[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Aux Mathurins!

„Jawel, maar we gaan mee.”

Het portier van den fiacre loslatend, wendde zich Beenhuis om, en zag bij het licht dat Maxim uitstraalde, de figuren van Arnolds en Wiechen. Eén ondeelbaar oogenblik scheen hij zich te bezinnen.

„Stapt in, heeren,” zeide hij toen. „Onderweg praten we even.”

De pneu Michelet dempte het geratel der wielen, zoodat men ongehinderd kon spreken.

„Hebt u de wissels bij u?” vroeg Beenhuis, en op bevestigend antwoord van Wiechen, vervolgde hij: „Ze hadden vandaag moeten zijn aangeboden; maar dat doet er niet toe.—Waar logeeren de heeren?”

„In ’Des’ Pays-Bas,” zeide Wiechen.

„Hm,” deed Beenhuis, even glimlachend om de zonderlinge aanduiding. „We zullen de zaak morgen samen regelen. Laat eens zien.… tegen half één wacht ik de heeren in den cour van Grand Hôtel. Ik moet daar iemand spreken. We gaan dan eerst déjeuneeren.”

„Brengt u geld mee?” vroeg Wiechen.

„Ik denk wel. Maar we zijn dicht bij de Mathurins. De heeren nemen den fiacre zeker verder door?” [49]

„Het zal wel moeten. Maar hij zal iets moeten afdoen.—Kom nu, we hebben precies een half uur den tijd. Hoever is het?”

„Niet ver. Maar we kunnen zachtjes aan opwandelen,” stelde Arnolds voor.

Het déjeuner duurde lang. Beenhuis was van nature gul, en presenteerde de anderen het beste dat men krijgen kon. Maar ook Wiechen, anders vrij zuinig, had een royale bui, zoodat het vrij laat in den middag werd, eer men van tafel opstond. En tusschen de bedrijven door, waren de zaken behandeld. Een paar duizend francs had Wiechen in contanten ontvangen; voor het overige waren nieuwe wissels geteekend, nadat het totaalbedrag verhoogd was met de rente, in deze tien percent ’s maands.

„Zeg, Beenhuis,” vroeg Arnolds opeens, „waar dineer je vanmiddag?

„Ik heb nog geen plan. Misschien thuis.”

„Kan je ons niet in je cercle meenemen?”

„Onmogelijk. De introductie is zeer beperkt geworden, omdat er misbruik van gemaakt werd. In geen geval zou ik meer dan één kunnen meenemen. Hé!”

Aanleiding tot dien uitroep was het binnenkomen in den restaurant van een klein zwart mannetje, die zijn oogen zoekend liet rondgaan. Beenhuis excuseerde zich, en liep op hem toe, waarna beiden in een kort, doch blijkbaar ernstig gesprek gewikkeld bleven.

„Ik moet de heeren verlaten,” zeide Beenhuis terugkomend. „Het spijt mij zeer, maar ik dien onmiddellijk naar Brussel te gaan. Hm,” deed hij, zijn horloge raadplegend, „ik heb nauwelijks tijd om wat in te pakken.”

Hij riep den bediende, om af te rekenen; doch Wiechen legde de hand op zijn arm.

„Laat zitten,” zeide hij. „Ik zal het wel in orde maken.” [50]

Toen Beenhuis vertrokken was, wreef zich Wiechen behagelijk in de handen.

„Nu gauw opgekrast,” zeide hij. „Eerst naar het hôtel, en de rekening betaald. Dan zijn we vrij.”

„Wou je vanavond al terug?” vroeg Arnolds, toen zij in het hôtel waren aangekomen en Wiechen van den portier een zak met stukken in ontvangst nam. „Wat heb je daar?”

Wiechen stak de stukken bij zich, zonder dadelijk te antwoorden. Opeens vloog een uitdrukking van begrijpen over het smalle gezicht van Arnolds.

„De protesten!” riep hij uit. „Dus heb je de oude wissels óók?”

„Sst!” deed Wiechen, den riem van zijn valies dichthalend.

„Al goed,” meende Arnolds, „maar nu reclameer ik ook mijn portie.”

„Zoodra we thuis zijn zal ik je wat geven. Je begrijpt dat wissels nog geen geld zijn, en ik er nog best een strop aan kan hebben.”

„Hiermee niet. Maar dat is niet de quaestie. Er zijn morgen rennen te Auteuil, en daar wou ik heengaan.”

Wiechen dacht even na. Hij vertrouwde Arnolds niet. Hem alleen achter te laten, waar Beenhuis nog te Parijs was, in elk geval thuiskomende van de protesten had kunnen hooren, achtte hij gevaarlijk.

„Laat ons morgen samen naar die rennen gaan,” besloot hij. „Ik wil enkel uit dit hôtel weg.”

Den volgenden dag gingen Wiechen en Arnolds naar Auteuil.

„Zullen we wat spelen?” vroeg Wiechen.

„Natuurlijk,” zeide Arnolds. „Waarvoor zijn we anders hier?” En na het programma te hebben doorgezien: „Geef me nu maar eens een honderd francs, om mee te beginnen.”

„Neen, ik wil zelf zetten,” verklaarde Wiechen. „Waar doe je dat?” [51]

„Ga maar mee.”

Bij den totalisator aangekomen, wees hij Wiechen de door hem uitgezochte paarden aan: 1, 3 en 7.

„Zet op elk tien francs voor jezelf, en voor mij eveneens.”

Wiechen ging het hekje in, en afluisterend wat zijn voorman zeide, legde hij zestig francs neer.

Dix francs,” zeide hij aan het loket, en zich in de namen der cijfers in het fransch vergissend: „Un, quatre, sept.”

Men begreep hem, gaf drie biljetten, en streek dertig francs op.

Plus! Plus: un, quatre, sept,” zeide Wiechen, wijzende op het resteerende geld.

Encore des mêmes numéros?” vroeg de bureaulist, en op een bevestigend knikje reikte hij Wiechen een tweede drietal papiertjes over.

„Hier,” zeide deze, drie der briefjes aan Arnolds gevende. „Geluk ermee.”

Deze stak ze in zijn vestzak, en het tweetal beklom de tribune. Arnolds wees nu Wiechen de paarden aan, waarop men gewed had, althans die welke hij had opgegeven.

„Verloren!” riep Wiechen uit, toen geen dier drie was aangekomen. „Wat doe je nu met die papiertjes?”

„Weggooien. Of neen, geef hier, ik wil ze bewaren.”

Wiechen had ze reeds saamgeknepen en gaf de prop aan Arnolds, die ze voorzichtig weer gladstreek.

„Verduiveld!” ontsnapte hem, zoodat Wiechen opkeek en vroeg wat hij had.

„Niets; ik ging in een splinter zitten. Dat prikte.—Zet je op de volgende course?”

„Neen, dank je!”

„Dan ga ik even naar beneden.”

En weg was hij. Beneden liep hij haastig door de menschen heen, telkens omkijkend of Wiechen soms volgde. [52]Toen dit niet het geval bleek, plaatste hij zich in de file vóór den totalisator, en presenteerde op zijn beurt twee biljetten, waarop nummer 4 stond.

Trente et trois la côte, cela fait six-cent-soixante francs,” zeide de kassier, terwijl hij die som in goud en bankpapier uittelde.

Arnolds streek het geld op, en naar het buffet gaande, nam hij een glas champagne.

„Wat een bof,” mompelde hij. „Dat kan natuurlijk ook alleen zoo’n stomme uil overkomen!”

Snel dronk hij zijn glas leeg, en keerde naar Wiechen terug.

„Niets bijzonders in deze ren,” zeide hij. „Zullen we wat gaan gebruiken?”

„Ik heb nergens trek in. Maar ga jij gerust je gang. Ik blijf wat zitten kijken.”

„Geef me dan tenminste wat geld,” maande Arnolds.

„Hier,” zeide Wiechen, een vijffrank-stuk voor den dag halend. „Wees er zuinig mee.”

Arnolds had zich bedwongen, en wilde zijn rol tot het eind toe volhouden; maar dit werd hem haast te sterk. Hij was blij weg te komen. Niet alleen gevoelde hij niet de minste spijt over zijn bedrog, maar hij zon bovendien op wraak. Trouwens kon men het nauwelijks bedrog noemen, en in elk geval was het misschien de eenige manier om althans tot een deel van het hem rechtmatig toekomende te geraken. Wat had hij eigenlijk van deze reis geprofiteerd? Wiechen scheen te denken, dat hij het reizen op zichzelf aangenaam vond. In het algemeen wel, maar niet zooals dat in gezelschap van Wiechen toeging. Tweede klasse spoor, zooveelste rang hôtel, zuinig eten, en nergens kunnen komen waar fatsoenlijke lui heengaan. Bah! En nog, zonder hem had Wiechen den ander nooit gevonden en was nooit gekomen [53]tot een vergelijk. Ja, hij had zijn wissels kunnen doen protesteeren; doch wie Beenhuis kende, wist dat hij zich daaraan allerminst stoorde. Hem was het een opeten van zijns vaders erfdeel, immers een voorschot daarop, over de verrekening waarvan men nader kon praten. Hij had indertijd twee mille bedongen, en tweehonderd vijfenzeventig gulden ontvangen. Nu speelde hij hem zóóveel in handen, weliswaar mede door Wiechens eigen sluwheid, maar.… het was er toch! En daarvoor kreeg hij nu.… vijf francs, met de aanbeveling zuinig te zijn! Wat een ploert!

Oh—là—là!

„Fifi! Hoe kom jij hier?” riep hij uit. „Waar is Piet?”

„In den Haag, zoover ik weet. Heb je geld?” vroeg het meisje dat hem had aangesproken.

„Niet veel. Ik ben hier met Wiechen, en die houdt me kort. ’n Vijfhonderd francs hoogstens.”

„Geef op, en kom op den pesage. Ik heb een vasten tuyau!”

„Werkelijk? Hier is het. Met wien ben je?”

„Een jockey, ’n vuilik. Maar hij weet genoeg. Kom je dus?”

„Dadelijk. Is het in deze course?”

„Ja, maar ik zeg niets. Tot straks.”

Arnolds nam een paar glazen champagne achter elkaar, on ging toen een ticket halen voor den pesage, voor vijftig francs. Die zouden hun geld wel opbrengen! Want Fifi, de maîtresse van Viehof, was een meid waar men op aan kon. Dat was telkens dezelfde geschiedenis. Als Viehof aan lager wal zat, maakte de meid ruzie, en ging van hem weg. Maar altijd kwam zij terug, met een aardig sommetje. Dat stak Viehof dan op als prix de consolation, en deed er op zijn manier zaken mee; soms in weelde drijvende, dan weer in benarde omstandigheden gerakende. En zoodra het laatste het geval was, ging de meid weg.… Zij had dan een [54]amant, soms onder de oogen van Viehof, die er zich niet aan scheen te storen, maar kalm afwachtte tot zij weer bij hem kwam altijd met geld en … fonkelnieuw ondergoed, háár passie.

Arnolds had haar dan ook met een gerust hart zijn geld toevertrouwd, en dat het goed geplaatst was, ondervond hij een poosje later, toen hij op den pesage kwam. Ja, het was eenvoudig een quaestie van te gaan halen!

„Je bent een prachtstuk, Fifi?” verklaarde hij, de bankjes opstrijkende. „Ga je vanavond met me uit?”

„Neen,” weigerde zij. „Ik word Piet niet ontrouw.”

„En de jockey dan?”

„O, dat is wat anders. Dat is om de duiten.”

Arnolds snoof door den neus; die moraal amuseerde hem.

„Is er nog wat te verdienen?” vroeg hij.

„Neen, niets zekers. Ga jij nu Wiechen maar opzoeken, en houd je mond dat je mij ontmoet hebt. Bonjour.

Arnolds volgde den gegeven raad, en keerde terug naar de tribune, waar Wiechen nog steeds op zijn plaats zat, broeiend over de verloren zestig francs.

„Wij gaan vanavond naar Holland terug,” zei hij.

„Ik vind het goed,” antwoordde Arnolds. Kom, je hebt nog niets gebruikt. Tracteer eens op een glas champagne.”

„Goed,” zeide Wiechen, opstaande. „Maar je hebt toch nog over van die vijf francs?

„Jawel,” grinnikte Arnolds. „Ik wou er sigaretten voor koopen.” [55]