Mr. Green was, vergezeld van mr. Whitney in diens automobiel naar het Waldorf Astoria hotel gereden, waar hij verscheidene kamers gehuurd had.
De heeren namen op de meest vriendschappelijke wijze afscheid van elkander en mr. Green ging in de lift naar zijn kamers op de tweede verdieping.
Daar wachtte hem een jongeman, die voor den schoorsteen zat te lezen en te rooken.
Toen mr. Green binnentrad, sprong hij op. Nadat de binnengekomene zijn pels had uitgetrokken, ging hij naar de kamerdeur, onderzocht deze en grendelde haar daarna. Toen ging hij naar de aangrenzende slaapkamer, draaide het electrische licht op en doorzocht de kamer met de handigheid van een detective of van een inbreker.
Nadat hij zich ervan overtuigd had, dat niemand was binnengeslopen, luisterde hij aan de muren en zei toen tegen den ander, die voor den schoorsteen zat:
„Ga daar weg, Charly. Die schoorsteenen hebben de fatale eigenschap, dat ze ieder woord als een telefoondraad verder brengen. Laat ons in de slaapkamer gaan!”
Charly Brand stond op en volgde den ander naar de aangrenzende kamer.
Nauwelijks waren zij binnengekomen of hij vroeg:
„Ben je geslaagd?”
„Meer dan dat,” antwoordde mr. Green op gedempten toon. „Het bewijs van lidmaatschap van de Windsor-club, dat ik in de pels van den hertog vond, heeft al schitterende resultaten afgeworpen.—Mr. Whitney, wien ik, zooals je weet, geschreven heb, haalde mij zelf per auto af en bracht mij naar de Player-club.—Hij en zijn vrienden houden mij, John C. Raffles, alias mr. Green, voor een echten Engelschen hertog.—Mijn verhaal over de berenjacht met Teddy Roosevelt versterkte hen nog daarin.—O, Charly, ik verzeker je, dat deze Amerikaansche geldkoningen een slaafschen eerbied koesteren voor alles, wat aristocratisch is of wat zij aristocratisch vinden.—Om kort te gaan, ik maakte in Player-club kennis met de zwaarste geldbuidels van Amerika en ik hoop dat het mij zal gelukken die buidels een beetje lichter te maken.—Voorloopig heb ik vanavond al twee millioen dollar verdiend.—Een heel fatsoenlijk begin, vind je ook niet, Charly?”
„Twee millioen dollar?” herhaalde Charly Brand, „hoe is dat mogelijk?”
„Ik maakte van de gelegenheid gebruik.—Mr. Bennet, de beroemde Bennet, heeft een weddenschap aan mij verloren.—Hij beweerde namelijk de eenige bezitter te zijn van een Murillo ter waarde van anderhalf millioen dollar en ik beweerde, dat ik een Murillo bezit, die dezelfde waarde vertegenwoordigt.”
Raffles lachte en blies rookkringetjes, terwijl Charly Brand hem ten hoogste verbaasd aankeek.
„Ik begrijp er niets van,” sprak hij eindelijk. [10]„Sinds wanneer bezit jij een Murillo?—Ik heb in je villa in Regentpark te Londen nooit zoo’n schilderij gezien.”
„Dat wil ik wel gelooven”, antwoordde Raffles doodkalm, „en als ik nu geen Murillo bezit, dan zal ik over korten tijd wel een hebben. Ik ben van plan naar Rome te gaan en de Murillo, die in het bezit van den paus is, voor eenigen tijd te leenen, om zoodoende mijn weddenschap tegen mr. Bennet te winnen.”
„Maar wat een plan! De uitvoering daarvan is immers totaal onmogelijk!”
Raffles lachte.
„’t Is gewoonweg kinderspel. ’t Is feitelijk beneden mijn waardigheid en om het zaakje nu een beetje aantrekkelijker voor mij te maken, zal ik inspecteur Baxter in Londen van mijn plan in kennis stellen. Dan heeft die tenminste ook nog wat te doen.”
„’t Is volmaakt onmogelijk,” herhaalde Charly Brand. „De Zwitsersche garde van den paus bewaakt het Vaticaan met Argusblik. Hoe zou je zoo’n groot schilderij dan wegbrengen?”
„Laat dat maar aan mij over! En luister nu eens heel nauwkeurig naar mijn plan van arbeiden:
„Ik zal morgen bij Tiffany, den beroemden goudsmid van New-York, een cadeau voor den paus laten maken, waarvan ik nog dezen nacht de teekening zal ontwerpen.”
„Met welk doel laat je dat geschenk maken?”
„Ook dat is mijn zaak. En laat mij nu een half uur met rust, opdat ik dadelijk mijn ontwerp-teekening zal kunnen maken”.
Hij nam een blad papier uit de schrijfmap en begon lijnen te trekken.
Charly Brand zag al heel gauw, dat de teekening een apostel moest voorstellen, op een voetstuk geplaatst, waarop zich in relief vorm verschillende Christelijke symbolen vertoonden.
„Wonderlijk”, zei hij hoofdschuddend.
„Schitterend”, beweerde Raffles en klapte de map dicht, „en nu gaan we slapen.”—
Den volgenden morgen gingen zij naar Tiffany en bestelden daar den apostel naar het ontwerp, dat dien nacht gemaakt was. Het beeld zou van zilver worden vervaardigd, van binnen hol zijn en zonder voetstuk twee meter hoog zijn.
Volgens de teekening had het beeld een wonderlijk model. De mantel van den apostel was ruim geplooid en op den rug van een sluiting voorzien.
Raffles deelde Tiffany mede, dat deze sluiting moest worden aangebracht, opdat men het beeld van binnen met aarde van den olijfberg zou kunnen vullen.
Tiffany was wel gewend, allerlei zonderlinge bestellingen te krijgen en hij beloofde, den apostel voor 8000 dollar binnen acht weken te vervaardigen.
Nog denzelfden morgen verliet mr. Green alias Raffles het Waldorf Astoria Hotel en vertrok naar het landgoed van mr. Whitney.
Hem volgde op den voet een individu wiens aanhankelijkheid Raffles eerst verontrustte, maar later toch ook weer vervroolijkte, daar hij in dezen een detective meende te herkennen.
Tenslotte kwam hij tot de ontdekking, dat hij van dezen persoon niets te vreezen had.
Dat zat namelijk zóó:
Toen het alarmeerende bericht van de komst van Raffles bekend geworden was, had de hoofdcommissaris van politie te New-York eens nagedacht over wat hem wel in dezen te doen stond.
Daarna had hij de detectives Fred Gordon en Oskar Wagner bij zich ontboden en met hen beraadslaagd hoe men wel het allerspoedigst Raffles op het spoor kon komen als deze in Amerika voet aan wal had gezet.
Fred Gordon, een vijftiger, had rustig geluisterd naar alles, wat zijn chef hem mededeelde en doodbedaard had hij daarbij zijn neuswarmertje uitgerookt.
Toen James Pinkerton dan eindelijk klaar was met zijn verhaal, nam Gordon het pijpje uit den mond, schraapte zich eens de keel en zei toen:
„Toen ik het bericht las, maakte ik zoo voor mezelf een plannetje. Voordat ik hierheen kwam, ben ik eens [11]naar de bureaux gegaan van de Bremer Lloyd en van andere stoomvaartmaatschappijen en daar heb ik de passagierslijsten nagezien en gelet op het signalement van een of ander persoon, dat overeenkwam met dat, wat wij van John C. Raffles hebben. Toen viel mij op, dat met de boot van de Holland-Amerika lijn voor vier dagen een passagier is gekomen, zekere mr. Green.”
„En welke verdenking koestert ge tegen hem?”
„Geen enkele. Mijn instinct van detective zei me alleen, dat wij dien heer in het oog moesten houden. Ik heb geïnformeerd en ben te weten gekomen, dat hij zijn intrek heeft genomen in het Waldorf Astoria Hotel en daar eenige van de voornaamste kamers heeft gehuurd.
„Ik ging naar het hotel, liet mij aandienen als bediende van een juweliersfirma en vroeg mr. Green te spreken.
„Maar juist toen ik bij hem zou worden toegelaten, werd mijn plan verhinderd door mr. Whitney.”
„Mr. Whitney?”
Pinkerton vroeg het in de grootste verbazing.
„ja, mr. Whitney. De milliardair schijnt met mr. Green op heel intiemen voet te staan, want ik zag het tweetal al heel spoedig samen het hotel verlaten en in een auto stappen.”
„En dacht je nou misschien, dat mr. Whitney op familiaren voet zou staan met Raffles? Ben je dol?”
„Ik heb mr. Green voorloopig onder de strengste bewaking gesteld en hoop morgen al te weten of ik mij al dan niet vergist heb.”
„Je hebt je natuurlijk vergist”, lachte Pinkerton.
„’t Is mogelijk,” zei Fred Gordon op min of meer gekrenkten toon. „Geen mensch is onfeilbaar.”
De telefoon ging over en Pinkerton nam den hoorn op.
Zijn gelaat toonde de grootste verrassing bij de woorden die hij hoorde en toen het gesprek was afgeloopen, wendde hij zich tot Fred Gordon:
„Ik krijg daar juist bericht, mr. Gordon, dat ge u inderdaad vergist hebt. Onze agent in Player-club deelt mij mede dat naar alle waarschijnlijkheid een der leden van het koninklijk huis onder het pseudoniem van mr. Green in New-York vertoeft en vergezeld van mr. Whitney de Player-club heeft bezocht. De vreemdeling is in Londen lid van de Windsor-club en zal met mr. Whitney en den ex-president op jacht gaan. De agent deelde verder nog mede, dat het geraden is, dezen mr. Green te beschermen tegen mogelijke, aan-slagen van anarchisten of misdadigers.”
Fred Gordon draaide zijn duimen eens over elkander en bromde:
„Well, dan heb ik mij vergist. In ieder geval had ik het toch niet zoo ver mis, toen ik achter dien mr. Green iets bijzonders vermoeden. De man kon één van beiden maar zijn: een hooggeplaatst aristocraat of een inbreker.”
Op dit oogenblik werd gescheld.
Pinkerton wendde zich tot detective Wagner.
„Ga eens kijken, wie mij wenscht te spreken.”
De detective stond op en opende de deur.
Een politie-agent trad binnen en deelde mede, dat in de wachtkamer een detective van de Parijsche politie, Alfred Tancred, wachtte, die den chef dringend wenschte te spreken.
„Laat binnen komen”, zei Pinkerton en eenige seconden later trad de Parijsche detective binnen.
Van weerskanten keken de heeren elkander aan met onderzoekenden blik.
De Franzoos haalde uit zijn zak een document te voorschijn en reikte dit aan Pinkerton.
Deze opende de enveloppe, haalde een papier te voorschijn, afkomstig van het hoofdbureau der Parijsche recherche, waarin vermeld stond, dat detective Tancred speciaal belast was met de opsporing van John C. Raffles in New-York.
Pinkerton las.
Daarna gaf hij het stuk terug en bood den bezoeker een stoel.
„Wij zijn juist bijeen in conferentie over hetzelfde geval”, begon de chef, „en vóór alles moeten wij weten, of Raffles al hier of nog op weg hierheen is. Wij [12]moeten tot elken prijs verhoeden, dat hij met ons hetzelfde spelletje speelt als met onze collega’s van Scotland Yard.”
„Wij hebben met een gewiekst persoon te doen”, antwoordde de Parijsche detective, „en ik hoop voor u, dat ge inderdaad meer succes zult hebben dan Scotland Yard.”
„Ik voor mij”, beweerde Fred Gordon, „heb het gevoel, dat wij ons net zoo onsterfelijk zullen blameeren als zij. Want mijn eerste poging om Raffles hier uit te vinden, is op niets uitgeloopen. En als een zaak in den beginne al verkeerd gaat, dan weet ik uit ondervinding, dat er hoegenaamd niets van terecht komt.”
„Bemoei je dan maar niet verder met deze zaak, Gordon, en besteed jij je krachten aan die bankroof in Chicago, dan zal ik mij met detective Wagner wijden aan de zaak-Raffles.”
Fred Gordon lachte eens even spottend. Die Wagner, die onbeduidende persoon, was de beschermeling van zijn chef. Hij had tot nog toe niet het minste bewijs gegeven van eenige handigheid en iedere misdadiger was hem ontsnapt.
Gordon hield hem voor een grooten stommeling, maar Pinkerton scheen van meening, dat Wagner voor groote dingen in de wieg was gelegd.
Nooit beweerde Wagner iets, nooit hield hij er een eigen meening op na en alles, wat hij praatte, was het naklappen als een ekster van Pinkerton’s woorden.
Gordon stond op, nam zijn hoed en zei:
„Goeden nacht! Het beste met de jacht op Raffles. Ik vertrek vandaag nog naar Chicago.”
„Goede reis!” riep Pinkerton hem na.
Zoodra Fred Gordon de kamer had verlaten, was het, alsof een zwaar gewicht van Wagner’s hart was gewenteld.
Zijn gelaat begon te stralen, hij wreef zich de handen en zei:
„Wel, wij zullen dien Raffles wel pakken!”
„Dat zou ik ook meenen!” antwoordde Pinkerton, „ik zelf zal mij speciaal met zijn opsporing belasten. Gij, Wagner, kunt intusschen naar het Waldorf Astoria Hotel gaan en daar in den particulieren dienst van mr. Green treden.
„Let er vooral op, dat het incognito van dien heer streng gehandhaafd wordt.”
Wagner stond op en antwoordde:
„Ik zal tot uw volkomen tevredenheid werken.”
Hij gaf zijn chef een hand, boog voor den vreemden detective, en verliet het bureau.
Pinkerton vroeg nu den Franschman:
„Volgt ge misschien al eenig spoor?”
„Zeker! Gisteren zijn met de Cunard-lijn twee verdachte personen aangekomen, die valsche baarden droegen. Het zijn mr. Oxford en een bediende. Deze mr. Oxford reisde eerste klasse en schijnt over heel wat geld te beschikken te hebben. Hij speelde aan boord heel hoog en verloor, voor zoover ik kan nagaan, aanzienlijke bedragen. Ik sloeg hem nauwkeurig gade en het gelukte mij op zekeren dag zijn hut binnen te dringen en daar een boekje voor visitekaartjes te vinden, waarop een gouden kroontje boven een „L.” was aangebracht Deze „L.” bewees mij, dat het boekje behoorde aan lord Lister, alias John C. Raffles.”
„Lister!” riep Pinkerton uit, „wij hebben hem, Lord Lister, alias John C. Raffles—en—en—hebt ge dat spoor gevolgd?”
„Daarvoor kom ik nu bij u”, antwoordde de Franschman. „Na de landing ben ik, helaas, zijn spoor kwijt geraakt. Maar zijn signalement heb ik nog.”
„En dat luidt?”
Pinkerton nam een blad papier en een vulpenhouder, terwijl de detective dicteerde:
„Dat klopt niet met het signalement uit Londen!” beweerde Pinkerton.
„Dat kan wel zijn. Geen van onze collega’s heeft [13]Raffles ooit van zoo nabij gezien, dat de kleur van zijn oogen duidelijk kon worden vastgesteld. Dat signalement uit Londen is dus niets waard.”
„Ge kunt wel gelijk hebben, mr. Tancred. En laat ons nu eens beraadslagen, hoe wij dien mr. Oxford kunnen uitvinden.”
De heeren bleven tot laat in den nacht in conferentie bijeen en het resultaat was, dat Pinkerton twintig van zijn beste detectives des morgens vroeg reeds uitstuurde om op de Raffles-jacht te gaan. En elk van die detectives droeg in den zak het signalement, zooals het de Parijsche detective had gegeven.