[Inhoud]
De zilveren apostel.

De zilveren apostel.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN GOEDE VANGST.

In een kleine kamer van het havenhotel te Boulogne sur Mer zaten op een kouden, regenachtigen Novemberavond lord Lister, alias Raffles, en zijn assistent, Charly Brand.

Zij waren bezig, hun handkoffers in orde te brengen, daar Raffles van plan was met de nachtboot van de Holland-Amerika-lijn, de „Amsterdam”, naar New-York te stoomen.

„Die Amerikanen hebben genoeg bij elkaar gestolen,” zeide hij, tot Charly Brand, „het wordt tijd, dat ik hun geweten, namelijk hun geldzakken, eens wat verlicht.”

Om elf uur des avonds kwam de kellner de kamer binnen en meldde, dat de stoomboot in zicht was.

„Hoe lang duurt het nog, voordat de boot aankomt?” vroeg de Groote Onbekende.

„Nog ongeveer een uur; dan is ze de haven goed en wel binnengeloopen. Hebt ge nog iets te bestellen, mr. Green?”

„Neen, dank je!”

De bediende verliet de kamer.

Lord Lister, alias Raffles, had zich in het vreemdelingenboek, onder den naam van een zekeren mr. James Green uit Schotland ingeschreven en wilde ook onder dezen naam naar Amerika reizen.

„Wat denk je in New-York uit te voeren?” vroeg Charly Brand in gespannen aandacht.

„Dat zal de toekomst wel leeren,” antwoordde lord Lister, „het is zoo mijn gewoonte om nooit vooruit plannen te maken, maar de dingen er opaan te laten komen.”

„Heb je daarginds misschien kennissen?”

„O, ja,” lachte Raffles, „een uitstekenden kennis. Bij mijn laatste bezoek in Windsor-club te Londen [2]wisselde ik toevallig mijn pelsjas met die van den hertog van Rochester. De ruil was aan den eenen kant slecht, want mijn pels was veel kostbaarder dan de zijne, maar aan den anderen kant werd ik weer schadeloos gesteld. Ik vond in den binnenzak een brief van den Amerikaanschen milliardair Whitney, waarin deze den hertog meedeelt, dat hij gaarne bereid is den ander toe te staan om te gaan jagen op de velden van mr. Whitney. Uit den brief was te begrijpen, dat de heeren elkander niet persoonlijk kenden. Voorts vond ik in de zakken van de pels de kaart van lidmaatschap van den Hertog van de Windsor-club en verscheiden andere visitekaartjes! Ik ga dus mr. Whitney opzoeken om, als hertog van Rochester door hem in de voorname kringen van Amerika te worden geïntroduceerd. Maar, ik zal mr. Whitney vragen, of hij mijn incognito wil bewaren en mij door hem laten voorstellen als mr. Green.”

„Een uitstekend idee,” meende Charly Brand, „daar kan wat van worden!”

„Voordat wij afreizen,” vervolgde lord Lister, „wil ik nog een grapje hebben met de Amerikaansche kranten. Ik zal een stuk of wat briefkaarten naar de redacties van verscheiden bladen sturen en daarop meedeelen, dat ik in Amerika zal komen om daar mijn sport te beoefenen, namelijk millioenen veroveren.”

„Dat lijkt mij gevaarlijk,” meende Charly Brand, „de Amerikanen zijn slim en je brengt je maar onnoodig in moeilijkheden.”

„Hoe gevaarlijker, hoe beter,” lachte John Raffles,

„’t begon me al te vervelen, zoo zonder een greintje humor.”

Toen ging hij aan een tafel zitten, stak een sigaret op en schreef verscheiden briefkaarten van den volgenden inhoud aan de redacties van New-Yorker bladen:

Zeer geachte Heer Redacteur!

Door dezen heb ik de eer u mee te deelen, dat het mij een groot genoegen zal doen, eerstdaags een aanslag te ondernemen op de gevulde geldzakken van de millionnairs in uw stad. Maak dit bericht alstublieft door middel van uw krant aan uw lezers bekend. Ook zal ik niet in gebreke blijven, u voortdurend nadere berichten te zenden omtrent mijn doen en laten.

Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.”

Daarna stond hij op, maakte zich reisvaardig en verliet het hotel. Voordat Raffles echter naar de haven ging, liep hij naar het station en gaf de briefkaarten af in den postwagen van den voor Parijs gereed staanden sneltrein.

„Waarom geef je die kaarten voor Parijs af?” vroeg Charly Brand verbaasd, „ik dacht, dat ze voor New-York bestemd waren.”

„Zeker, maar nu komen ze eerst in Parijs en worden daar gestempeld, voordat ze uit een Fransche haven, waarschijnlijk Le Havre, naar New-York verzonden worden. Dan is men het rechte spoor al kwijt. Op dergelijke kleinigheden dient juist bijzonder gelet, want juist daarover struikelen meestal de grootste mannen.”

Even later ging het tweetal met de overige passagiers aan boord.

Op den tweeden dag der zeereis, toen Raffles na het diner met Charly Brand in een stil hoekje van den rooksalon zat, zei eerstgenoemde:

„Heb je gelet op dien heer, die ons voortdurend begluurt?”

„Meen je mr. Robinson?”

„Juist. Ik bedoel mr. Robinson die op de passagierslijst als portretschilder staat ingeschreven en in hut no. 3 logeert. De man is net zoo min portretschilder als de kapitein van dit schip een gestudeerde professor is.

„Hij ziet er meer uit als een koopman of als—” Raffles zweeg eenige seconden en keek nadenkend naar den rook van zijn sigaret.

Toen vervolgde hij op fluistertoon: „als iemand van Scotland Yard.”

Verschrikt keek Charly Brand zijn vriend aan. [3]

„Van Scotland Yard? Een Londensch detective dus?”

„Ja zeker. En ik wil dadelijk de proef op de som nemen. Ga eens mee aan dek!”

Het tweetal verliet de rookkamer en ging naar boven, waar lord Lister op mr. Robinson toetrad.

„Wel, gentleman,” sprak hij hem aan, „mijn naam is James Green uit Schotland. Ik las in de passagierslijst, dat ge een kunstenaar zijt, een portretschilder. Ik zou het een alleraangenaamste tijdpasseering vinden, als gij tijdens den overtocht een portretstudie van mij zoudt willen maken. Ik wilde dat dan als geschenk geven aan een vriend, die gauw jarig is en ik ben niet ongenegen om een goede som te betalen.”

Mr. Robinson, een klein persoon met vollen, zwarten baard, scheen nogal zenuwachtig van aard. Hij trommelde met zijn vingers op de borstwering en antwoordde:

„’t Spijt me, mr. Green, dat ik uw wensch niet kan vervullen, want mijn schildersgereedschap is ingepakt en ligt beneden in het ruim.”

„Dat hindert niet,” antwoordde Raffles, „als ge den kapitein vertelt, dat ge uw gereedschap graag zoudt willen hebben, laat hij het natuurlijk dadelijk naar boven halen.”

„Neen, neen,” wierp mr. Robinson tegen en hij trommelde nog steeds met z’n vingers.

„Ik heb ergen last van zeeziekte en wil tijdens den overtocht liever niet werken.”

„Dan spijt het mij, dat ik u ben lastig gevallen!”

Raffles boog en ging met Charly Brand terug naar den rooksalon.

„Hij is geen schilder,” fluisterde lord Lister tot zijn vriend, „dat zijn allemaal uitvluchten. Maar ik wil vandaag nog weten, wie die persoon is. Hij beloert ons vanaf het oogenblik, dat wij aan boord zijn. Als het een detective is, dan is hij al heel ongeschikt voor zijn baantje, want zijn systeem om iemand gade te slaan is veel te doorzichtig. Nu zal ik de rollen eens omkeeren en hem eens nauwkeurig nagaan.”

Hij ging weer aan dek en nam plaats in de buurt van mr. Robinson, die nog altijd over de borstwering geleund stond. Van tijd tot tijd keek hij eens naar hem met scherpen blik.

Raffles zag, dat de zoogenaamde schilder dit merkte en dat hij er zenuwachtig en onrustig door werd.

Eenige minuten later verliet mr. Robinson zijn plaats en ging naar de andere zijde van het schip.

Raffles stond eveneens op en volgde hem.

Oogenschijnlijk geheel toevallig ging hij weer in de buurt van den ander zitten en nu bemerkte hij, dat mr. Robinson nog zenuwachtiger was dan te voren.

Waarheen de ander echter ook zijn schreden richtte, Lord Lister volgde hem als een schaduw en verloor hem geen seconde uit het oog.

De avond viel.

Raffles onderhield zich met Charly Brand in zijn hut, daar het onstuimige weder thans geen verblijf aan dek toeliet.

Tegen 11 uur gingen beiden oogenschijnlijk slapen ….

Het was een seconde na middernacht, toen Raffles de deur van zijn kajuit zachtjes opende, en door de gang sloop.

Voorzichtig speurde hij rond, of hij geen der stewards bemerkte. Zonder dat men hem had opgemerkt kwam hij aan dek, en kroop toen als een slang voorwaarts, totdat hij bij hut no. 3 kwam, waarin mr. Robinson sliep, voor wien dit nachtelijk bezoek bestemd was.

Lord Lister wilde namelijk probeeren, of hij niet eenige papieren kon te pakken krijgen, waaruit zou blijken, wie die mr. Robinson feitelijk was.

Hij opende met een eenvoudigen looper de deur van de hut, en trad de donkere ruimte binnen.

Toen sloot hij voorzichtig de deur achter zich, en luisterde eenige seconden naar de rustige ademhaling van den slapende.

In hetzelfde oogenblik werd het schip hoog opgeheven door een geweldige golf, zoodat het op zijde werd geslingerd.

Mr. Robinson richtte zich op met een onderdrukten [4]kreet, en toen zag hij, dat een vreemde zijn hut was binnengeslopen.

Lord Lister zag dat slechts tegenwoordigheid van geest hem kon redden en nog voordat de verraste man iets had kunnen zeggen, begon hij met luider stem:

„Wel mr. Robinson, ge schijnt heel vast te slapen?”

Deze draaide dadelijk het electrische licht op en herkende toen John C. Raffles.

De laatste zag, dat het gelaat van Robinson van angst en schrik geheel verwrongen was.

„Kleed u aan,” sprak lord Lister, „ik ben van plan u met mij mee te nemen.”

Raffles meende hier mede, dat hij hem mede wilde nemen naar den speelsalon, om daar nog een spelletje te kaarten.

Maar mr. Robinson legde het heel anders uit.

Bleek van schrik leunde hij in de kussens en fluisterde:

„Dus toch!”

Toen zag lord Lister, die te vergeefs op een antwoord wachtte, hoe mr. Robinson met bevende hand onder zijn hoofdkussen greep, en een revolver te voorschijn haalde.

Reeds wilde Raffles als een tijger op hem springen, om hem het wapen te ontrukken, toen hij tot zijn groote verbazing zag, dat mr. Robinson den loop van de revolver tegen zichzelf richtte en wilde afdrukken.

Bliksemsnel sloeg Raffles hem het wapen uit de hand.

En nu begreep hij ook, dat zich achter den naam Robinson geen detective, doch een nog onopgelost geheim verborg.

„Zijt gij gek geworden,” riep Raffles. „Het leven van een mensch is veel te kostbaar om er zoo roekeloos mee om te springen.”

Met starenden blik keek Robinson hem aan, en met heesche stem sprak hij:

„Wat geef ik nog om mijn leven, nu gij mij hebt gevangen genomen?”

Een zegevierend lachje flitste een oogenblik in de oogen van lord Lister, toen hij begreep, dat Robinson hem voor een detective had gehouden en hem ook als zoodanig vreesde.

„Kom aan,” sprak hij, nieuwsgierig naar den afloop der zaak, „ik ben geen onbarmhartige kerel, en wel bereid met u te onderhandelen.”

Hij ging op de sofa zitten, en stak op z’n doode gemak een sigaret op.

„Steek ook een op”, sprak hij tot mr. Robinson. „Dat zal uw zenuwen wat doen bedaren. Ge ziet er uit, alsof gij katterig zijt.”

Hij bood mr. Robinson zijn koker, en deze bediende zich met bevende handen.

Nadat hij een paar trekjes gedaan had, sprak hij:

„Ik vermoedde al van het eerste oogenblik af, toen ik dit rampzalige schip betrad, dat men mij hier zou arresteeren.”

Raffles lachte, en antwoordde:

„Je moet er verstand van hebben om er vandoor te gaan, beste kerel. Je moet geen oogenblik denken, dat men je zou kunnen arresteeren. Dat ontneemt iemand alle kalmte.”

„Ik kon onmogelijk kalm zijn,” antwoordde mr. Robinson, „ik heb geen stalen zenuwen.”

„Dan hebt ge een verkeerd beroep gekozen.”

„De duivel lokte mij, toen ik de kas stal, en er mee vluchtte,” zuchtte de andere.

„Hoeveel hebt ge reeds van het geld gebruikt?”

„Op zijn hoogst 500 gulden.”

„Begin nu eens met mij dat geld te geven, dan spaart ge me de moeite van het zoeken. Waar is het verborgen?”

„Daar ginds in het kleine handkoffertje.”

Raffles nam het koffertje, liet zich een sleutel geven, en opende het.

Het zat vol bankpapier.

„Laat ons eens gaan tellen,” zei Lister, en hij begon de pakjes uit te spreiden op het bed van mr. Robinson.

Tegelijkertijd las hij op de strookjes, die om de stapeltjes banknoten zaten, dat het geld afkomstig [5]was van een spaarkas; en dat het kapitaal dus was bijeengebracht door kleine luyden.

„Door het verlies van dit geld, zijn vele arme menschen ongelukkig geworden,” sprak Raffles, „en ik geloof, dat het in het belang van de benadeelden is, dat zij het geld terugkrijgen, en dat gij achter slot en grendel gaat.”

„Ach waarde heer,” sprak de ander, „ik ben volkomen bereid, om al de gestolen gelden terug te geven, als men mij maar mijn vrijheid laat behouden. Ik zou dan trachten in Amerika een nieuw leven te beginnen.”

Raffles deed de banknoten, die een waarde van ongeveer honderdduizend gulden vertegenwoordigden, weer in den koffer, en zei:

„Ik zal u eens wat zeggen. Hier hebt ge nog duizend gulden, het overige geld zal ik in uw tegenwoordigheid door den kapitein van het schip naar de bestolen Bank laten terugzenden.”

Een blos van genoegen kleurde het gelaat van mr. Robinson, en hij stamelde:

„Gij—gij wilt dat doen?—en mij niet in hechtenis nemen?”

„Neen,” sprak Raffles, „daar zie ik vanaf, ik laat u loopen. Ga nu slapen en beter uw leven.”

Hij nam het handkoffertje met het geld, en verliet de hut.

Toen hij de zijne weer binnen trad, wachtte Charly Brand hem daar op met bezorgd gelaat.

„Nu?” vroeg hij hem.

Lord Lister lachte, opende den handkoffer en liet Charly Brand de banknoten zien. Toen sprak hij tot den verbaasden jongen man:

„Dat is de inhoud van een koffer van den door mij zoo zeer gevreesden detective: een voortvluchtig kassier! Merkwaardig met welke menschen mijn beroep mij niet alzoo samenbrengt.”