[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Van Vleuten had eindelijk wat gevonden. En, zooals hij verwacht had, het was tot hem gekomen.

Op zekeren dag kreeg hij bezoek van iemand, het midden houdende tusschen een heer en een commis-voyageur. Deze kwam om te trachten hem een polis van levensverzekering aan te praten. Doch van Vleuten, hoewel in die dingen veel goeds erkennende, vond niet dat zij voor iedereen geschikt waren. Men kon de levensverzekering beschouwen als een spaarpot, indien men een polis nam, die binnen een zeker aantal jaren afliep. Of ook als een zorg voor na te laten betrekkingen, als de polis met den dood des verzekerden afliep. Iemand nu, die vermogen bezit, had èn dat sparen èn die zorg achter den rug. Voor hèm diende het tot niets. Zeker, dat moest hij den bezoeker toegeven, men kon nog meer sparen, doch daartoe had hij geen tusschenpersoon noodig, die aan zijn sparen geld verdiende. Alleen voor dezulken, die in zichzelf noch de kracht tot overleggen van hun overvloed bezitten, noch de kennis om het overgelegde te beheeren en productief te maken, was een levensverzekering een toevlucht. Dat men voor het gemis aan die kracht en kennis betaalde, was eveneens niet meer dan billijk. Ook het verdeelen van risico van sterven, eer men tot het einddoel van zijn sparen gekomen was, over een [56]groot aantal verzekerden, vond hij iets goeds. Maar, zooals gezegd, wie geen zoodanig risico meer liep, behoefde zich niet om te zien naar andere schouders om hem dat te helpen dragen.

De bezoeker trachtte geen enkel dezer argumenten te weerleggen. Van tegenspraak komt tegenstand, had zijn ervaring hem geleerd. Hij zocht naar de kwetsbare plek. Al pratende, bespeurde hij, dat van Vleuten een niet geringe kennis bezat van het verzekeringwezen, en kreeg de oplossing van dit raadsel, toen deze hem mededeelde, dat zijn vroegere firma in Indië ook in dat vak werkte. Als bijzaak wel, maar toch reeds in richtingen hier te lande nog onbekend. Dat gaf lucht.

„Ik ben bij u komen spreken,” zeide hij, „en gaf enkel mijn kaartje, waarop mijn vroegere hoedanigheid vermeld stond: genie-officier. Dat was om toegang te krijgen, die veelal aan iemand van een levensverzekeringmaatschappij wordt geweigerd. Overigens verzuimde ik u te zeggen, welke positie ik bij de maatschappij bekleed. Die is: generaal-inspecteur.”

„Dat is een promotie,” riep van Vleuten uit. Van luitenant tot generaal!”

„Och,” zeide de ander glimlachend, „de maatschappijen moeten voor hun uitgebreid personeel wel namen verzinnen. Maar de zaak is, dat ik door het geheele land reis, en onze agenturen, inspecties, enzoovoort, contrôleer. Een enkele maal, als een agent of zoo iemand de zaak niet aandurft, of bang is geen toegang te verkrijgen, ga ik er op uit, om een post zelf af te sluiten.”

„Dank u voor de onderscheiding,” zei van Vleuten buigende.

„Die volkomen verdiend is, naar ik bemerk. Neen, ik wil geen flauw compliment maken! U is in het werk teveel [57]thuis, dan dat ik mijn bezoek nu enkel zou uitstrekken tot een poging u te verzekeren. Heeft u geen lust voor de Maatschappij werkzaam te zijn?”

„Inderdaad zou eenig werk mij niet onwelkom zijn. Ik heb genoeg van het luieren.”

„Dan geloof ik iets te weten voor u. En voor ons. Daar maak ik geen geheim van. Ziet u eens, Zuid-Holland is op het oogenblik als hoofdinspectie vacant. Het is gemakkelijk werk, althans voor iemand als u. De agenten jagen het veld af. Als ze hulp noodig hebben, wenden zij zich tot u. U van uw kant spoort hen aan, door geregelde bezoeken.”

„Zoodat ik als het ware voor hun ijver insta?”

„Geen quaestie van. Alles werkt op percentage. De agent krijgt zijn tantième, als hij een post afsluit. Doet hij dat met den hoofdinspecteur, dan is de gewoonte, dat hij met dezen deelt. De hoofdinspecteur krijgt, al werkt hij met geen enkele post direct mee, toch over de geheele provincie een tantième. Hij heeft bovendien een vast, hoewel klein salaris en reiskosten. Daartegenover heeft hij de verplichting te zorgen, dat zijn provincie een minimum opbrengt.”

„Ik begin te begrijpen,” zeide van Vleuten. „Enfin, als het een quaestie van werken is, dat kan ik! Het resultaat van goed werken zal wel steeds succes zijn. Dus, ik heb wel ooren naar uw voorstel.”

„Ik zal het aan de directie voordragen. Alleen.… de directie ziet graag, dat de beambten bij de maatschappij verzekerd zijn.”

„Of zij gelijk heeft,” zeide van Vleuten. „Goed voorbeeld doet goed volgen!”

„Dus als u begon.…”

„Pardon, de directie moet beginnen. Zoodra ik de mij door u voorgestelde positie bekleed, sluit ik een verzekering. [58]Die ik dan door een agent laat afsluiten, met medewerking van mezelf. Dat is de helft van de provisie èn het tantième, niet waar?”

„Bravo! Zulke menschen moeten we hebben. Ik maak mij sterk voor u,” riep de generaal-inspecteur uit.

Van Vleuten geleidde zijn bezoeker naar de voordeur en liet hem uit. Toen ging hij Betsy opzoeken, om haar het nieuwtje mede te deelen.

Maar zoo gauw kon hij het niet kwijt. Mevrouw was uitgegaan, met de fiets, werd hem door de meid verteld. Ja, dat was de nieuwigheid, zooals altijd, vond hij, hopende dat die er spoedig af mocht zijn.

Een fiets was wel een practisch ding, vond hij, zoolang men ze voor practische doeleinden gebruikte. Om zich gemakkelijk te verplaatsen, zooals hijzelf deed. Moest hij ergens in de stad zijn, de fiets bracht hem er in no time. terwijl een toertje nu en dan met Betsy, ter ontspanning, een aangename afwisseling was. Doch evenmin als men elken dag ging toeren, al had men eigen rijtuig, was het prettig elken dag op dat ding te stappen, en er liefst eeuwig en altijd mee naar Scheveningen of naar den Deijl te rijden. Vooral wanneer men, zooals Betsy, afstapte zoodra er maar eenige drukte van rijtuigen of wagens kwam. Trouwens, in het begin had zij zich ook beperkt tot toertjes met hem, doch sedert Marie van Groningen ook was gaan fietsen, was zij uithuizig geworden. Dat was nu weer het nadeel van het ding.

Niet het eenige evenwel, zooals Betsy en Marie op hun tochtje zagen.

Van den straatweg afgeweken, met het doel langs een der zijwegen op den Wassenaarschen weg te komen, en zoo naar huis terug te keeren, stootten zij op een jong meisje, verschrikkelijk verhit naast den weg in het gras [59]zittend, een fiets bij baar. De luchtpomp, die zij in haar handen hield, wees voldoende de ramp aan.

„Gut, wat een mooi kind! riep Betsy uit, toen zij het meisje naderden.

„Misschien kunnen we haar helpen,” opperde Marie, evenals haar vriendin haar vaart matigende.

En beiden hielden op, informeerende naar het onheil. Het was een spijker, doorgedrongen in den band, onder het rijden, en blijkbaar was de band lek.

„Ik heb een reparatiedoosje bij mij,” zeide Marie; „maar ik weet niet hoe er mee om te gaan.”

„O, dat is gemakkelijk,” verklaarde het meisje. „Mag ik eens zien?”

Zij nam het doosje aan, dat Marie uit haar zadeltasch had gehaald, en knikte tevreden. Een platte sleutel uit haar eigen taschje nemende, wipte zij den buitenband los, en bracht den binnenband te voorschijn.

„Maar ik houd de dames op,” zeide zij. „Als u mij zegt waar ik het doosje mag terugbezorgen …”

„Volstrekt niet,” riep Betsy. „Ik wil graag eens zien hoe dat gebeurt. En jij, Marie?”

Deze knikte instemmend, waarop het meisje met haar werk voortging. Zoodra zij de beschadigde plaats gevonden had, maakte zij die met schuurpapier schoon, zocht een stukje rubber uit in het doosje, en besmeerde dit, zoowel als de wonde plek, met solution. Toen bleef zij wachten, het pleistertje op den top van haar vinger houdend.

„Het moet bijna droog zijn,” zeide zij, inlichtend; „anders plakt het niet direct.”

Toen het haar naar den zin scheen, legde zij het pleistertje op den binnenband, er met de vlakke hand een fikschen klap op gevende, en bestrooide toen de plek met een weinig poeder, dat zich in een papiertje in het doosje bevond. [60]Hierna werkte zij den band weer naarbinnen, en bracht den buitenband in de velg terug, het laatste stukje nahelpend met den sleutel. Bij het oppompen bleek de band lucht te houden.

„Dat is vlug!” merkte Betsy op, die op haar horloge had gekeken, „nog geen tien minuten. Waar kan men dat leeren?”

„Ik heb het van Frans geleerd.… dat is de bediende van papa, die altijd voor de fietsen zorgt.”

„Zijn er dan zooveel fietsen bij u thuis?” vroeg Marie, nadat men weer opgestegen was, en nu gezamenlijk verder reed.

„Drie,” antwoordde het meisje. „Die van papa, de mijne, en een kantoorfiets.”

„O, heeft uw papa een kantoor?”

„Ja, papa is bankier.”

„Hoe heet u?” vroeg Betsy, onder een plotselinge ingeving.

„Ella Wiechen.”

„O jé!” De uitroep was van Marie, en haar onwillekeurig ontsnapt.

„Heeft u iets?” vroeg het meisje.

„Neen, ik.… ik.…,” stotterde Marie kleurend. „Uw papa heeft eens iets voor mij in orde gebracht,” verklaarde zij eindelijk.

Ella scheen zich over iets te beraden.

„Dan,” zeide zij aarzelend, „zal ik maar achterblijven, en straks in het bosch een anderen weg nemen. Zult u het niet aan papa vertellen?”

„Wat? En waarom?”

„Papa wil volstrekt niet hebben, dat ik met iemand spreek, die bij hem komt.”

„Nu,” zeide Betsy, invallend, „mevrouw noch ik zijn ooit bij hem geweest, dus dat is geen bezwaar. U kunt [61]toch niet altijd weten ook, wie op het kantoor komt. Of werkt u bij uw papa?”

„Ik ga school,” zeide Ella, „op het gymnasium. Ik moet doktores worden.”

„Zoo! En hoe ver is u al?”

„Ik ga na deze vacantie in de vierde klasse. Nog drie jaar, als ik telkens overga, en dan ben ik student. Ik vind het zoo grappig.”

Het drietal had nu het bosch bereikt, waar men niet meer naast elkaar kon blijven rijden, zoodat het gesprek stokte. Bij het Malieveld scheidden zich hun wegen. Ella moest rechtuit, de stad in, terwijl de weg der beide anderen het Kanaal langs leidde. Om afscheid te nemen, was was men even afgestapt, en had Marie, onder wederzijdsche belofte van geheimhouding, met Ella de afspraak gemaakt, dat deze haar, bij goed weer, den volgenden dag zou komen afhalen voor een nieuw toertje.

„Dat kind interesseert mij,” zeide zij tot Betsy.

Deze trok de schouders op, zich echter stellig voornemende zoo min mogelijk op de nieuwe kennismaking in te gaan.

Toen zij thuiskwam, vernam zij het groote nieuws met innige blijdschap. Werk was voor Jan een levensbehoefte. Hij kon niet tegen nietsdoen op den duur. En nu kreeg hij niet alleen werk, maar van een speciaal voor hem geschikt soort, werk waarbij hij eigen initiatief kon laten gelden! Weliswaar zou hij veel uit zijn, doch hieraan was zij gewend. In Indië zag zij hem toch ook den heelen dag niet, als hij op zijn kantoor was. Eigenlijk was dat ook beter. Een man moet niet den geheelen dag over de vloer zijn.

En nu vertelde zij hem ook van hun verrassende ontmoeting, en van de in haar oog onvoorzichtige afspraak van Marie van Groningen. [62]

„Ik vond het dom van haar,” eindigde zij. „Ze is nu, feitelijk voor de tweede maal, van dien man verlost, en gaat uit eigen beweging de relatie weer aanknoopen. Ja, of het meisje het thuis al of niet vertelt, doet er niets toe. In den Haag zijn zóó veel leegloopers, dat er niets geheim blijft, en er meer praatjes worden gefabriekt, dan in het kleinste Indische plaatsje.”

„Hoe oud is dat dochtertje van Wiechen?” vroeg hij ter afleiding.

„Dat weet ik niet. Ik schat haar op zestien jaar zoowat. Kassian!”

Van Vleuten moest onwillekeurig lachen.

„Waarom kassian?” vroeg hij. „Ik moet je toch eens vragen of jij je rekenschap te geven weet, van dat geheimzinnige iets, dat dien Wiechen schijnt te omringen? Op financieel gebied schijnt hij soliede. Iedereen schijnt hem te zoeken, hetzij om plaatsing van geld, hetzij om te leenen. Het eerste weegt natuurlijk het zwaarst. Maar nu is het gekke, dat wie hem het meest zoeken, in den een of anderen zin, het meest beangst tevens zijn de relatie te erkennen. Zie je, daar zou ik nu het mijne wel eens van willen hebben.”

„En waarom ben je zelf bezig je relatie met hem te beëindigen? Waarom heb je toen Marie van hem weggehaald? Je weet het best, huichelaar!”

„Lieve Betsy …”

„Ik ben je lieve Betsy niet, als je dien man voorspreekt! Dien moordenaar!”

„Moordenaar?” herhaalde hij getroffen. Toe, maak je nu eens niet zenuwachtig, en vertel wat je weet.”

„Ik … weet niets,” zeide zij snikkend.

Gévédé,” vloekte hij. „’t Is om razend te worden! ’n Haagsch bankier, die de beste reputatie heeft, ’n ongeschokt crediet,.… en als je iemand spreekt, is het altijd: pas op! [63]Of men lacht geheimzinnig, wendt zich af, kijkt den vrager suspect aan, en.… je eigen vrouw noemt hem een moordenaar!—Wien heeft hij dan vermoord, en waarom zit hij niet in de kast?”

Betsy gaf geen antwoord, en wanhopende iets meer uit haar te krijgen, trachtte hij haar te bedaren; wat hem ten slotte gelukte. Hij durfde echter niet meer op het onderwerp terugkomen, en besloot bij anderen uit te vorschen, wat men dien Wiechen dan toch aanwreef, en inmiddels, om den huiselijken vrede te bewaren, er met Betsy niet meer over te praten.

En zoekende, wie hem het raadsel zou kunnen oplossen, schoot hem te binnen, dat ook Boom zich indertijd aan het strand in dien geheimzinnigen geest had uitgelaten, en hij hem steeds nog een antwoord schuldig was op zijn voorstel omtrent de uitvinding. Dat was een idee! Temeer daar hij, mocht er inderdaad met die uitvinding iets te doen zijn, tengevolge van zijn sparen in de laatste maanden, het door den ander gevraagde nu zou kunnen uitleggen, buiten Wiechen om.

Van Vleuten maakte zich den volgenden dag op, om zijn voornemen uit te voeren. Juist toen hij de deur uitging, werd de post bezorgd. Een brief voor hem, waarin hij werd uitgenoodigd om op het kantoor der levensverzekeringmaatschappij te komen, ter bespreking van het hem bekende voorstel van den generaal-inspecteur. Hij stak den brief in den zak, best in zijn humeur. Misschien kwam het daardoor, dat hij eenigszins zorgeloos was, toen hij met Boom onderhandelde. Althans toen hij vertrok, had deze een kasaanwijzing van hem, voor tweeduizend gulden, gewoon op goed vertrouwen, en zonder eenige zekerheid van den kant van Boom. Doch hierover maakte hij zich niet ongerust. Immers, zoodra de machine gereed zou zijn, kwam er heel [64]wat meer kijken, waarvoor eveneens geld noodig was, en Boom was een eerlijke vent. Had hij zelf niet gezegd, dat hij de twee mille niet dadelijk noodig had, maar pas in den loop der eerstvolgende drie, vier maanden? En dat hij zoolang van het niet benoodigde rente zou verantwoorden, die hij wist te maken door inkoop van geldswaardig papier? En zelfs het laatste zou hij niet doen, dan na onderling overleg en met vermijding van alle risico.

Het was eerst tegen het eind van zijn bezoek, dat van Vleuten zich de uitlating zijner vrouw herinnerde.

„Vindt u,” vroeg hij listig „dien Wiechen zulk een ergen moordenaar?”

„Hm,” deed Boom. „Zooals men het nemen wil. Hij heeft zeker ’n dikke tienduizend moorden gepleegd.… òf geen enkelen.”

Van Vleuten stond een oogenblik verstomd. Opeens meende hij licht te zien.

„O,” riep hij uit. „Ik begrijp.… hij is militair geweest, en.…”

Nu was het de beurt aan Boom om groote oogen op te zetten, doch hij herstelde zich onmiddellijk.

„Juist,” zeide hij. „Hij is militair geweest.—Komt u soms even in Central? Er is mij een kleine transactie voorgesteld, waarmee voor ons wat te verdienen valt.”

„Kunt u mij die niet zóó mededeelen?”

„Eigenlijk wel,” antwoordde Boom. „Er moet grond worden overgedragen, in het Westland. Het is een soort minnelijke onteigening. De gevolmachtigde van den eigenaar heeft geld noodig, en wil dat aan zijn principaal niet vragen, terwijl de notaris die de overdracht doet, het òf niet heeft, òf niets wil voorschieten, ’t Is een quaestie van een paar weken, tot het transport plaats heeft, waarbij de koopsom direct wordt uitbetaald.” [65]

„Zooals u het voorstelt, zie ik er geen bezwaar in,” zeide van Vleuten. „Trouwens, ik heb te weinig locale kennis, om een oordeel te kunnen vellen. Maar één ding valt me op. U schijnt de mogelijkheid toe te laten, dat de notaris dat kleine bedrag,—immers minder dan twee mille—niet zou hebben. Zou dat geen praatje zijn?”

„Ik geloof het niet. ’t Is notaris Vreeland Maarssen, die nog al wat aan schijnt te kunnen.”

„Nu, ik laat het aan uw beleid over.” [66]