Toen Ella de vestibule dóór was, hoorde zij praten in het kantoor. Dat was een tegenvaller; want zij had haar vader, wien zij alles toevertrouwde, dadelijk de grap met dien notaris willen vertellen. Maar hij had blijkbaar zaken, en weer een van die vervelende lui bij zich, die lang bleven en hard praatten, zooals in den laatsten tijd dikwijls gebeurde. En dan was hij altijd nog een poos uit zijn humeur, of kreeg een neusbloeding. Nu schoot haar niets over, daar zij haar mededeeling niet zóó lang vóór zich kon houden, dan naar boven te gaan, en die het eerst te doen aan „mevrouw”.
Marie van Groningen had wel met de wereld moeten breken! Het was onmogelijk gebleken eenigen schijn, hoe gering ook, te redden. Waren haar inkomsten ontoereikend geweest om in haar stand te kunnen leven, en was er dan een ander in haar benedenkamers getrokken, men zou er niets van hebben gezegd. Maar dewijl zij royaal kon leven, wees alles op een vrijwillige daad, die niet verschoond kon worden door zucht om iets omhanden te hebben, daar haar dochtertje haar, als zij dat wilde, genoeg werk had kunnen verschaffen. En dan die Wiechen!
Men giste niet eens ernaar, hoe zij met hem in kennis gekomen kon zijn. Doch wat men als vaststaande aannam, [90]gaf oom Slot aanleiding om krachtig in te grijpen. Hij stelde haar voor de keus het kind aan de zorgen zijner vrouw vrijwillig over te laten, of langs gerechtelijken weg uit de voogdij te worden ontzet. Bang voor schandaal, stemde zij in het eerste toe, onwillig Wiechen op te geven, deels uit koppigheid, en ook omdat iets in hem haar onweerstaanbaar aantrok, en zij vast vertrouwde op de onbaatzuchtigheid zijner motieven.
Ook Ella had haar hart stormenderhand veroverd; en met een toewijding, die haarzelf genot gaf, deed zij wat kon om het meisje te ontwikkelen. Weliswaar leerde Ella op het gymnasium dingen, haar geheel vreemd, doch de uiterlijke en innerlijke beschaving, alleen in den huiselijken kring bij te brengen, ontbrak haar uit den aard der zaak te eenen male.
Marie deed meer. Bemerkende, dat Ella was opgegroeid in die onbevangen loszinnigheid, welke meisjes uit den lageren stand in den sexueelen omgang eer iets natuurlijks doet zien, dan het kwaad, waartoe godsdienst en verfijnde beschaving het gestempeld hebben, indien de officieele sanctie eraan ontbreekt, lichtte zij haar zoodanig in, dat Ella het gevaar in zijn geheelen omvang kende, en derhalve er zich niet in begaf.
Vandaar dan ook de zelfbewustheid waarmee zij den notaris had te woord gestaan, en die de verwondering van dezen ouden vos had gaande gemaakt, zonder daarmee iets te kort te hebben gedaan aan de bekoring harer onschuld, door volle wetenschap onbedorven.
En hoe meer Marie zich bewust werd van haar eigen gezonken zijn, hoe meer zij Ella reine gevoelens en bovenal voorzichtigheid trachtte in te prenten, gedeeltelijk met datzelfde egoisme, waarmee zich de mensch heiligen schept, waarop hij den last zijner zonden kan wentelen, of deze, practisch gesproken, kan endosseeren. [91]
Volkomen passend in dezen gedachtengang, beschouwde Ella mevrouw als degeen die haar maakte, haar onderbouwde, iemand die op haar noodkreet te hulp moest komen. Doch de uitingen van haar gemoed, wanneer zij zich sterk gevoelde, waren voor een ander bestemd, en thans nog voor haar vader, die haar begreep, althans zich het air daarvan gaf.
Haar moeder beschouwde zij voor wat zij was, een goedig sukkeltje, destijds door haar vader naar de officieele wijze aan zich getrokken, omdat zij iets van hem in zich droeg. Die voor deze „reparatie” zelfs dankbaar was, en moest zijn, volgens de conventioneele begrippen. En die zich daarom ook schikte in den toestand, zooals die door haar vader was besteld, zich gelukkig achtend van hem levensonderhoud te genieten.
Maar ditmaal kon zij het gebeurde niet vóór zich houden, tot haar vader met zijn bezoeker zou hebben afgedaan. „Gestellt” had zij dien man, een notaris nog wel! En misschien ook, omdat zij die uitdrukking van „mevrouw” had geleerd, en alleen aan haar kon uitleggen hoe zij die begreep, deed zij nu haar confidenties aan Marie.
„Je hebt goed gedaan,” zeide Marie. „En dat je hem een beetje voor het lapje hebt gehouden, is niet erg. Maar denk erom, de ware distinctie uit zich zonder vertoon. Praat er nu verder maar niet over.”
„Maar ik moet dien meneer toch dat dubbeltje teruggeven!” meende Ella.
„Daar is iets van aan,” zeide Marie, peinzend. „Wacht eens. Haal een velletje postpapier en inkt, en ga aan de tafel zitten.”
Ella gehoorzaamde, en liet zich dicteeren:
„Geachte Mevrouw. Gister stond ik op de tram, en had mijn portemonnaie vergeten. Mijnheer Uw echtgenoot [92]was zoo vriendelijk voor mij te betalen. Hij zal het mij ten goede houden, dat ik de dankbaarheid, die ik hem daarvoor verschuldigd ben, aan U betoon. Mijn schuldig dubbeltje sluit ik hierbij in, en verzocht mijn goeden Rübezahl uit het sprookjesboekje, om het onderweg even aan te raken.
Uwe dienstwillige dienaresse,
Ella Wiechen.”
Terwijl Ella schreef, was Marie van Groningen opgestaan, en had, snuffelend in een lade van haar toilet, daar een ronde ivoren doos uitgenomen, die zij opende.
„Ziehier,” zeide zij, een klein voorwerp op tafel werpende, „pak dat in een stukje papier, en stopt het in den brief. We zullen dien morgen aan Frans ter bezorging meegeven.”
„O mevrouw, hoe keurig!” riep Ella uit, het voorwerpje bekijkend. „Is dat een verguld dubbeltje?”
„Neen,” zeide Marie, „het is een uit goud geslagen dubbeltje. Ik heb het eens gekregen als Philippine. De aardigheid is natuurlijk het aan de Munt geslagen te krijgen.”
„Vindt u het niet erg zonde, om het zóó maar weg te geven?”
„Niets is zonde, om de reputatie van een jong meisje hoog te houden,” antwoordde Marie ernstig en weemoedig. „Schei uit, malle meid,” ging zij voort, toen Ella haar, met een plotseling begrijpen, onstuimig om den hals viel en kuste. „Zie je, als die notaris nu met al zijn kennissen, of wie ook, over je spreekt, kan het niet anders dan ten goede zijn. En ook zijn vrouw zal je respecteeren. Me dunkt, dat is dit lorretje wel waard, hè?”
„Als ik het maar waard ben,” zeide Ella.
„Poeh! Niet sentimenteel worden, hoor!—Maar wat blijft je pa lang beneden. Het wordt tijd om te gaan eten.”
„Ik zal gaan dekken,” zeide Ella opstaande. „En … zouden [93]we over die geschiedenis maar liever niet met papa spreken?”
„Als je er dan maar niet op zinspeelt, waar hij bij is,” zeide Marie, „Want je weet, dat hij dan niet rust eer hij van alles op de hoogte is, en ik er dan last van krijg.”
„Ja, papa is ijselijk nieuwsgierig,” bevestigde Ella.
Het langdurige bezoek was dat van van Vleuten. Wiechen had hem elke maand de overeengekomen rente uitbetaald, op zijn quitantie, die hij, tenzij de dag op een Zondag viel, altijd den tienden presenteerde. Deed hij dat vroeger persoonlijk, nu hij zoo dikwijls op reis moest, had hij steeds de quitantie aan Betsy achtergelaten, die in het eerst de meid om het geld gezonden had, doch later, daar Wiechen wel eens een paar dagen uitstelde, goedgevonden had, dat hij zijn bediende het geld liet brengen. Haast ongemerkt was nu de bezorging later en later geschied, en ten slotte in de volgende maand geloopen, waarop Betsy haar man toen attent gemaakt had. Hij meende, dat het eenvoudigst zou zijn, zelf de quitantie maar weer eens te gaan aanbieden, en daartoe precies den tienden der maand weder uit te kiezen.
„Maar u hebt nog geen week geleden de rente gehad,” merkte Wiechen op. „Heeft u nu al weer geld noodig?”
„Of ik het noodig heb, is dunkt me een zaak die alleen mij aangaat,” zeide van Vleuten, terwijl hem het bloed naar het hoofd steeg.
„Nu ja,” zeide Wiechen vermanend. „Ik heb er natuurlijk niets mee te maken. Dat is zeker. Maar ik vind, dat iedereen aan de toekomst moet denken, vooral als men niet alleen op de wereld is.”
„Wel verdraaid, meneer! Ben ik hier om oude-wijven-praatjes aan te hooren, of.… Kort en goed: kunt u mij nu de rente voldoen, en zoo niet, dan morgen?” [94]
„Vandaag zal het moeielijk gaan. Kijk,” zeide Wiechen, in zijn vestzak grijpend en daar wat klein geld uithalend, „dit is alles wat ik heb. Straks komt mijn bediende terug, en ik denk wel dat hij iets meebrengt.… Misschien zou u wel een oogenblikje willen wachten?”
Van Vleuten haalde schouders op, onbesloten wat te doen. Ten slotte overwoog hij, dat de middag toch gebroken was, en hij misschien door te blijven, den ander tot eenig voorstel zou krijgen. In elk geval hield hij hem op.
Het scheen echter, dat Wiechen allen tijd had, althans hij begon een praatje, en liet eindelijk zelfs een bitterstelletje komen. Zoo verliep het eene halfuur na het andere, waarin van Vleuten zich dwong tot luisteren, in elk geval tot aanhooren van Wiechens gebazel over medische dingen, iets waartoe hem de bitter in het bijzonder scheen te verlokken.
Doch ditmaal waren zijn uitspraken niet zoo’n doorslaande onzin, als van Vleuten zich destijds uit Café Central herinnerde. Al hoewel hij zelfs voor den leek waarneembare fouten beging, scheen het van Vleuten niettemin toe, dat hij op het gynaecologisch gebied, waarop hij thans was terecht gekomen, veel gezien of gelezen had. Hij gaf daarover zijn verwondering te kennen.
„Ja, ziet u.… ik ben op het land groot gebracht,” verklaarde Wiechen, na een oogenblik van verlegenheid.
„De koeien en varkens zullen u toch geen onderricht gegeven hebben,” lachte van Vleuten.
„Zeker, meneer. Om maar één ding te noemen. Het absoluut zeker regelen der voortplanting bij mensch en dier. Nu, wat de dieren betreft, dat gaat zijn gangetje wel.”
„U wilt toch geen slavenhandel gaan drijven, met een menschen-fokkerij ergens op het platteland?”
„U spot ermee. Toch heb ik het oog op iets van dien [95]aard. Niet om de menschen ongelukkig te maken, wat uit uw zooeven geopperd denkbeeld zou voortvloeien; maar om veel ellende weg te nemen en vreugde te verspreiden. De Natuur houdt geen rekening met financieele omstandigheden. Hier een arm huishouden, met zóóveel „wurmen” van kinderen, dat geen ervan genoeg te eten kan krijgen. En ieder jaar komt er weer een bij. Dat moest niet zijn.”
„Ik zie het al,” zeide van Vleuten. „U is Neo-Malthusiaan.”
„Bah, neen. Dat is vuiligheid. Dan liever … Maar, wat ik zeggen wou: Aan den anderen kant rijke huishoudens, zonder kinderen. De vrouw verkniest en verveelt zich, en de man moppert omdat hij niet weet aan wien zijn geld na te laten. De een geeft den ander de schuld, en ze zouden ik weet niet wat geven voor een kind. Dat moest ook niet zijn.”
„Ja,” erkende van Vleuten, „dat is zoo. U heeft misschien „Fécondité” van Zola gelezen? Daar wordt dat onderwerp in behandeld.”
„Neen,” zeide Wiechen, „ik ken niet genoeg Fransch. Maar men behoeft dat in geen boek te lezen. We zien het iederen dag vóór onze oogen. Ik heb wat geld, en zoodra ik genoeg heb, ga ik proeven nemen. Ik zal vrouwen op stal zetten, zooals men hier met de koeien doet. In Turkije, of een dergelijk land, waar dat mag. Na een paar jaar huur ik een professor, om rapport uit te brengen over mijn veestapel.”
„Een zonderling amusement,” zeide van Vleuten. „Maar wat wilt u daarmee aantoonen?”
„Dat de koeien en varkens waar u zooeven mee spotte, naar de Hoogeschool moeten, en de professoren in de wei of aan den trog.”
„Dat is gemakkelijker beweerd dan aangetoond,” zeide van Vleuten. „U zou daarvoor gronden moeten aanvoeren, anders …” [96]
„Mijn gronden zijn deze,” viel hem Wiechen in de rede: „Mijn menschelijke proef-koeien zullen kalven op vooraf door mij vastgestelde dagen. In den zomer, in den winter, precies zooals ik dat wil. Geen enkele zal missen. Als ik daarover een wetenschappelijk rapport heb, dat wil zeggen het attest van een professor, of van meerdere, ga ik, om de kosten goed te maken, eerst vreugde brengen in de huizen van een paar kinderlooze millionnairs, of vorstenhuizen. Dan kunnen de armen, ook in omgekeerden zin, van hetgeen ik weet profiteeren.”
„Dus, volgens u, is kinderloosheid iets wat niet behoefde te bestaan?” vroeg van Vleuten, nu eenigszins gespannen.
Wiechen schudde glimlachend het hoofd.
„Heel zeker schijnt u toch niet van uw zaak te zijn,” opperde de ander. „Waartoe anders die proeven?”
„Om die geleerde ossen met de feiten te kunnen weerleggen. Of zou u denken, dat een dwaling, die nu al … Ja, hoe oud zijn de boeken van het Oude Testament …? Enfin, van dien tijd af is die willens en wetens de menschen ingeprent. Dat zoo’n dwaling dan, zoo maar ineens was uit te roeien? Neen, eerst moeten de feiten spreken. Dan kan ik geld vragen. Om in de buurt te blijven. Zou u mij nu kwijting willen geven voor een maand rente, als ik u op weg hielp? U heeft immers immers geen kinderen?”
„Graag,” riep van Vleuten uit, „als ik zeker was.…”
„Daar hebt u het: als u zeker was. Eerst mijn turksche koeienstal dus.”
„Zeide u niet, dat het in den Bijbel stond?”
„Ja, en daar heb ik al spijt van. Gelukkig voor mij zijn er maar weinig menschen, die daarin lezen kunnen, zonder er tirelantijntjes bij te maken, anders kon ik mijn turkschen stal wel laten blijven. Ik durf—niet aan u, na ons gesprek—de plaatsen die ik bedoel gerust aan een dominé te laten [97]lezen. Dan krijg ik een verklaring.… kom, ieder zijn vak.”
„Ik zal dan moeten wachten,” zeide van Vleuten zich in stilte voornemende, toch bij gelegenheid eens te snuffelen, of hij in den Bijbel iets vinden kon, wat Wiechen bedoelde. „Maar van wachten gesproken, uw bediende blijft lang uit.”
„Ja,” zeide Wiechen. „Misschien is het laat geworden, doordat hij ergens heeft moeten wachten, en dan wil hij wel eens eerst naar huis gaan om te eten. Willen we afspreken, dat ik hem vanavond bij u zend, als hij wat meebrengt?”
„Dat is goed,” antwoordde van Vleuten, die begreep, dat hij aan langer blijven weinig hebben zou. „In elk geval zal ik de quitantie gereedhouden, en desnoods morgen aan mijn vrouw achterlaten.”
Onder het naar huis wandelen had hij een gevoel van onvoldaanheid over zijn bezoek. Gegaan om zakelijk te zijn, had hij zich laten ophouden en feitelijk afschepen met dien turkschen koeienstal. Het was toch eigenlijk te zot! Te denken, dat een man, die blijkbaar een gebrekkige opvoeding genoten had, iets zou hebben ontdekt, waar de geleerden, de mannen van het vak zoo goed als niets van wisten!
Plotseling schoot hem de uiting van Boom te binnen over die vakmannen, indertijd op het strand. Onwillekeurig had die toch bij hem „gepakt”.
Maar gesteld, Wiechen had een der geheimen van de Natuur bespied, hoe zou hij zonder wetenschappelijke vorming of practijk, ooit zijn vinding in toepassing kunnen brengen? Temeer waar het hier gold een toepassing op het gecompliceerde organisme van den mensch, en niet een stuk metaal, dat men kon wegwerpen als het verknoeid was. Neen, als Wiechen zich verbeeldde, dat men in Turkije of in welken georganiseerden staat dan ook, hem zou toestaan experimenten op levende vrouwen te gaan houden, [98]zou hij de eerste maal de beste dat hij met een zijner „Versuchskaninchen” een ongeluk had, waarschijnlijk wel voor goed van dergelijke liefhebberijen genezen worden. Inmiddels moest hij lachen als hij zich Wiechen voorstelde, in een zelf bijeengegaarden harem, de fez boven het was-bleeke, eigenwijze gezicht.
Toch, één ding kon hij niet uit zijn gedachten verbannen. De wonderlijke combinatie van Bijbel en Natuur, die Wiechen zouden gebracht hebben tot wat hij beweerde te weten. Voor wie ze lezen kon, waren beiden boeken vol verrassingen. [99]