In het weelderig ingerichte clubgebouw van de Player Club in het Gramercy-Park te New-York zat een groot aantal leden na afloop van het diner in de bibliotheek bijeen, om daar bij een kopje koffie een sigaar of sigaret te rooken.
De leden van deze Amerikaansche club waren allen personen uit den eersten stand.
Vorsten konden zich niet beter laten bedienen dan deze mannen, die hooggeplaatst waren in de maatschappij door de kolossale vermogens waarover zij hadden te beschikken, of door den rang, dien zij innamen op kunst- of wetenschappelijk gebied.
Op dezen avond waren de gesprekken bijzonder levendig, daar de couranten gemeld hadden, dat de in Engeland zoo geroemd geworden lord Lister, die onder den naam John C. Raffles het inbrekersvak als sport beoefende, naar Amerika was overgestoken, en dit zelf den couranten had meegedeeld! [6]
Mr. George Bennet, de beroemde journalist, had thans het woord genomen, en zei tot de om hem zittende clubgenooten:
„Deze man bezit een ongekende brutaliteit. Maar ik twijfel er toch aan, mijne heeren, of deze vogelvrij verklaarde Engelsche lord het verder brengen zal, in aanmerking genomen de voortreffelijke inrichting van onzen Amerikaanschen speurdienst, dan dat hij zijn studies over de kunst om in te breken zal kunnen voortzetten, gedurende meerdere jaren in onze groote strafgevangenis voor inbrekers, de welbekende Sing-Sing.”
De toehoorders schenen deze meening niet geheel te deelen. Men redeneerde over en weer, en juist op het oogenblik toen op echt-Amerikaansche wijze weddenschappen werden aangegaan over het al of niet slagen van John C. Raffles, trad mr. Whitney, de beroemde Amerikaansche renner en milliardair, de bibliotheek binnen, vergezeld van een vreemdeling.
De heeren werden met groot gejuich begroet.
Mr. Whitney stelde zijn metgezel, die een zeer voornamen en gedistingeerden indruk maakte, voor als zijn vriend, mr. Green uit Schotland, die, daar hij een hartstochtelijk jager was, van plan was om met Teddy Roosevelt samen op zwarte beren te gaan jagen.
De clubleden gaven den heer Green op vriendschappelijke wijze de hand en niemand van hen was zoo onopgevoed om te vragen, wie deze mr. Green was, waar hij woonde en of hij vermogen had.
De introductie door den bekenden milliardair maakte immers alle verdere vragen overbodig.
Al heel spoedig wendde mr. Bennet zich tot mr. Whitney en vroeg hem:
„Hebt ge in de middagedities het opzienbarende bericht gelezen over het te verwachten bezoek van den Engelschen gentlemandief, John C. Raffles?”
„O yes,” antwoordde de gevraagde, „ik las het bericht en ik moet eerlijk bekennen, dat het mij een groot genoegen zal zijn, kennis te maken met dien genialen inbreker. Ik hou van zulke dingen.”
Mr. Villard, de uitgever van de „Evening Post” antwoordde hierop:
„Wij waren juist bezig, eenige weddenschappen aan te gaan over het al of niet slagen van dezen Raffles. Ik beweerde, dat onze Amerikaansche detectives wel geen haartje slimmer zullen zijn dan hun collega’s in Londen. Ik geloof dat iemand, die zich met hart en ziel op de inbrekerskunst toelegt, daarin kan bereiken wat hij maar verlangt.”
„Maar niet bij de alom bekende handigheid van onze detectives,” antwoordde mr. Bennet.
Mr. Whitney lachte.
„Ge vergist u”, zei hij, „ge beoordeelt onze detectives veel te gunstig en als ge eens goed de verschillende gevallen nagaat, dan zult ge tot de conclusie komen, dat over het algemeen de inbrekers met veel meer succes werken dan de detectives.”
Nadat allen eenige oogenblikken gezwegen hadden, vervolgde mr. Bennet:
„Ik zal mijn heelen staf verslaggevers er op uitsturen en het zou mij al heel erg verbazen, als wij hem niet snapten, als de detectives daartoe onbekwaam zouden blijken.”
„Voordat er aan het werk wordt getogen, moeten wij toch wel weten, hoe hij er uitziet.”
„En voorts”, vervolgde Villard, „dat men weet, waar Raffles zich ophoudt. Ik voor mij ben er ook nog niet van overtuigd, dat men hem zal pakken.”
Mr. Bennet werd boos.
Hij was gewoon om alles door te zetten, waar hij zijn zinnen op had gezet. En men kon het dezen kop op den breeden stierennek wel aanzien, dat hij niets ongedaan zou laten om zijn doel te bereiken.
„Bovendien,” lachte mr. Whitney, „zou het inderdaad jammer zijn, als een eind werd gemaakt aan het werk van Raffles, doordat op de een of andere manier zijn daden uitlekten. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij nog zelden zoo opgewonden en tegelijkertijd zoo vermaakt heb als bij het lezen van zijn daden.”
„Mooie levensbeschouwingen”, mompelde Bennet en [7]zenuwachtig kauwde hij op de punt van zijn havanna.
„En hoe denkt men bij u over Raffles?” vroeg mr. Whitney nu aan mr. Green, „ge komt immers, uit de Engelsche metropool en zijt lid van de Windsor-club.”
Bij den naam Windsor-club keken allen met levendig gebaar naar mr. Green, die zich totnogtoe wat op den achtergrond had gehouden.
De Windsor-club was naar Engelsche opvattingen de voornaamste der wereld, waartoe leden van het Koninklijk huis en personen uit de hoogste aristocratie behoorden. De club telde slechts zestig leden en toen men hier hoorde, dat mr. Green daarvan lid was, begrepen alle aanwezigen, dat zich achter dezen naam een voornaam personage verborg.
Eerbiedig zwijgen heerschte, toen mr. Green wat nader trad, zijn monocle uit het oog liet vallen en tot mr. Whitney zei:
„Wij denken er in Windsor-club net zoo over als gij, mr. Whitney. Wij interesseeren ons bijzonder voor de eigenaardige sport van dezen man en wij hebben zelfs eens het genoegen gehad, hem op een avond plotseling in ons midden te zien.”
Groote verbazing volgde.
„En hebt ge hem niet vastgehouden?” vroeg Bennet.
Mr. Green lachte.
„Dat was niet mogelijk, mr. Bennet, want wij hoorden pas, wie onze gast was, toen hij ons verlaten had.”
„Een mooie gast,” riep Bennet uit, „hoeveel horloges en portefeuilles had hij meegenomen?”
„Pardon. Er werd dien avond gecollecteerd voor de weduwen en weezen van verdronken zeelieden en slechts daarvoor verscheen mr. Raffles in onze club.”
„Kolossaal”, lachte mr. Bennet, „hij is er dus met de ingezamelde gelden vandoor gegaan? Hoeveel duizend pond was er?”
De slanke, gespierde gestalte van den Engelschman rekte zich elastisch. Hij klemde het monocle weer in het oog en keek mr. Bennet eenige oogenblikken scherp aan. Toen antwoordde hij:
„Ge vergist u, mr. Bennet. De verschillende clubleden teekenden voor duizend pond en John C. Raffles overhandigde ons toen nog daarbij hetzelfde bedrag. Hij maakte ons gewoonweg beschaamd …”
„Allemachtig!” stiet Bennet uit.
„En hoe werdt ge gewaar, dat het John C. Raffles was?” vroeg mr. Villard.
„Heel eenvoudig”, antwoordde mr. Green, „iedere gast schrijft zijn naam in een boek als hij onze club verlaat en als het u belang inboezemt, kunt ge dus de handteekening van dezen gentleman in Windsor-club vinden.”
„Wel,” beweerde mr. Bennet, „de Engelsche bodem moet hem dan toch wel onder de voeten zijn gaan branden. Laat ons hopen, dat zijn bezoek ons niet al te veel kost. En laat ons nu eens een ander onderwerp aanroeren. Stel u eens voor, mr. Whitney, dat ik voor de door mij in Spanje ontdekte Murillo 40,000 dollar invoerrechten moest betalen. De waarde van de schilderij is op meer dan anderhalf millioen dollar getaxeerd.
„Behalve ik bezit alleen nog de paus zoo’n schilderij van dezen beroemden schilder.”
„Als die Murillo maar inderdaad echt is,” zei mr. Whitney, „bij de vele vervalschingen, die in den laatsten tijd zijn voorgekomen — —”
„Neen, neen”, viel mr. Bennet in, „ik heb de schilderij door de beste kunstkenners der wereld laten beoordeelen en zij zijn het er alle over eens, dat de door mij gekochte schilderij een echte Murillo is. Behalve de paus ben ik de eenige, die in het bezit is van zoo’n kostbare Murillo.”
„Pardon”, viel thans mr. Green in, terwijl een spotlach langs zijn gelaat vloog, „het spijt me, mr. Bennet, u te moeten meedeelen, dat ik ook in het bezit van een Murillo ben en wel van een schilderij die zeker waardevoller is dan de uwe.”
Mr. Bennet keek den gast eenige oogenblikken geheel verbluft aan. Toen lachte hij vroolijk en zei:
„Neem me niet kwalijk, mr. Green, als ik lach om [8]hetgeen ge zegt, maar dat klinkt zoo ongeloofelijk, zoo absoluut ongeloofelijk, dat ik, hoe zeer het mij ook spijt, minstens aan de echtheid van uw schilderij twijfel.”
Mr. Green stak een sigaret op, deed een paar trekjes en zei:
„Ge vergist u, mr. Bennet, de echtheid van mijn Murillo is zelfs door den paus niet in twijfel getrokken.”
Zwijgend luisterden de aanwezigen en daar het hier een Murillo gold, was aller belangstelling groot.
„Dat is onmogelijk!” riep mr. Bennet opnieuw uit, „gewoonweg onmogelijk en ik wed om een millioen dollars, dat gij niet in het bezit zijt van een echte Murillo, die meer waarde heeft dan de mijne; de uwe kan slechts vervalscht zijn.”
Allen keken mr. Green vol spanning aan.
Wat zou hij doen?
Doodkalm knipte deze nu de asch van zijn sigaret en zei:
„Allright! Ik neem de weddenschap aan! Al de aanwezige heeren roep ik tot getuige. Wij hebben nu 24 November. Tot den 24sten November van het volgende jaar ben ik bereid in dit clublokaal mijn Murillo ten toon te stellen. Ge houdt uw weddenschap, mr. Bennet?”
„Yes”, antwoordde deze, „ik houd de weddenschap. Natuurlijk moet de verliezer dadelijk de som betalen.”
„Met genoegen!” antwoordde mr. Green en toen tot mr. Whitney:
„Laat ons nu op de jacht gaan, beste Whitney, dat is de aangenaamste tijdkorting totdat ik weer naar Europa moet teruggaan om mijn Murillo te halen.”
„Ik ken,” zei mr. Bennet, „alle Engelsche en Schotsche kasteelen en ik weet, dat daar nergens een Murillo is te vinden, die ook maar het vierde gedeelte van de waarde heeft van mijn schilderij. Er zijn slechts een paar mindere werken van Murillo in omloop. Ik ben er inderdaad nieuwsgierig naar, hoe mr. Green zich hieruit zal redden. Alleen de paus bezit een waardevoller schilderij dan ik.”
„Laat ons den uitslag aan de toekomst overlaten, mr. Bennet”, antwoordde mr. Green, „ik meen u stellig te kunnen verzekeren, en nog wel vandaag, dat ge de gewedde som aan mij moet uitbetalen.”
„Dat is onmogelijk”, riep mr. Bennet uit, die nu alle kalmte had verloren, „dat is zoozeer onmogelijk dat ik zelfs twee millioen in plaats van één wil verwedden!”
En mr. Green nam de verhoogde weddenschap aan.
Om twee millioen! [9]