Title: Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald
Author: Sūdraka
Translator: J. Ph. Vogel
Release date: August 23, 2022 [eBook #68819]
Most recently updated: October 19, 2024
Language: Dutch
Original publication: Netherlands: Scheltema & Holkema's Boekhandel, 1897
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
HET LEEMEN WAGENTJE.
Waar in naburige landen van alle eenigszins belangrijke voortbrengselen der Indische letteren één, ja dikwijls meerdere vertalingen het licht zagen, valt het te verwonderen, dat ten onzent zelfs de meesterstukken van die door ouderdom, veelzijdigheid en verhevenheid zoo uitnemende litteratuur bijna volkomen onbekend bleven. Niet het minst geldt dit van een tooneelwerk als de Mṛcchakaṭikâ, zóó voortreffelijk door karakterteekening en levendige handeling, door poëtische schoonheid en hoogheid van denkbeelden, dat velen haar zelfs stellen boven Kâlidâsa’s wereldberoemd drama.
Na de Çakuntalâ-vertaling1 van Dr. H. Kern (met die van het Mâlavikâgnimitra2 door Dr. J. van der Vliet het eenige, wat van het Indisch tooneel in het Nederlandsch werd overgebracht), scheen mij eene vertaling van de Mṛcchakaṭikâ bovenal gewenscht, waardoor dit tooneelwerk ook hier te lande die belangstelling moge vinden, die het zoo ten volle verdient.
Wat het Indisch tooneel in ’t algemeen betreft, meen ik te kunnen volstaan, met te verwijzen naar hetgeen hieromtrent door prof. Kern is medegedeeld in de voorrede zijner Çakuntalâ-vertaling3; over de Mṛcchakaṭikâ in ’t byzonder het volgende:
De Mṛcchakaṭikâ wordt in den Proloog genoemd een prakarana, d.w.z. een drama, waarvan als hoofdkenmerk geldt, dat het onderwerp eigen vinding is van den dichter. Er is dus geen reden om met Wilson4 een historischen grondslag te zoeken, waarop het verhaal van ′Aryaka’s troonsbestijging zou berusten, dat naast en in verband met de hoofdhandeling het onderwerp van de Mṛcchakaṭikâ uitmaakt. [X]
Wat den tijd van vervaardiging aangaat, deze is volkomen onzeker; werd vroeger aan de Mṛcchakaṭikâ een betrekkelijk hooge ouderdom toegekend5, de gronden, hiervoor aangevoerd, zijn onvoldoende, zooals door Pischel werd aangetoond6, die haar op zijn vroegst in ’t einde der 5de eeuw n. Chr. wil plaatsen7; dat de Mṛcchakaṭikâ het oudste is der ons bewaard gebleven Indische tooneelstukken, wordt bijna algemeen aangenomen8.
Even weinig valt met zekerheid omtrent den dichter mede te deelen; wel wordt in den Proloog als zoodanig een koning Çûdraka genoemd; maar algemeen is men van oordeel, dat, zooals in Indië niet ongebruikelijk was, het stuk door den vervaardiger is gesteld op naam van zijn vorstelijken beschermer. Pischel9 meent de Mṛcchakaṭikâ te mogen toeschrijven aan Daṇḍin, den auteur van het Daçkumâracarita10, die in de 6de eeuw n. Chr. leefde, een onderstelling, die door L. von Schröder waarschijnlijk, maar geenszins volkomen zeker wordt genoemd11.
De eerste Europeesche vertaling der Mṛcchakaṭikâ verscheen in het voor de kennis van het Indisch tooneel zoo uiterst belangrijke werk van Horace Hayman Wilson, waarin, na een uitvoerige verhandeling over het Drama der Indiërs, de vertaling wordt gegeven van zes tooneelstukken en een inhoudsopgaaf van drie-en-twintig andere; het eerste der vertaalde stukken is: „The Mṛichchhakatî or the Toy-cart.” Deze vertaling, waarin de metrische gedeelten deels in proza, deels in vijfvoetige jamben zijn overgebracht, mag, hoewel niet altijd juist in het weergeven van den tekst, met het oog op den tijd, waarin zij ontstond, voortreffelijk worden genoemd. Van Wilson’s werk verscheen een Duitsche vertaling van O. L. B. Wolff, een Fransche van Langlois.
Deze laatste diende tot grondslag voor een tooneelbewerking in verzen door de dichters Méry en Gérard de Nerval, welke den 13den Mei 1850 voor de eerste maal in het Odéon werd opgevoerd en een twintigtal herhalingen beleefde. Hoewel geprezen om haar poëtische verdiensten, wijkt deze derdehandsche bewerking te zeer af van het Indische origineel, om op den naam van vertaling uit het Sanskṛt aanspraak te mogen maken.
Tien jaar later verscheen de eerste rechtstreeksche vertaling in het Fransch, van de hand van Hippolyte Fauche; van deze zegt Böhtlingk12: „(Sie) ist wie Alles, was der unermüdliche Fauche übersetzt hat, überaus mangelhaft.”
Even ongunstig is het oordeel van Paul Regnaud, die in 1876 een nieuwe [XI]Fransche vertaling het licht deed zien, die door juist weergeven van den Sanskṛttekst, als zuiver wetenschappelijke vertaling een hooge plaats inneemt. Regnaud’s werk, waarin de verzen doorloopend in proza worden weergegeven, is van uitvoerige aanteekeningen voorzien, waaronder belangrijke uittreksels zijn opgenomen uit den commentaar van den Mahratschen geleerde Lallâ Dîkshita.
Ten slotte zij nog vermeld een tweede tooneelbewerking van Victor Barrucand, in vijf bedrijven en geheel in proza, die met het Indische stuk niet veel meer dan den titel en het verhaal gemeen heeft13.
De eerste rechtstreeksche Duitsche vertaling was die van Otto Böhtlingk, welke, kort na die van Regnaud verschenen, als wetenschappelijke vertaling, zich uitsluitend ten doel stellende het nauwkeurig weergeven van het origineel, onovertroffen is, echter juist daardoor zich niet eigent tot verbreiding in ruimeren kring.
Hiertoe leende zich veeleer de smaakvolle vertaling van Ludwig Fritze, ook van elders als uitstekend vertolker der Indische poëzie bekend; zijn geheel metrische overbrenging, ongeveer gelijktijdig met Böhtlingk’s vertaling ontstaan, kon zich nog een vergelijking met deze ten nutte maken.
Hoewel na deze beide vrij overbodig, verscheen nog een Duitsche bewerking van Dr. H. C. Kellner, geheel in proza, met uitzondering van enkele berijmde verzen. Vertaler stelt zich ten doel, het Indische stuk in al zijn levendigheid van taal weer te geven en voor Duitsche lezers zoo verstaanbaar mogelijk te maken, maar vervalt daardoor vaak tot een wijze van zeggen, die zijn werk eerder een parodie dan een vertaling van de Mṛcchakaṭikâ doet schijnen14.
Nog zij een Duitsche tooneelbewerking genoemd van Emil Pohl, die, te oordeelen naar hetgeen Dr. Kellner in de inleiding zijner vertaling daaromtrent mededeelt, mij niet dien uitbundigen lof schijnt te verdienen, waarmede zij te zelfder plaatse wordt vereerd15 en een verkorte bewerking van Michael Haberlandt, door Kellner in zijn „Schlussbemerkung” vermeld.
De Mṛcchakaṭikâ werd in het Russisch vertaald door Caj. Kossowitsch, in het Deensch door E. Brandes en in het Italiaansch door Michele Kerbaker16.
Waar nu mijn plan was, deze reeks van vertalingen met een Nederlandsche te vermeerderen, kwam het mij voor, dat noch een proza-vertaling, als van Böhtlingk en Regnaud, noch een geheel metrische, als van Fritze, een juisten indruk kan geven van het origineel, en dus de afwisseling van gebonden en ongebonden stijl, zoo kenmerkend voor het Indisch drama, ook in de vertaling [XII]moest blijven bewaard; bij het weergeven der poëtische gedeelten was mijn streven de oorspronkelijke metra, zooveel mogelijk, te behouden17.
Tot grondslag van deze vertaling diende de uitstekende uitgave van A. F. Stenzler (Bonn 1847) met gebruikmaking van de laatste Calcutta-editie (1891), bezorgd door den Pandit Jîvânanda Vidyâsâgara18.
Een nauwkeurige vergelijking van mijn vertaling met die van Böhtlingk gaf niet zelden tot verandering van inzicht aanleiding; ook de vertalingen van Fritze, Regnaud en Wilson werden, hoewel niet geregeld, door mij geraadpleegd.
Van alle plaatsen, waar ik een andere lezing boven die van Stenzler verkoos, als ook van die, waar mijn vertaling belangrijk van die van Böhtlingk afwijkt, wordt in de Aanteekeningen mededeeling gedaan en zooveel mogelijk rekenschap gegeven. Onder „Noten” heb ik vereenigd, wat mij voor den lezer tot goed begrip noodzakelijk scheen19.
En thans, nu ik met dit proefschrift mijn academie-jaren hoop te besluiten, voel ik mij gedrongen, mijn hartelijken dank te betuigen aan hen, die gedurende dien tijd mijn studie hebben geleid en mij voorgelicht met hunne kunde en ervaring.
Allereerst zij een woord van dankbare herinnering gewijd aan de nagedachtenis van prof. Allard Pierson, wiens aangenaam onderricht, uitgebreide kennis en groote voorkomendheid hem onvergetelijk maken voor allen, die het voorrecht hadden, hem te kennen.
Aan U, hooggeleerde heeren, C. C. Uhlenbeck, J. te Winkel, H. C. Rogge, J. Verdam, C. M. Kan en A. H. G. P. van den Es mijn welgemeenden dank voor uw wetenschappelijke leiding niet alleen, maar ook voor de blijken van belangstelling en vriendschap, die ik zoo menigmaal ondervond en in ’t byzonder aan U, mijn hooggeachte promotor, prof. C. C. Uhlenbeck, onder wiens leiding ik de taal en litteratuur van Indië leerde kennen en liefhebben, wiens raad en bijstand aan dezen arbeid zoozeer ten goede kwam.
Ook den Leidschen hoogleeraar Dr. H. Kern breng ik mijn byzonderen dank voor de groote welwillendheid mij betoond; moge het Z.H.G. niet berouwen, een reeds aangevangen vertaling van de Mṛcchakaṭikâ ter zijde te hebben gelegd met het oog op mijn arbeid.
Mijn dank ook den heer F. Hart Nibbrig, die de teekening der hoofden en vignetten bereidwillig op zich nam en deze niet gemakkelijke taak op zoo uitstekende wijze voleindde en aan allen, die op eenigerlei wijze mij bij de totstandkoming van dit werk hun hulp en medewerking hebben verleend. [XVI]
1 Çakuntalâ of het Herkenningsteeken. Indisch tooneelspel in 7 Bedrijven van Kâlidâsa. Uit het Sanskriet vertaald door Dr. H. Kern. Haarlem 1862. ↑
2 Danseres en Koning. Mâlavikâ en Agnimitra. Tooneelstuk van Kâlidâsa. Uit het Sanskrĕt vertaald door Dr. J. van der Vliet. Haarlem 1882. ↑
3 Voor uitvoeriger inlichting raadplege men:
H. H. Wilson. Hindu Theatre (3d Edition, London, 1871).
Sylvain Lévi. Le Théatre indien (Paris, 1890).
Leopold von Schröder. Indiens Literatur und Cultur (Leipzig 1887). Vorlesung 41–45.
Ernst Windisch. Der griechische Einfluss im indischen Drama (Abhandl. des 5ten Orientalisten-Congresses, gehalten zu Berlin im Sept. 1881). ↑
5 Zoo door Wilson, H. Tb.3 I, 5–9; Windisch gr. Einfl. p. 12 en Dr. Camillo Kellner. Einleitende Bemerkungen zu dem indischen Drama „Mṛicchakaṭikâ”. p. 2–3. ↑
9 In de Inleiding tot „Rudrata’s Çṛn̄gâratilaka and Ruyyaka’s Sahṛdayalîlâ” (Kiel 1886) p. 16 vlg. ↑
10 Van dit werk (uitgeg. door Wilson in 1846 en door Georg Bühler en Peter Peterson, Bombay Sanskrit Series No. X & XLII, in 1873 en 1891) vindt men twee stukken, vertaald door P. A. S. van Limburg Brouwer, in de Gids van 1867 (III, 211) en van 1868 (III, 217) onder den titel: „De avonturen van een Indisch edelman” en „Eene schoonheidskuur”. ↑
13 In deze bewerking werd het stuk in den winter van 1895 door het gezelschap „L’Œuvre” te Parijs en ook te Amsterdam ten tooneele gebracht. ↑
14 Bij Kellner geeft de Vidûshaka zijn hart lucht door uitroepen als: „Haha, kuriose Geschichte das!” (p. 89) of „Potz Tausend” (p. 91); de Cândâla’s spreken plat-Duitsch; Vasantasenâ heet „das gnädige Fräulein” (p. 120). ↑
15 Naar deze tooneelbewerking had in December 1893 in het Königl. Schauspielhaus te Berlijn een opvoering plaats, die, naar ik van ooggetuigen verneem, grooten bijval vond. ↑
16 Een lijst der mij bekende vertalingen der Mṛcchakaṭikâ met de volledige titels vindt men onder „Aanteekeningen”. ↑
17 Ook door Dr. H. Kern en door Dr. J. van der Vliet werd in hunne vertalingen het verschil tusschen proza en poëzie behouden; in de Çakuntalâ-vertaling van Dr. Kern vindt men ook op enkele plaatsen navolgingen van Indische metra. Over mijn behandeling dier metra zie men overigens onder „Aanteekeningen”. ↑
| ‡ Tooneelleider | } | in het Voorspel. |
| Tooneelspeelster |
| Karnapûraka | } | Slaven van Vasantasenâ. |
| Kumbhîlaka |
| Vîraka | } | Hoofdlieden der Stadswacht. |
| Candanaka |
Het stuk speelt te Ujjayinî. [XV]
De met ‡ onderscheiden personen spreken Sanskṛt, de overige Prâkṛt; dit verschil van taal moest in de vertaling noodzakelijk wegvallen.
Over den uitspraak der Sanskṛt-woorden het volgende:
| a | uit te spreken als | Ndl. | a (in man) |
| â (′A) | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | aa (in maan) |
| i | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | ie |
| u | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | oe |
| ṛ | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | er (in bakker) |
| g | uit,, te,, spreken,, als,, | Fr. | g (in gare) |
| c | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl. | tsj |
| ch | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | tsjh |
| j | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | dzj |
| y | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | j |
| v | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | w |
| ç | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | sj (palataal) |
| sh | uit,, te,, spreken,, als,, | Ndl.,, | sj (linguaal) |
| s ook tusschen vocalen scherp uit te spreken. | |||
(De lingualen alsmede gutturale en palatale n zijn alleen in de Aanteekeningen aangegeven.)
I.
Op onvoldoende gronden wordt door Richard Pischel (Rudraṭa’s Çṛn̄gāratilaka, p. 16 vlg.) aan Daṇḍin het auteurschap der Mṛcchakaṭikā toegekend.
II.
Uit de Mṛcchakaṭikā is geenerlei bewijs te putten voor Griekschen invloed op het Indische drama (zie: Ernst Windisch. Der griechische Einfluss im indischen Drama, passim).
III.
Ongetwijfeld is de Mṛcchakaṭikā als het werk van één dichter te beschouwen (zie: Joh. Huizinga. De Vidūshaka in het Indisch tooneel, p. 143 vlg.).
IV.
In Mṛcch. (ed. Stenzler) 28:1 is de lezing aṇavagahido (door Böhtlingk geëmendeerd tot aṇavagâhido) te behouden.
V.
In Mṛcch. (ed. Stenzler) 36:10 is in plaats van dhaṇikâdo te lezen: dhaṇâdo.
VI.
In Mṛcch. (ed. Stenzler) 45:24 is in plaats van dâsîeutto te lezen: dâsîeuttaṃ.
VII
In Mṛcch. (ed. Stenzler) 109:4 is in plaats van pṛthutarasamavakshâs te lezen: pṛthutarusamavakshâs.
VIII.
Terecht meent Oscar Peschel (Gesch. der Erdkunde 2, p. 12), dat de kennis der Grieken van Voor-Indië tijdens Ptolemaeus aanmerkelijk grooter was dan die van Gerard Mercator in het einde der 16de eeuw.
IX.
Het bestaan van een handelsweg van Pāṭaliputra (Παλι(μ)βόθρα) over Tibet naar China moet waarschijnlijk reeds tegen het einde der tweede eeuw vóór Chr. en zeker in de eerste eeuw na Chr. worden aangenomen.
X.
Tot het verval van het Romeinsche rijk heeft de uitgebreide handel op Voor-Indië tijdens het Keizerrijk in hooge mate bijgedragen.
XI.
Door het vestigen van den alleenhandel in den Oost-Indischen Archipel hebben de Nederlanders ten zeerste medegewerkt tot uitbreiding der Britsche macht in Voor-Indië.
XII.
Het ontslag van Dupleix mag als voornaamste oorzaak van den ondergang der Fransche heerschappij in Dekhan worden beschouwd.
XIII.
Het is wenschelijk, dat bij het historisch onderwijs op Gymnasia en Hoogere Burgerscholen de geschiedenis der 19de eeuw meer op den voorgrond trede.
XIV.
De Roman van Walewein is te beschouwen als een oorspronkelijk Nederlandsch werk.
XV.
Jonckbloet’s ongunstige beoordeeling van den Geeraerdt van Velsen (Gesch. der Nederl. Letterk. 4 Dl. III, p. 210 vlg.) berust op een misvatting omtrent den held van dat stuk.
XVI.
Madelghijs’ Kintsheit (ed. De Pauw) B, 141 vlg. staat:
Maer lief, ghine sijt geen calant
Loos, fel no ongewetich,
Ne ware ter doget so gepetich,
Dat in iou nes geen lac.
l. Loos, fel no ongevredich,
Ne ware ter doget so gebedich,
XVII.
Madelghijs’ Kintsheit (ed. De Pauw) B, 169 vlg. staat:
[Athenoer]
Staet buter stat van Rosefloer
Naect gebonden an sinen mast
Ende hout emmer die kerse vast
Als .i. man die staet in trans,
Al omtrent hem .i. dans
Van naecten ridders dare .c. es an,
l. Al sine man die staen in crans,
XVIII.
Madelghijs’ Kintsheit (ed. De Pauw) B, 227 vlg. staat:
Deen vel over side, dandre over rig,
Die derde over sinen buuc.
Daer was .i. groot gejuuc,
Dat si hem allen naect vonden.
l. gehuuc.
XIX.
Madelghijs’ Kintsheit (ed. De Pauw) E, 78 vlg. staat:
Dese cuere es harde cranc;
Ic en weets u gheenen danc,
No ic en ben beraden niet
Dat ic u hier af gave yet.
Wildijs mi al up verlaten,
So weet ic danc der baten
l. Wildijs mi al verlaten,
So weet ic u danc ter baten
XX.
Van de in het Kudrun-lied genoemde plaatsnamen zijn alleen Friesen, Tenelant (Tenemarke, Tenerîche), Wâleis en Wülpensant (Wülpenwert) in Nederland te localiseeren. [1]