Den volgenden morgen bracht de New-York Herald een belangrijk sensatiebericht onder het opschrift:
„Een weddenschap om twee millioen dollar.”
In een kleine hotelkamer van een boardinghouse, een pension, las dit bericht mr. Oxford, de man, die op de boot zoo bijzonder was gadegeslagen door mr. Tancred.
Een jongeman was nog in de kamer, die oogenschijnlijk de werkzaamheden van een bediende verrichtte.
Toen mr. Oxford het bericht over de weddenschap had gelezen, riep hij den jongeman bij zich:
„Kijk eens, mr. Marholm, wat denkt ge van die weddenschap? Zou dat misschien een truc van Raffles zijn?”
Marholm of wel „de vloo”, zooals hij onder de Londensche detectives genoemd werd, nam de krant en las het bericht
Toen zei hij:
„Yes, inspecteur Baxter, ge hebt gelijk. De heele zaak riekt naar Raffles.”
„Noem dien naam niet zoo luid,” fluisterde Baxter, want deze was het, die onder den naam van Oxford zijn intrek in het hotel had genomen.
„Laat ons er dadelijk werk van maken, Marholm, om de identiteit van dien mr. Green vast te stellen.”
„Laat ons dan eerst eens per telegraaf informeeren of er op Scotland Yard ook iets nieuws omtrent Raffles bekend is.”
Hij ging onderwijl naar den spiegel en probeerde of zijn valsche baard nog goed bevestigd zat.
„Ge zijt absoluut niet te herkennen, mr. Baxter,” zei „de vloo”, „en ik geloof dat men mij als roodharige Ier ook niet aanziet voor wien ik ben.”
„Ik zelf heb je in het eerste oogenblik niet herkend”, zei Baxter, „toen ge op de boot naar mij toekwaamt. Hoe kwam het, dat je mij zoo spoedig herkende?”
„Heel eenvoudig. Als men geen al te groote stommerik is, herkent men zijn chef overal!”
Lachend namen beiden hun hoeden en jassen en verlieten het pension. [14]
Toen zij op straat kwamen en een cab namen om naar het telegraafkantoor te rijden, bemerkten zij niet, dat uit een portiek aan de overzijde twee mannen kwamen, die ook een cab namen en hen volgden.
Het waren twee beambten van de New-Yorker politie.
Het was hun gelukt, aan de hand van het signalement, dat mr. Tancred van mr. Oxford had gegeven, diens verblijfplaats uit te vinden.
Zij volgden de beide Londenaars als een jachthond een stuk wild en kwamen een paar minuten na deze voor het telegraafbureau.
Geheel onopgemerkt naderde een hunner den lessenaar, waar Baxter stond met „de vloo” en het telegram naar Londen schreef.
Dit telegram was van den volgenden inhoud:
Mr. ROBINSON, LONDEN, Strand 16.
(deze was de plaatsvervanger van politie-inspecteur Baxter tijdens diens afwezigheid uit Londen en zijn particulier adres)
Telegrapheer mij per ommegaande naar New-York, boardinghouse Lemke, Grand Street 4, of er iets nieuws bekend is omtrent Raffles. Gegroet. Oxford.
Het gelukte den politieman met eenige inspanning den inhoud van dit telegram te lezen.
De groote, krachtige letters van Baxter maakten hem dit gemakkelijk en duidelijk las hij den naam Raffles.
Haastig ging hij naar zijn collega, die voor de deur wachtte en deelde dezen in fluistertoon mede, wat hij zooeven had ontdekt.
„Wij vergissen ons niet,” zei hij, „wij hebben den man; het is Raffles, en ik zal dadelijk naar den directeur van het telegraafkantoor gaan en een afschrift van het telegram vragen.
„Blijf jij intusschen hier wachten om te zien naar welken kant de beide mannen gaan, als zij intusschen het gebouw mochten verlaten en telefoneer het naar het hoofdbureau.”
De man verdween en haastte zich naar den directeur van het telegraafkantoor.
Baxter had onderwijl zijn telegram afgegeven. Toen hij uit het gebouw kwam, om verder het spoor van mr. Green te volgen, had de Pinkerton-detective al een afschrift van het telegram in handen en verliet eenige minuten later eveneens het gebouw.
Hij ging naar het hoofdbureau om daar van zijn collega nadere bijzonderheden te hooren.
In gedachten deelde hij met den ander reeds de groote som, die op de inhechtenisneming van Raffles gezet was door de Engelsche politie en eenige particulieren.
Hij dacht er over na, wat hij met het geld zou beginnen en dat het bezit van een hoenderpark zijn ideaal was. — — —
Intusschen was zijn collega achter mr. Oxford en diens geleider aangesneld en had tegelijk met hen het Waldorf Astoria Hotel bereikt.
Dit was, naar de kranten meldden, de verblijfplaats van mr. Green, die de weddenschap met Bennet had aangegaan.
Toen mr. Oxford door een flinke fooi den portier van het hotel aan het spreken had gebracht, deelde deze hem mede, dat mr. Green twee uur geleden het hotel verlaten had.
Hij wist niet, waar mr. Green was heengegaan.
„Wij zijn bij onze voorname gasten niet zoo nieuwsgierig om hen naar hun reisplannen te vragen.”
Ontevreden met het resultaat van zijn navorschingen ging Baxter met Marholm naar het boardinghouse terug om daar op eenig bericht uit Londen te wachten.
Nabij het huis stonden wederom in een deurportiek de beide detectives, en zij kortten den tijd, doordat de een den ander de groote voordeelen van een hoenderpark voorspiegelde.
Zij verdeelden de huid van den beer, die nog niet gevangen was.
Om samen het geld te krijgen, hadden zij geen hunner collega’s meegedeeld, waar mr. Oxford alias lord Lister verblijf hield. Zij wilden heel alleen het terrein bewerken. [15]
Des avonds ontving mr. Oxford een telegram uit Londen, waarin hem werd meegedeeld, dat men daar geen bericht omtrent Raffles had gekregen, maar dat deze zich ongetwijfeld in New-York moest ophouden.
Raffles, die van alle kanten dus gezocht werd, zat intusschen als mr. Green veilig en wel in de fraaie villa van mr. Whitney. Na eenige uren reeds was hij de verklaarde lieveling der dames.
Vooral viel hij bijzonder in den smaak van mrs. Hopson, de oude schatrijke weduwe van een groothandelaar in Chicago.
Deze vrouw, bekend om haar verregaande ijdelheid, droeg een kostbaar sieraad van smaragden, dat eens in het bezit was geweest van een Indisch vorst.
Het waren steenen van fabelachtige grootte en schoonheid en Charly Brand, die zag, dat Raffles in druk gesprek was met de dame, doorzag terstond de bedoelingen van zijn meester en begreep, dat diens grootste oplettendheid niet het valsche haar of het gepoeierde gelaat, maar het kostbare sieraad van mrs. Hopson gold.
Raffles had vernomen, dat de gestorven echtgenoot der dame in Chicago een groote conservenfabriek had gehad.
Terstond herinnerde Raffles zich, dat in het Engelsche leger verscheiden soldaten destijds op vreemde wijze waren gestorven.
Later bleek, dat zij vergiftigd waren, door het gebruik van bedorven Amerikaansch geconserveerd vleesch.
Raffles vroeg nu miss Hopson of haar overleden man niet aan het Engelsche leger had geleverd.
Met opgeblazen trots verklaarde mrs. Hopson:
„Zeker, mr. Green, mijn man heeft destijds veel onderscheidingen gekregen als leverancier van het leger en ook ontving hij een medaille.”
„Hm,” antwoordde Raffles en hij taxeerde de smaragden, die de dame droeg.
Toen vroeg hij plotseling:
„Zijn die smaragden, die ge daar draagt, wel eens getaxeerd?”
Mrs. Hopson blaasde zich nog meer op en antwoordde:
„Die zijn onbetaalbaar. Mr. Elkins, de juwelier van de koningin van Engeland, heeft ze op vier millioen dollar getaxeerd.”
„Een prachtig sieraad,” bewonderde Raffles en bij zichzelven berekende hij, hoeveel bussen bedorven vleesch er niet aan den man moesten zijn gebracht om zoo’n kostbaar stuk te kunnen koopen.
Met het goud, dat die steenen vertegenwoordigden, kon men de zorgen van veel weduwen en weezen verlichten.
O, zoo veel!
Met een charmanten glimlach boog Raffles zich naar mrs. Hopson:
„Hoe komt het mevrouw,” vroeg hij, „dat ge nog steeds den weduwensluier draagt? Zijt ge heelemaal ontroostbaar?”
„Och, wat zal ik u zeggen! Mijn man verdiende 800,000 dollar per jaar. De mannen, die tot nog toe naar mijn hand dongen, konden mij dat niet aanbieden.”
„Zóó!” zei Raffles en hij lachte in stilte om de kokette vijftigjarige.
„Hoeveel bedraagt uw jaarlijksch inkomen, mr. Green?” vroeg mrs. Hopson met vleienden oogopslag.
Raffles klemde zijn monocle in het oog en zei:
„In het laatste jaar bedroeg mijn inkomen veertien millioen dollar.”
Mrs. Hopson keek hem verstomd aan. Zij moest, als een visch op het droge, naar lucht happen.
Eerst na eenige seconden was zij in staat te antwoorden:
„Ge—ge maakt toch geen grapje?”
„Volstrekt niet!”
„O, maar ge zijt een verrukkelijk iemand,” lispelde mrs. Hopson.
„Hoe dat zoo, mrs. Hopson!” [16]
„O, een verrukkelijk iemand! Ik heb er altijd naar verlangd, zóó iemand te leeren kennen. Mijn vermogen bedraagt ongeveer tachtig millioen dollar en ik heb bovendien nog uitgestrekte bezittingen.
„Ik kan weliswaar niet concurreeren met Whitney en Vanderbilt, maar als ik een man van kapitaal trouw, zouden wij Rockefeller nog voorbij kunnen streven!”
„Als ik u daarbij soms kan helpen, mrs. Hopson, het zou mijn ideaal zijn om uw eerzuchtige plannen te helpen verwezenlijken.”
Wederom lonkte zij koket en fluisterde:
„Ge kunt mij gelukkig maken, mr. Green.”
Op zekeren avond ging Raffles met Charly Brand wandelen op een afgelegen zijpad van het groote park en vertelde hem, dat hij van plan was, de kostbare smaragden van mrs. Hopson te stelen en het geld, dat zij zouden opbrengen, te besteden voor de nagelaten betrekkingen van hen, die destijds na het gebruik van het bedorven vleesch waren gestorven.
Een allerdolst plan rijpte in zijn brein.
Hij ijlde naar de groote veranda der villa, waar de gasten aan de theetafel zaten.
Met een buiging naderde hij mrs. Hopson:
„Het is zoo’n wondermooie avond, mrs. Hopson, gevoelt ge geen lust om wat mee te gaan wandelen in het park?”
„O ja,” antwoordde de weduwe en zij stond al op.
Raffles had een plan.
Toen hij met mrs. Hopson in het park ging, legde hij het zoo aan, dat de dame langs het struikgewas moest gaan, waarin de detective verborgen zat, die hem overal bewaakte.
Mrs. Hopson begon te spreken over verscheidene dames kennissen, waarvan zij allerlei schandaalgeschiedenissen wist te vertellen.
Speciaal weidde zij uit over de dochter van den koperkoning Blatt, die er een paar weken geleden met haar pikeur vandoor was gegaan.
Geen dame bleef gespaard; mrs. Hopson wist van ieder wat te vertellen.
Intusschen was het tweetal het struikgewas genaderd en terwijl mr. Raffles de dame bij den arm greep, riep hij, schijnbaar geheel verschrikt:
„Is daar iemand?”
Het kraken van takken en twijgen volgde en in het volgende oogenblik kwam een man te voorschijn, die wegholde.
„Blijf staan of ik schiet!” riep Raffles en met goed gespeelden schrik haalde hij een revolver voor den dag.
Doodelijk verschrikt leunde mrs. Hopson tegen Raffles aan.
Met starre oogen keek zij naar het struikgewas.
Plotseling week dit opnieuw, een donkere schaduw trad te voorschijn, die als een tijger mrs. Hopson naar de keel vloog.
Zij viel bewusteloos neer.
Raffles intusschen boog zich voorover en fluisterde:
„Uitstekend gedaan, Charly. Ga nu onopgemerkt naar huis terug.”
Hij boog zich nu over mrs. Hopson, maakte den collier met smaragden voorzichtig los en liet hem in zijn zak glijden.
Het duurde eenige oogenblikken voordat mrs. Hopson, die aan zijn hals hing, weer bij kwam.
„Wees kalm,” fluisterde hij, „de dief is gevlucht.”
Hij bracht haar terug naar het terras van de villa.
Uitgeput zonk zij daar in een stoel neer onder het voortdurend uitroepen van:
„Een dief, een dief!”
Raffles vertelde, wat er gebeurd was en hoe de dief was ontvlucht.
„Waar is uw ketting?” vroeg mrs. Whitney.
„Mijn ketting?”
Met bevende handen greep mrs. Hopson naar haar hals. [17]
„De ketting is verdwenen—gestolen ongetwijfeld,” riep Raffles verschrikt uit, „het is den dief gelukt, mrs. Hopson het kostbare stuk te ontrukken.”
Met wijdopengesperde oogen beaamde mrs. Hopson alles wat Raffles vertelde.
Mr. Whitney liet zijn gansche dienstpersoneel terstond het geheele park doorzoeken.
Maar van den raadselachtigen onbekende was niets meer te ontdekken dan een achtergelaten hoed. Dezen vonden de bedienden bij den uitgang van het park en in den hoed was een naam geschreven:
Oskar Wagner.
Mr. Whitney nam den hoed en zei:
„Ik zal dadelijk morgen het hoofdbureau van politie in kennis stellen. Die Oskar Wagner moet stellig worden gevonden.”
Raffles echter zat een uur later in zijn stoel voor den schoorsteen en toonde Charly Brand den door hem veroverden ketting van mrs. Hopson.
Hij was volstrekt niet de meening toegedaan, dat iemand den ketting weer aan de dame moest terugbrengen.