„Binnen!”
„Morgen, Wiechen,” groette Arnolds met slepende stem, het kantoor binnentredend. „Ik heb een zaakje voor je. Heb je geld?”
„Jawel, voor een goede zaak altijd.”
„Twintig mille voor zes weken. Er zit goed wat op.”
„Waarvoor is het? Voor de paardjes?”
„Hm, een fameuse coup. ’n Tuyau van beste soort.”
„Zoo. Wie moet het hebben, en wie teekenen mee?”
„David Beenhuis. Op zijn handteekening alleen moet je ’t geven. Maar die is goed; daar sta ik voor in.”
„Ja,” zeide Wiechen, die een stuk papier en potlood genomen had. „Ga voort. Waar woont hij?”
„Parijs. Vroeger in Amsterdam. Je kunt overal naar zijn vader informeeren, waar hij van moet erven. Meermalen millionnair, en stokoud.”
„Pas dood was beter. Maar enfin, ik zal informeeren. Wanneer moet het er zijn?”
„Een dag of vier.”
„Nu, vanavond weet ik het. Kom je in Central?
„Ja, dat is goed. En.… ik moet twee mille hebben voor mijn moeite, denk erom.”
„Dan moet hij voor vijf en twintig accepteeren.” [26]
„Goed. Ik heb de blanco wissels bij me; je hebt maar in te vullen.”
„Dankje. Teekenen waar ik bij ben.”
„Onzin. Hij ontvangt zelf het geld. En ik ben Viehof niet, zou ik denken.”
„Als hij zelf komt, is het goed,” antwoordde Wiechen, zonder op de laatste woorden weerwerk te geven. „Zie eens of je Boom vinden kunt.”
„Dat is gemakkelijk genoeg. Tot twaalf uur in zijn bed. Ik zal hem bij je sturen. Dag Wiechen.”
„Bonjour,” zeide Wiechen, op een electrisch schelknopje drukkend, voor het uitlaten.
Toen hij de voordeur had hooren dichtvallen, belde hij nogmaals, waarop de bediende binnenkwam.
„Is er iemand?”
„Deze meneer,” antwoordde de bediende, een stukje papier op tafel leggend. „Hij was juist binnen toen u belde.”
„Goed,” zeide Wiechen, den naam lezende van van Vleuten. „Als ik bel, kan je meneer binnenlaten.”
Hij ging naar het telefoon-toestel, en had reeds de hand aan de kruk, toen hij zich plotseling bedacht, en terugkeerde naar zijn schrijftafel, waar hij op de bel drukte. Toen van Vleuten binnenkwam, was Wiechen bezig eenige papieren vóór hem terecht te leggen, alsof ze bijeen hoorden, quasi druk.
„Aha!” deed Wiechen, die zich in zijn kantoorstoel had omgedraaid. „Blij u te zien, meneer. Hoe vindt u dat ik hier zit?”
Hij was al sprekende opgestaan, en wees met de hand zijn kantoor rond.
„Ruim en gezellig,” zeide van Vleuten; „maar als die lessenaar en brandkast er niet stonden, zou men niet denken op een kantoor te zijn. Vooral die schilderijen.…” [27]
„Bekijkt u ze eens goed,” noodde Wiechen. En half fluisterend: „Ze zijn van een barones!”
„Zoo?” zeide van Vleuten, onplezierig aangedaan, door het parvenuachtige van den toon. „En nu onze zaken.”
„Alsublieft. Neemt u plaats.” En na de brandkast geopend te hebben, haalde hij er een dikke enveloppe uit. „Voor meer dan twee ton polissen!”
„Een heel bedrag,” vond van Vleuten. „Als ze wat lang geloopen hebben, krijgen ze waarde, anders beteekenen ze niet veel. De zoogenaamde contante waarde hangt af van de gestorte premieën.”
„Die worden geregeld door mij betaald.”
„Maar meneer.… de zaak gaat mij natuurlijk niet aan … doch als u de premie geregeld betaalt, houdt u er een soort levensverzekering op eigen houtje op na. Dat is alles.”
„Als er maar één dood gaat, krijg ik meer kapitaal dan ik betaald heb.”
„Dat zou toevallig zoo kunnen wezen, maar regel is het niet. U, die man van zaken is, zult begrijpen, dat de levensverzekeringmaatschappijen, om winst te maken, meer aan premieën en rente daarvan moeten ontvangen dan hun uitkeeringen bedragen. Dooreen genomen, betaalt dus het publiek meer dan het ontvangt.”
„Nu,” zeide Wiechen, op den toon van iemand wiens lievelingsdenkbeeld wordt afgekeurd; „nu, ik zou ze ongaarne afstaan. Maar kijkt u eens in deze portefeuille.”
En hij bladerde in de wissels en accepten, die zich daarin bevonden, zoodat van Vleuten de bedragen kon zien.
„Dat ziet er beter uit,” merkte deze op.
„Nietwaar? De eenige zorg is goede informatie te nemen omtrent de personen die teekenen. Want u begrijpt, de acceptant is zelden goed. Anders zou hij zulk duur geld niet nemen. De borgen, meneer, daar zit het hem in!” [28]
„Natuurlijk. En onder welk soort menschen zit uw geld voornamelijk?”
„Van allerlei. Het liefst heb ik menschen van naam en goede familie. Die betalen om hun fatsoen op te houden. En moet ik ze al eens in rechte vervolgen, dan maakt dat weer reclame, ziet u. Zoo heb ik laatst een jonkheer failliet laten verklaren.”
„Een schadepost dus?”
„Och, wat zal ik u zeggen. Hij had het geld duur; tien percent. Ik had het zelf tegen vijf percent moeten opnemen, om hem te helpen, maar natuurlijk gauw terugbetaald. En nu had hij al ruim anderhalf jaar rente betaald, dus was ik gedekt. Als het niet was geweest om de familie plezier te doen, zou ik een streep door de post gehaald hebben.”
„Een raar soort plezier! Of bedoelt u andersom?”
„Neen, werkelijk. Ik deed het op verzoek van een oom, die vond dat het jongemensch teveel verkwistte, en die hem nu hiermee onder een streng régime kreeg, terwijl hij tevens buiten staat was nog meer schulden te maken. Puur om van dienst te zijn; want ik wist vooruit, dat ik nauwelijks de kosten eruit zou krijgen. Ik zal u nu mijn boek eens laten zien, omdat u behoort te weten wie ik ben, en met wie ik zaken doe, als u mij uw geld toevertrouwt.”
Wiechen ontsloot een kastje in zijn bureau en haalde er een paar boeken uit, die hij op tafel legde. En de bladzijden omslaande, toonde hij zijn verbaasden bezoeker de namen zijner debiteuren, nu en dan met den vinger erop wijzende, als het een naam gold uit den adelstand, waarvoor hij blijkbaar groote voorliefde koesterde.
De stemming waarin van Vleuten door het waarschuwend woord zijner vrouw was gebracht, veranderde geheel. Toen hij binnenkwam, had hij het voornemen den „bankier” op [29]beleefde wijze voor zijn aanbod te bedanken, en er geen gebruik van te maken. Er was iets in die groote winst van geleend geld, dat hem stuitte. Doch, en vooral nadat hij in het crediteuren-boek ook gezien had, wie buiten de firma Karsten & Co. geld bij Wiechen geplaatst hadden, en daaronder ook particulieren van goeden naam, begon hij te redeneeren.
Als die allen het deden, en aan den anderen kant het nemen van geld tegen hooge rente onder de fatsoenlijke lui zoo algemeen was, waarom zou hij er zich buiten houden? Daarenboven, welk verschil was er eigenlijk in gelegen, of men waren van de hand zette met hooge winst, dan wel geld leende met nauwelijks zooveel winst? Waarom mocht men op een artikel als dameshoeden, in één seizoen van drie maanden, wel twee à driehonderd percent verdienen, en van geld in dienzelfden tijd geen vijftien percent? Wat deed iemand die aandeelen nam in een of andere onderneming, anders dan geld leenen aan zoo’n instelling, die toch—getuige de tabaksindustrie in Deli—niet zelden zestig tot honderd percent dividend uitkeerde?
„Ik zal mijn stukken morgen laten verkoopen, meneer Wiechen,” zeide hij als slotsom van zijn overwegingen, „en breng het kapitaal bij u.”
„Dat verkoopen is onnoodig,” meende Wiechen. „Het zou u maar weer provisie kosten aan Karsten & Co. Als u de effecten hier in deposito wilt geven, zal ik ze tegen beursnoteering overnemen en in uw credit boeken. Ik geef u dan een bewijs voor het bedrag, en, als u het goedvindt, zullen we van weerszijden het met zes maanden opzegbaar stellen. Hoeveel denkt u ongeveer dat het is?”
„Ik bracht bij Karsten & Co. rond vijftig mille. Maar dan kon ik u de stukken wel dadelijk brengen; na de koffie.” [30]
„Zooals u wilt. Tot straks dan. Dag meneer.… Wacht, ik zal u even uitlaten.”
Toen van Vleuten vertrokken was, ging Wiechen een oogenblik voor den spiegel staan. Op zijn voorhoofd vertoonde zich een roode vlek. Hij bette die met water uit een fonteintje in den hoek van de kamer, en eerst toen ze geheel verdwenen was, schelde hij.
„Juffrouw Bosch heeft twee kwartjes gebracht,” zeide de bediende, het geld neerleggend. „Ze zou morgen nog twee kwartjes brengen. En dan is meneer Boom in de wachtkamer.”
„Goed, laat binnen. En als juffrouw Bosch morgen niet komt, ga je er heen, en zeg dat ik haar man laat gijzelen, als het zoo door gaat. Ze moet geregeld elken maandag één vijftig brengen.—Dag Boom,” vervolgde hij toen deze binnenkwam. „Ga zitten. We moeten eens ernstig spreken. De zes maanden zijn straks om, en ik geloof dat je over mij niet te klagen hebt, wel?”
„Ik krijg nog vijf gulden van de vorige week, toen je …”
„Al wel, ik zal ze je geven. Maar hoe staat het nu met de machine? Ik betaal je geregeld elke week twintig gulden, zonder iets te zien, eenvoudig op goed vertrouwen. Het wordt tijd, dat ik voor mijn geld iets krijg.”
„En wou je dan voor die stomme twintig pop in de week, binnen zes maanden een half millioen hebben?” riep Boom verontwaardigd uit.
„Dat is de quaestie hier niet. Jij zat aan lager wal, en had noch geld om te leven, noch om je machine af te maken. Toen heb je mij gevraagd om je te helpen, en dat heb ik gedaan op je eerlijke gezicht af. Want van je machine heb ik geen verstand. Maar ons contract zegt, dat je in zes maanden het ding klaar moet hebben, en ik je daarvoor zou verstrekken driehonderd gulden voor gereedschap—die je [31]gehad hebt, zonder dat ik zelfs maar gezien heb of je er wel één stuk gereedschap voor gekocht hebt.…”
„Ik heb je toch een asje laten zien.…”
„Dat misschien één gulden gekost heeft, als je ’t al niet had. Doch dat is tot daaraantoe. Je hebt het geld gehad èn de twintig pop ’s weeks. Ik zal je niet op één dag dringen, maar wil een begin aan de zaak zien. En vertel me nu eens eerlijk: Vóór twaalven ben je niet op. Dan loop je wat rond, en gaat om vier uur naar de kroeg. Om acht uur heb je gegeten, en slentert wat achter de meisjes in de Spuistraat. Dan ga je weer naar de kroeg, en blijft biljarten of kaartspelen tot half één. Gesteld dat je dan niet meer naar een of andere nachtkroeg gaat, wat ook wel gebeurt, dan maak je mij niet wijs, dat je nog werkt. Vooral waar, zooals je zegt, de heele machine afhangt van een helder hoofd en een vaste hand.”
„Ik heb je toch stukken laten zien!”
„Jawel, maar wie waarborgt mij, dat het stukken van je machine zijn? Als ik eens een ingenieur bij je sturen kon.…”
„Dat kan niet, zooals je weet. Mijn denkbeeld is zóó eenvoudig, dat het geheim dadelijk zou verraden zijn. Maar, als het je niet bevalt, laat ons er dan maar mee uitscheiden.”
Wiechen zweeg, terwijl een vluchtig rood over zijn gelaat trok. De brutaliteit van den ander was hem te sterk. Die man had nu zoo veel geld van hem gehad, dat hij hem niet meer los kon laten, zonder tevens van zijn geld afscheid te nemen, en vooral de kans te verspelen op de groote winsten, die de uitvinding van Boom moest afwerpen. Doch aan den anderen kant zou Boom ook vastzitten, en zijn machine niet kunnen gereed maken. Of.…? En het koude zweet brak hem uit.… Zou soms de machine [32]klaar zijn, of zóó ver, dat een ander er geld voor gaf? En Boom nu van hem los willen, om de vijf ton, die hem bij contract waren toegezegd, in zijn eigen zak te houden? Het gold hier voorzichtig te zijn!
„Hoor eens, Boompje,” begon hij zoetsappig. „We moeten geen ruzie maken. Daar hebben jij noch ik belang bij. Ik wil alleen zien dat de zaak opschiet, anders niet. Dat stukje ijzer en die verroeste kachelsleutel geven mij er geen kijk op. Je kunt mij toch gerust eens laten zien wat je hebt. Als ik maar zie, dat het ergens op lijkt, ben ik tevreden. Ik ben toch geen deskundige, en zal je het geheim niet afkijken.”
„Ik heb je al eens meer gezegd, dat ik niets in elkaar laat, en de stukken op verschillende plaatsen bewaar, tot alles gereed is. Dan moet ik voor een paar dagen een rustig plekje hebben, dat kan ik afsluiten, en waar ik het geheel samenstel, en er een kist om timmer, zoodat niemand de werking kan zien. Als het zoover is, mag je kijken, en zullen we de machine een paar weken laten loopen. Nu—waar zijn de vijf pop?”
Wiechen haalde met een zucht twee rijksdaalders uit de brandkast en legde ze vóór Boom neer, die ze met een gemoedelijk knikje opstreek.
„Kom je vanmiddag in Central?” vroeg hij opstaande.
„Neen,” antwoordde Wiechen, „vanmiddag moet ik op Scheveningen zijn. Bonjour, je kent den weg.”
Toen Boom weg was, zat hij nog lang na te denken. Hij vond het een ergerlijk iets, geld te moeten geven zonder eenige zekerheid van winst, zonder zich zelfs maar te kunnen overtuigen, al was het gebrekkig, wat hij aan Boom had. Hij was door Arnolds met hem in kennis gekomen, en deze had hem van die wonderlijke uitvinding verteld. Een machine, die instede van telkens kosten te vragen voor [33]brandstof en onderhoud, geheel uit zichzelf bleef werken, na een belasting voor één keer met 1200 kilogram per paardenkracht, en met elken slag één vijfde van de gebruikte kracht overhield ter benuttiging. De aanschaffing was duurder dan die eener stoommachine; doch dat beteekende niets, daar zij later nagenoeg niets kostte. Enkel wat smeerolie.
Hijzelf had toen Boom voorstellen gedaan, waar deze in ’t eerst geen ooren naar had. Philantropisch aangelegd, wilde de uitvinder niet hebben, dat door zijn toedoen honderdduizenden van arbeiders broodeloos zouden worden; hij schreide half bij de gedachte, hoe zijn naam door het nageslacht vervloekt zou worden. Wiechen wilde dien vloek op zich nemen, zijn naam geven aan de uitvinding, en dusdoende den ander verlossen van den gevreesden vloek, de zegeningen samen deelende.
En die zouden niet gering zijn! Wel was volgens Boom de machine niet geschikt voor spoorwegen of stoombooten, daar zij, als gebaseerd op de aantrekkingskracht der aarde, zuiver horizontaal moest blijven staan, en haar lengte-as steeds in de richting naar de magnetische pool moest blijven, doch hoeveel omzet was er niet buiten die twee bedrijven. Ja, waar meer en meer electrische spoorwegen in zwang schenen te komen, kon voor deze het gebrek geheel verwaarloosd worden. Dus, behalve schepen, alles gedreven door de machine „systeem Wiechen!” Zijn naam zou beroemd worden, gezuiverd van de smet, die zijn bedrijf van thans erop geworpen had. Die malle Boom, met zijn vloek van het nageslacht! Rijkdom en eer zouden zijn deel zijn. Of had ooit iemand door een uitvinding de wereld verarmd? Trouwens, dat raakte hem niet, al mocht het later blijken. De menschen konden hem precies even weinig schelen, als hij de menschen. [34]
Er werd geklopt. Het was van Vleuten. En ontwakende uit zijn droomerij, dwong hij zich tot de meer nabijliggende bezigheid van het nazien der effecten, die de bezoeker hem bracht. Misschien was het daaraan voorafgegane wel goed; want hij, die straks millardair zou zijn, beschouwde het sommetje hem nu toevertrouwd, niet meer met dezelfde oogen als gister en eergister, al was het voorloopig welkom.
Men had de waarde der effecten spoedig genoteerd en de contracten geschreven.
„De overeengekomen rente staat er niet in,” merkte van Vleuten op, eer hij teekende.
„Dat doe ik nooit,” zeide Wiechen. „Op dat punt moeten we elkaar vertrouwen. U begrijpt, dat nooit iemand mag weten, welke hooge rente ik u betalen kan. Het publiek is te dom om dat te vatten. En voor u zou het ook niet plezierig zijn.”
„Ik ben niet voornemens onze relatie in de courant te zetten. U wel?”
„Neen, zeker niet! Maar we zijn beiden sterfelijk; en als anderen eens in onze nalatenschap neusden, zou dit voor dan overlevende niet prettig zijn.”
„Daar is iets van aan,” erkende van Vleuten. „Vooruit dan maar. Dus ik ontvang den eersten van elke maand de rente.… laat eens kijken.… negenhonderd zes en negentig gulden.”
„Den eersten niet. Tusschen den eersten en den vijfden laat ik innen. Dus tusschen den vijfden en den tienden kunt u beschikken. Ik zal u een model-quitantie geven. Ziehier. U ziet, ook hierop is het woord rente uitgelaten.”
„Dank u.”
Van Vleuten stak de quitantie in zijn portefeuille, en vertrok.
Wiechen liep snel naar zijn bureau, nam er een stuk [35]wasdoek uit, en sloeg dat om de effecten, het pak met een riempje bevestigend. Reeds had hij den hoed gegrepen, om uit te gaan, toen een herhaald zacht tikken op het vloerzeil hem op den grond deed zien. Vier of vijf roode bloeddruppels lagen vlak vóór zijn voeten, en werden door meer gevolgd. Hij liet den hoed los, slingerde het pak op zijn bureau, en bracht zijn zakdoek aan den neus. Hij belde.
De bediende keek even, knikte en spoedde zich weg, om terug te komen met een paar schoone zakdoeken.
„U moest daar toch eens met een dokter over spreken,” meende de man, toen de bloeding minder werd.
„Onzin,” bromde Wiechen. „Ik heb vandaag belangrijke zaken gedaan. Dan is het altijd zoo. Hier, pak aan! ’t Is al over. Niemand achter?”
„Neen, meneer. Maar straks moet die timmerman komen.”
„Jawel; ik zal de quitantie achterlaten. Als hij er geweest is, sluit je het kantoor. Ik kom vóór den eten niet terug. Zorg om half acht hier te zijn.”
Het pak effecten weer opnemende, verliet Wiechen zijn kantoor en sprong op zijn rijwiel. Gaandeweg echter verminderde hij vaart, om bij het tramhuisje op het Plein stil te blijven staan, quasi wachtende op iemand die met de tram moest komen. Doch inderdaad was het om na te denken.
Met Karsten & Co., waarheen hij op weg was, deed hij zaken, en het leed geen twijfel, of die firma zou hem onmiddellijk van de effecten afhelpen, hetzij door verkoop, hetzij door prolongatie. Doch in den laatsten tijd was er in de verhouding een zekere spanning gekomen. Inderdaad, al was het niet met zooveel woorden gezegd, scheen de firma geneigd de relatie te laten afloopen, althans in te krimpen. En mocht hij hierin al mis zien, er was iets anders, waar [36]hij in ’t eerst niet aan gedacht had. De effecten die hij had, waren door Karsten & Co. voor van Vleuten aangekocht! Dat ging niet, dat hij er nu mee aankwam.
Snel besloten sprong hij weer op de fiets en reed er in andere richting mee weg.
„Zoo, Wiechen, weet je al wat?” vroeg Arnolds dien avond, toen hij in Central binnenkwam.
„Is Beenhuis in de stad?” informeerde Wiechen.
„Ja, hij komt zoo dadelijk … daar heb je ’m al! Kan je het doen?”
„Jawel.”
Een reeds grijzende blonde man, van onmiskenbaar Joodsch type, naderde hun tafeltje. Arnolds stelde hem en Wiechen aan elkaar voor.
„Drinken de heeren een glas champagne mee?” noodigde Beenhuis; en toen die uitgezocht was en besteld, ging hij voort: „Arnolds heeft u over dat zaakje gesproken. Gaat het?”
„Och ja,” antwoordde Wiechen. En het accent van den ander imiteerende: „Het sjaakje gaat, maar het geld is duur.”
„Wat noemt u duur? Of liever, zegt u maar ineens hoeveel u hebben moet.”
„Vijf en twintig.”
Beenhuis toonde geen verrassing. Hij haalde een notitieboekje uit den zak, en cijferde er eenige oogenblikken in.
„’t Is goed,” zeide hij toen. „Morgen vóór twaalven?”
„Onnoodig, ik heb het bij mij.”
Het gelaat van Beenhuis bleef onbewogen, doch dat van Arnolds glom van bewondering.
„Fameus, fameus!” mompelde hij, de wissels te voorschijn halende, en die op het tafeltje neerleggende.
Beenhuis nam ze tot zich, en toen men het eens was [37]over de bedragen, die, om den schijn van reëelen handel eraan te geven, over gebroken getallen liepen, zette hij zich tot invullen der formulieren.
„Zullen wij ze, voor uw gemak, maar domiciliëeren op uw kantoor?” vroeg hij.
„Och neen,” zeide Wiechen. „Dat lijkt zoo bijzonder. Uw eigen adres te Parijs, als u het goedvindt.”
„’t Is in orde,” zeide Beenhuis, de wissels naar Wiechen toeschuivend. „Wilt u even nazien?”
Wiechen nam de wissels, en een blanco quitantie uit zijn zak halend, legde hij die naast de wissels, en ging zitten invullen.
„Waartoe dient dat?” vroeg Beenhuis, toen hij de quitantie had doorgeloopen. „Ik heb toch de wissels geaccepteerd, waarin reeds kwijting gelegen is.”
„Dat dacht ik vroeger ook,” expliceerde Wiechen; „maar onze rechters denken er sedert kort anders over. ’t Is een quaestie van formeel of notarieel.…”
„Materieel,” verbeterde Arnolds.
„Voor mijn part. Maar men moet tegenwoordig kunnen bewijzen, dat men het geld werkelijk gegeven heeft. Daarom vraag ik naast de wissels een quitantie.”
„Die evenveel of even weinig bewijst,” lachte Beenhuis. „Enfin, ’t is omslachtig, maar ik heb er geen bezwaar tegen. Ziehier.”
Wiechen telde nu twintigduizend gulden aan bankpapier uit, die Beenhuis opstreek, terwijl de ander de wissels bergde.
Arnolds, die de handen op zijn knieën hield, onder tafel, voelde bijna tegelijkertijd een duwtje tegen elke hand, en greep de papiertjes, hem van weerszijden toegestoken, ze haastig in zijn zak moffelende.
Een nieuwe flesch champagne, nu door Wiechen aangeboden, besproeide de transactie. [38]
Toon Beenhuis was heengegaan, haalde Arnolds het hem door Wiechen toegestopte bankpapier voor den dag.
„Tweehonderd pop? Ben je bedonderd?”
„Welnu?” vroeg Wiechen, doodkalm.
„Twee mille moet ik hebben, of.…”
„Bedaar, alsjeblieft. Je kunt nog wel wat krijgen, maar nu niet. Als je met teveel geld naar Woestduin of Forest gaat, is het toch in één keer op.”
„Al was dat zoo, wat gaat het jou aan?”
„Omdat je mij telkens om niets vervelen komt. Sputter nu maar niet; daar geef ik toch geen zier om. Hoeveel heb je van Beenhuis gekregen?”
„Geen bliksem.”
„Dat lieg je. En nu, bonjour! ’t Is mijn tijd.”
„Verrek!” mompelde Arnolds, zijn vuist ballende achter den rug van den vertrekkende.
Toen grabbelde hij met de hand in zijn andere zak, en bekeek hetgeen Beenhuis hem gegeven had. Vijf en zeventig gulden! Hij vloekte. [39]