jan een schoonen luier aan te doen. „Zóó, niet waar?”
En zij wees op de slippen, die zich tusschen de beentjes van het kind vertoonden, klaar om opgespeld te worden.
„Als je het zoo doet, gaat het veel gemakkelijker,” zeide zij, „dan die vierkante manier. Ik krijg alles bij elkaar—zie zóó!—en met één speld vast.—Klaar, jongmensch. Baboe!”
Van Vleuten schaterde het uit.
„Ik zal morgen mijn oud foto-toestelletje eens voor den dag halen, als je bezig bent,” zeide hij. „We maken dan een kiekje van die ruit. Becker wordt gewoon dol!”
„Alles goed en wel,” zeide Betsy. „Maar hoe staat het nu met Ella? Schrijft hij daar niets van?” [229]
„Neen,” verklaarde van Vleuten, den brief omdraaiend.
„Geef mij mijn velletje eens,” zeide Betsy. „Jij met je ruiten!” vervolgde zij, na een paar regels te hebben gelezen. „Ze heeft een meisje; kranig, maar brutaal, om drie dagen na haar bevalling al een briefje aan mij te krabbelen. Ze weet er niets van, schrijft ze. Ze zou al opgestaan zijn, als de dokter, die heelemaal van Cheribon moet komen, niet verboden had het te doen zonder zijn verlof.”
„Dan heeft ze jou een beetje ingehaald,” zeide van Vleuten.
„Onzin,” bromde Betsy. „Maar wat heb je daar nog meer in je zak? Daar zit waarachtig nog een briefje!”
„Alles particulier,” lachte hij. „Op het kantoor steek ik die dingen bij me, om ze thuis op mijn gemak te lezen.—Van onzen Haagschen advocaat.—Drommels! Dat moet ik nog eens overlezen.…”
„Wel?” vroeg Betsy, nadat hij den brief gelezen had, en weer omgekeerd, alsof hij hem van buiten wou leeren.
„Toch een eerlijke vent!” ontsnapte hem.
„Wie dan?”
„Die Wiechen,” zeide hij. „Er is after all vijf en tachtig percent uit zijn boedel gekomen. Die zijn binnen. En nu biedt hij vijf procent extra, voor volledige kwijting, om te rehabiliteeren.”
„Dus steelt hij tien percent?” merkte Betsy op. „Bedoel je wat anders?”
„’t Is een handelszaak,” zeide hij. „Het kost hem geld aan zijn advocaat en de Rechtbank. Daarvoor rekent hij vijf procent voor elk. Dat gaat nogal. In elk geval is een accoord van negentig percent iets bijzonders. Ik stem toe, en zal dadelijk antwoorden. Telegrafisch, zooals gevraagd wordt. Op die manier hadden we niet weg hoeven te gaan.” [230]
„Heb je er spijt van?” vroeg zij.
„Eigenlijk gezegd, neen!” antwoordde hij. „We zitten hier prettiger dan in Holland. Kennissen zooveel als we willen, en lang zoo’n zenuwachtig leven niet.” [231]