[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Het was een drukke dag aan het strand te Scheveningen. Met moeite hadden van Vleuten en Betsy een paar stoelen gekregen, waarin zij waren neergestreken in die beginnende loomheid, die de zeelucht veroorzaakt bij hen die er niet dagelijks in verblijven.

„Wat zijn we lui,” merkte Betsy op, een geeuw verbergend.

„Ja,” erkende hij. „En ik vooral. Dat nietsdoen, dat me eerst zoo aangenaam leek, begint me hartelijk te vervelen. Maar hoe ik zoek, werk schijnt hier moeielijk te vinden. Als we eens gingen reizen?”

„Reizen kost geld. En je weet wat je mij beloofd hebt, Jan.”

„Nu ja.…,” begon hij, doch zweeg toen zij hem ernstig aankeek.

De belofte waarop zij zinspeelde, was gegeven enkele dagen nadat hij zijn geld bij Wiechen gebracht had. Toen hij haar verteld had, hoe prachtig hij dat had belegd, en zij nu royaal konden leven. Eerst was zij met hem blij geweest, maar eens, toen zij Wiechen had gezien, had haar een onverklaarbare angst bekropen. Zij had toen buiten haar man om geinformeerd, en men had haar allerlei verschrikkelijks van dien zoogenaamden bankier verteld. Hij was een woekeraar van de allerergste soort, klein begonnen, [40]met weekklantjes, die hij tien, twintig gulden leende, en hem daarvoor elken Zaterdag één, twee gulden rente moesten betalen. Langzamerhand was hij grooter zaken gaan doen, doch eigenlijk gezegd fortuin kende men hem niet toe. Hij leende van den een, om het tegen hooger rente aan den ander uit te leenen.

Van Vleuten had haar gesust. De werkkring van een bankier was nu eenmaal zoo. Hij was de tusschenpersoon in den geldhandel. Zijn verdiensten waren de belooning voor zijn werk. Weliswaar begreep hij ook niet goed, hoe men in Holland zulk een enorme rente kon opbrengen, maar dat het niets bijzonders was, bleek uit de relatie tusschen dien Wiechen en Karsten & Co. Deze firma was toch een der eersten in den Haag, die zich niet zou afgeven met iemand van twijfelachtig allooi.

Dit argument deed Betsy zwijgen, maar zij dacht aan de practijken, waar zij in Indië wel eens van gehoord had. Hoe zelfs vrouwen van hooge ambtenaren kleine bedragen uitleenden aan dos-à-dos koetsiers, aan klontongs enzoovoort, óók tegen hooge rente, een dubbeltje per gulden, ’s ochtends gehaald, ’s avonds terug te betalen. Maar dat er dan op gerekend werd, dat het kapitaal verloren was op den duur, immers ten slotte de leener in gebreke bleef.

En toen had zij Jan de belofte afgedwongen, dat zij eenvoudig zouden blijven leven, en van de maandelijksche rente een nieuw kapitaaltje vormen, voor geval van nood. Hij had toegegeven, doch zich niet al te veel willen bekrimpen, totdat zij met heen en weer praten besloten hadden zeshonderd gulden per maand onaangeroerd te laten, en zoodanig te beleggen, dat er van gevaar ze te verliezen geen sprake was.

Had dit zijn voordeel in het vooruitzicht van een toekomst zonder zorg, nadeel was een zekere eentonigheid [41]in hun leven, zoolang van Vleuten geen bezigheden had.

„Gauw Jan, kijk eens!”

Hij volgde de richting van haar parasol, waarmee zij tusschen de stoelen door wees, en zag Wiechen, naast een dame wandelend, in druk gesprek.

„Wat zou dat?” vroeg hij. „O, nu begrijp ik je. Mevrouw van Groningen! Hoe komen die twee bij elkaar?”

„Verschrikkelijk, Jan; je moet haar waarschuwen.”

„Voor wat?” vroeg hij.

„Ik weet het niet,” zeide zij droevig, terugleunend in haar stoel. „Maar het is zoo.… zoo.… kassian.”

Hij tuurde het zich verwijderende paar na, en gevoelde wat Betsy noch hij in woorden wisten weer te geven. Er was iets ongepasts in het samenzijn van dat jonge gedistingueerde weeuwtje met dien man, iets compromitteerends, dat hij in het oog scheen te willen doen vallen door zijn houding en gebaren. En als dat zijn doel was, dan gelukte het volkomen. Men zag, overal waar zij passeerden, de menschen opkijken, soms elkaar iets vragend en fluisterend beantwoordend, dan weer door blik of houding toonend wat zij er van dachten. Wiechen was blijkbaar een bekende persoonlijkheid in den Haag.

„Ik wil eens probeeren haar hierheen te krijgen,” zeide hij opstaande.

„Doe dat, Jan; maar zonder hèm. Ik wil geen kennis met dien vent maken.”

„Geen nood,” lachte hij, voortijlend.

Handig schoot hij tusschen de stoelen door, nu en dan springend over vijvertjes en bergjes, door kinderhand gevormd, tot hij het langzaam wandelend paar vóór was.… Toen wendde hij zich om, hen quasi ongezocht tegemoet loopend. Wiechen zag hem, en hoewel met een dame wandelend, groette hij het eerst. Van Vleuten lichtte even zijn hoed, [42]en bleef toen als verrast voor de jonge weduwe staan, die hem nu ook herkende.

„Mevrouw,” zeide hij, „ik heb de opdracht u te ontvoeren, en direct bij mijn vrouw te brengen. Meneer Wiechen, tot ziens.”

Het lukte. Eer Wiechen tijd had had zich te bezinnen, had mevrouw van Groningen hem met een koele neiging zijn afscheid gegeven en was met van Vleuten meegegaan. Wiechen zag, of meende te zien, hoe de gezichten in zijn onmiddellijke omgeving spotachtig grijnsden. Woedend liep hij weg.

„Om u de waarheid te zeggen, ben ik heel blij, dat u mij weghaalde,” zeide de jonge weduwe. „Maar ik was alleen, en wist niet hoe dien man kwijt te raken. Hij is mij, toen ik pas hier kwam, een oogenblik van dienst geweest, op aanbeveling van een kennis.”

De beide dames begroetten elkaar hartelijk. Van Vleuten stond zijn stoel af aan mevrouw Van Groningen, en verklaarde een eindje te willen oploopen langs het strand.

Nauwelijks was hij uit de stoelenrijen, of iemand schoot op hem af. Het was Boom, gekleed in een keurig grijs pakje, een Panama-hoed op het hoofd.

„Dag meneer Van Vleuten. U heeft daareven een goed werk gedaan.”

„Hoe bedoelt u dat?” vroeg de aangesprokene eenigzins koel.

„Zag u niet hoe iedereen er pret in had? U heeft, wil ik hopen, de reputatie van een fatsoenlijke dame gered. Men heeft nu begrepen, dat zij er argeloos was ingevlogen. Maar anders … De vrouw, die zich in het publiek met Wiechen zien laat, is reddeloos gecompromitteerd. Dat is toch duidelijk.”

Van Vleuten keek den ander gespannen aan.

„Weet u dan niet wie Wiechen is?” vroeg Boom verwonderd. „En waarmee hij zijn geld verdiend heeft?” [43]

„Ik hoorde er zooiets van, juist een paar dagen geleden. Met geld uitzetten tegen hooge rente. Maar dat schijnt hier niet zoo erg te zijn.”

„Hm, ja. Neen, dat is het ook niet. Maar ik wil niemand benadeelen, al heeft hij het ook niet aan mij verdiend. Als u wat langer hier in den Haag is, zult u het vanzelf wel hooren, zonder dat juist ik het u zeg.”

„Ik dacht dat u een vriend van hem was?”

„Dat minder. Hij helpt mij uit eigenbelang, omdat hij zeker is een half millioen aan mij te zullen verdienen.”

„Met die machine, waarover u laatst sprak?”

„Juist, meneer.”

En Boom begon te redeneeren over zijn uitvinding, met zooveel vuur en overtuiging, dat van Vleuten onwillekeurig meegesleept werd. Als hij dien man eens hielp! Hij scheen zeker van zijn zaak …

„Heeft u veel noodig om er mee klaar te komen?” vroeg hij.

„Met tweeduizend gulden ben ik geheel geholpen,” verklaarde Boom.

„Daar is wel aankomen aan,” meende Van Vleuten. „Alleen, men zou zekerheid moeten hebben. Niet dat ik aan uw kunde twijfel, doch.… u is geen vakman, immers?”

„Vakman!” smaalde Boom. „Wanneer heeft ooit een vakman iets uitgevonden? Die menschen zitten teveel in hetgeen zij geleerd hebben en dagelijks doen vastgeroest, om op te letten. Weet u, hoe ik op het denkbeeld van mijn machine gekomen ben?”

„Door een toeval misschien, zooals gewoonlijk.”

„Neen, door het zien van iets, wat we dagelijks zien. Vlak tegenover ons huis was een weg, schuin oploopend naar den spoorwegdijk. Een jongen reed er een handkar [44]tegenop, met een koffer, dien alleen hij niet had kunnen dragen. Hoe verklaart u dat?”

„Ik ben geen technicus, meneer Boom,” zeide van Vleuten. „Doch ik herinner mij wel op school iets over hefboomen geleerd te hebben. Is uw machine daarop gebaseerd?”

„Gedeeltelijk. Dáárop, op de slingerbeweging, en op de aantrekkingskracht der aarde. En eindelijk op nog een kracht, die ik niet noemen kan, maar die bestaat. Ik zeide u reeds, dat ik geen vakman was; ik weet niet of anderen die kracht kennen. Alleen weet ik, dat zij tot nog toe onbenut bleef, altijd in technischen zin. Want we zien haar in alles voorkomen.”

„Dan zou het mij verwonderen, als de technici haar niet kenden, en, als zij inderdaad zoo belangrijk is als u vermoedt …”

„Meer dan vermoeden, meneer! Ik heb haar toegepast, zien werken. De machine is vroeger reeds door mij gemaakt. Ik had in mijn tuin een werkplaatsje voor mezelf, en daar had ik haar in stilte samengesteld. Toen zij werkte, liep ik in mijn vreugde den tuin door, naar mijn moeder, die in de verandah van ons huis zat, haar al van ver roepend om te komen. Zij kwam, mede opgewonden, want zij wist waaraan ik bezig was. Zij alleen. Toen we samen bij het tuinhuisje kwamen, lagen de stukken en brokken van mijn machine in het rond verspreid. Ik begreep er eerst niets van, maar gaandeweg zag ik mijn fout in. Mijn machine is geen zoogenaamd perpetuum mobile, het is een krachtwerktuig, en ik had verzuimd haar te belasten, werk te laten verrichten. Daardoor zamelde de niet verbruikte kracht zich op in de machine, en sloeg zij zichzelf aan stukken.”

„Verbazend!” riep van Vleuten uit. „En heeft u haar toen niet opnieuw gemaakt?” [45]

„De omstandigheden hebben mij dat belet,” antwoordde Boom. „U weet dat ik failliet ben?”

„Neen …”

„Failliet, met ruim een millioen schuld!”

Boom zeide dit met iets als trots in zijn stem, wat van Vleuten mishaagde. Zoo verhoovaardigt zich de inbreker erop, meer te hebben gestolen dan tien zijner makkers te samen.

„Failliet,” ging Boom voort. „Ik was een en twintig jaar, en werd van alle kanten bestolen en bedrogen. Sedert is mijn streven geweest zooveel te verdienen, dat ik ieder het zijne kan teruggeven. De eenige weg daartoe is, dat ik mijn machine maak. Niet primitief, zooals toen, maar goed afgewerkt in model, zoodat ik haar vertoonen kan. Wiechen zou mij daarin helpen; doch ik doorzie hem! Hij wil mijn constructie in handen zien te krijgen en alleen de vruchten plukken. En dat nooit. Daarom zeg ik: al zou het tien, twintig jaren duren, éénmaal zal ik genoeg bijeen hebben om haar zelf af te maken. Maar er iemand van op de hoogte te brengen, nooit!”

Het was verwonderlijk, dacht van Vleuten; men wist niet wat men aan dien man had. In het eene oogenblik maakte hij een ongunstigen, dan weer een gunstigen indruk.

„Mag ik eens een paar dagen nadenken, over hetgeen u mij gezegd heeft?” vroeg hij. „Als u mij uw adres wilt geven, zal ik mijn besluit persoonlijk komen meedeelen.”

Boom gaf hem een visitekaartje, na daarop met potlood het verlangde te hebben geschreven, waarna van Vleuten, ziende dat zijn vrouw hem een wenk gaf, zich excuseerde.

Gedurende zijn rondslenteren met Boom, hadden de dames elkaar hun lotgevallen sedert hun ontmoeting te Soerabaja zitten te vertellen. Inmiddels tot grootere intimiteit dan toen geraakt, hadden zij afgesproken elkaar te [46]bezoeken, en al dadelijk bij den naam te noemen.

Was Betsy’s levensloop zonder groote schokken voorbijgegaan, niet alzoo die harer vriendin, Marie van Groningen. Kort na haar terugkomst in het moederland, was zij bevallen, en gedurende den tijd dat zij in het kraambed lag, was haar moeder gestorven. Haar vader was door dien slag geknakt, en zou zich in het ambtelooze leven hebben teruggetrokken, ware hem niet de onderscheiding eener benoeming tot Vice-President van den Hoogen Raad ten deel gevallen. Hopende, dat een nieuwe omgeving, een nieuwe werkkring hem de oude geestkracht zouden teruggeven, waren zij naar den Haag verhuisd. Doch het nieuwe ambt had hij nimmer aanvaard. Een week vóór zijn installatie was hij door een beroerte getroffen en kort daarop overleden.

„Wat een treurigheid,” zeide Betsy geroerd.

Het was in dien tijd geweest, dat zij in aanraking was gekomen met den „bankier”. De dokter die haar vader had behandeld, Arnolds heette hij, had hem bij haar gebracht, ter regeling harer financieele belangen. Maar op zekeren dag had oom Slot—Betsy herinnerde zich hem misschien nog van Soerabaja—hem in de gang ontmoet, en haar gevraagd wie dat was. Oom vroeg haar den volgenden dag om een stukje te teekenen, wat zij deed, en vertelde haar toen, dat die man niet te vertrouwen was, en hij zelf voor haar zou zorgen. Tot nu kort geleden hoorde noch zag zij iets van dien man. Vóór een week of drie was zij hem op het strand tegengekomen; hij had haar een paar maal gegroet, en eindelijk aangesproken. Zeer bescheiden had hij aan het gebeurde herinnerd, zijn spijt uitgesproken, dat hij niet voor haar belangen had mogen zorgen, en gehoopt dat die in goede handen waren. Af en toe had hij haar geheel belangeloos goeden raad gegeven. Zij meende hem verongelijkt te hebben, en had in dien zin iets gezegd; doch hij [47]wilde daar niets van weten, beschouwde die zaak als afgedaan, als een streek van een of anderen concurrent, die haar niet geweten mocht worden. Zoo ontmoette zij hem bijna elken dag aan het strand; als zij haar kindje eens meenam, speelde hij er haast opofferend mee. Maar gister was tante Slot bij haar geweest, had haar onderhouden over het ongepaste van haar gedrag, om zich zoo druk met hem te vertoonen, en had haar bovendien iets vreeselijks verteld … Vandaag was het haar opgevallen hoe de menschen haar hadden aangekeken, en zij begon dat vreeselijke te gelooven, dat zij Betsy, na lang aarzelen, slechts durfde influisteren.…

„Daarom was ik zoo blij, dat je man mij weghaalde,” besloot zij. „Maar ik durf nu niet meer naar het strand te gaan, zonder oom en tante. En die gaan zoo zelden!”

„Sluit je gerust bij ons aan,” zeide Betsy. „Ik zal hem wel afbijten. O, je weet niet hoe snibbig ik kan zijn!—Kijk eens, mijn man heeft een nieuwen kennis gemaakt. Zoo op het eerste gezicht, een net mensch.”

„Inderdaad,” beaamde Marie. „Hark hen eens hierheen.”

Betsy had toen de wenk gegeven, doch tot groote teleurstelling der dames kwam van Vleuten alleen.

„Waarom liet je je nieuwen vriend schieten?” riep Betsy. „Marie wou zoo graag zijn kennis maken.”

„Foei, ’t is niet waar!” zeide deze.

„Ik kan toch zoo maar niet iedereen bij je brengen,” opperde van Vleuten. „Een vriend is trouwens wel wat veel gezegd. Ik zag hem heden voor de tweede maal. De eerste keer was het in gezelschap van Wiechen.”

De gezichten betrokken. Het was merkwaardig, hoe de naam van dien man alles en iedereen die met hem in aanraking kwam, bezoedelde. [48]