Den volgenden morgen brachten de kranten als laatste sensatienieuws het bericht over den roof der kostbare smaragden van mrs. Hopson.
De „New-York Herald” sprak zelfs als haar meening uit, dat de diefstal van het kostbare sieraad op de rekening van Raffles kon worden geschoven, die zich, naar alle waarschijnlijkheid, in Amerika bevond.
Dit krantenartikel bracht de politie te New-York in groote opschudding, evenals inspecteur Baxter, alias Oxford.
Baxter was dadelijk van meening, dat het Raffles was, die de sieraden had gestolen.
„Raffles gaat hier ook aan ’t werk,” zei hij tot „de vloo”. „Hij heeft alweer een van zijn stukjes uitgehaald.”
„De vloo” dacht eens na en las nog eens het artikel.
Ook hij kwam tot de overtuiging dat het inderdaad Raffles moest zijn, die bij mrs. Hopson de kostbare smaragden had gestolen.
Zij gingen nu dadelijk op weg naar de villa naar mr. Whitney en merkten niet op, dat zij door de beide detectives werden gevolgd.
In denzelfden tijd was ook Pinkerton met mr. Tancred op weg getogen naar de villa en kwam daar twee uur vroeger aan dan Baxter alias Oxford.
Dienzelfden morgen waren mr. Whitney en mr. Green op jacht gegaan.
Lord Lister had zijn assistent Charly Brand de opdracht gegeven om met het kleine handkoffertje naar New-York terug te keeren en daar in het Cliftonhotel, [18]onder den naam van Schulz intrek te nemen en te wachten op zijn terugkeer.
In dezen koffer nam Charly Brand de smaragden van mrs. Hopson mee.
Toen Pinkerton en detective Tancred tegen elf uur in de villa kwamen, waren mr. Whitney en mr. Green afwezig.
Mrs. Hopson ontving de beide heeren en vertelde hen, hoe een man uit het struikgewas op haar en mr. Green was toegesprongen. Den laatste had hij met een vuistslag neergeveld. Haar had hij bijna geworgd en toen de smaragden ontroofd.
Pinkerton verzocht haar, hem het struikgewas te wijzen om nog sporen van de vechtpartij te kunnen ontdekken. Zij was dadelijk bereid en vertelde ook nog, dat de aanrander tijdens de worsteling zijn hoed verloren had.
„Dat is van groot belang,” beweerde Pinkerton, „waar is de hoed?”
„Dien heeft mr. Whitney meegenomen.”
„Dan zullen we hem opzoeken.”
„Ik zal hem dadelijk laten roepen,” antwoordde mrs. Hopson.
Op haar schellen verscheen een bediende, die vertelde, dat mr. Whitney des morgens vroeg al met verscheiden heeren op jacht was gegaan.
„Kunt gij ons misschien ook helpen?” vroeg Pinkerton, „weet ge ook, waar de hoed is, dien de dief heeft verloren?”
„Dien heeft mr. Whitney in zijn brandkast gesloten!”
„Allemachtig! Dan is hij voor ons dus onbereikbaar! Kunt ge ons ook zeggen, hoe we mr. Whitney kunnen bereiken?”
„Onmogelijk! Mr. Whitney gaat steeds in afgelegen streken ter jacht en niemand van ons weet, waar hij heengaat.”
„Heeft mr. Whitney gezegd, wanneer hij terugkomt?”
„Ook daarvan kan ik u niets zeggen!”
„Goed!” zeide Pinkerton.
Toen wendde hij zich tot mrs. Hopson.
„Wilt ge zoo goed zijn, ons naar het park te vergezellen?”
De dame ging met de beide heeren naar buiten.
Bij het struikgewas lieten de heeren zich toen nog eens de toedracht van het gebeurde vertellen en wederom fantaseerde mrs. Hopson hevig.
Het tweetal ging toen de sporen na van den vluchteling, die duidelijk zichtbaar waren in den weeken bodem.
„Dat is niet de afdruk van den laars van een gentleman,” zei detective Tancred en wees op een spoor op den grond. „Dat is een heel gewone Amerikaansche schoenafdruk.”
Mr. Pinkerton bekeek ook het spoor en volgde het eenige meters ver; ook hij kwam tot de overtuiging, dat hier een heel gewoon man aan het werk was geweest.
„De vluchteling moet volgens mijn idée een vreemdeling zijn,” beweerde Tancred.
„Hoezoo?”
„Omdat de zolen van den vluchteling met spijkers beslagen zijn, juist als de militaire schoen van een Duitsch of Engelsch soldaat.”
„Maar de Engelsche soldatenschoen heeft een heel anderen vorm! Deze hier moet een Duitscher zijn en wel een Duitscher, die nog niet lang in het land is, want hij draagt nog de meegebrachte schoenen. Willen we het spoor verder volgen?”
„Zeker!” antwoordde Pinkerton, „en wij willen van mrs. Hopson afscheid nemen.”
De heeren deden aldus en verdwenen toen in het park.
In een grooten kring leidden de sporen om een landhuis naar een rotsachtige plek en slechts met groote moeite konden zij op den harden bodem verdere sporen herkennen. Eindelijk voerden de sporen weer naar het landgoed van mr. Whitney terug.
Toen de detectives dit zagen, besloten zij nog eens de villa te doorzoeken. [19]
Bijna vijf uur waren zij aan het werk geweest. In dien tijd waren ook Baxter en „de vloo” op de villa aangekomen en hadden zich bij mrs. Hopson laten aandienen.
Deze dame was door het gebeurde zeer ontdaan en vermoeid en liet mr. Oxford weten, dat zij geen bezoek meer kon ontvangen.
De inspecteur had zich bij den bediende als reporter voorgedaan, maar het gelukte hem niet den bediende uit te hooren, die bevel had gekregen om niemand eenige inlichtingen omtrent mr. Green te geven.
Onverrichterzake moesten zij naar New-York terugkeeren en wederom volgden hen de detectives zonder te vermoeden, dat hun chef zelf op de villa aanwezig was.
Op hetzelfde oogenblik dat zij in den trein naar New-York wilden stappen kwam een man zonder hoed uit het station en stapte in denzelfden coupé als waarin de beide detectives hadden plaats genomen. De man was klaarblijkelijk zeer opgewonden en den beiden detectives viel het op, dat hij een valschen baard droeg.
De linkerhelft van zijn aangekleefden baard was losgeraakt en hing naar beneden.
Dadelijk vermoedden de detectives, een misdadiger voor zich te hebben en begonnen zij een gesprek met hem.
Een der detective zei:
„Zeg eens, neem je valschen baard af en plak hem wat beter vast!”
Verschrikt keek de aangesprokene den detective aan.
Toen lachte hij met breeden grijns en hij antwoordde:
„Kent ge mij niet? Is mijn vermomming met die grauwe bakkebaardjes zoo goed?”
De beide politie-agenten. lachten nu ook hartelijk. Zij herkenden hun collega Wagner en gaven hem de hand.
Wagner was er trotsch op, niet door hen herkend te zijn.
„Waar kom jij vandaan?” vroegen ze hem beide tegelijk.
„Ik was hier met een speciale opdracht en ga nu naar New-York terug.”
„Zonder hoed?”
„Ja. Ik heb hem verloren. Maar wat doen jullie hier?”
De detectives wissel den een blik van verstandhouding. Hun collega mocht niet weten dat zij jacht maakten op Raffles. Zij waren niet van plan, de belooning met Wagner te deelen en bovendien kon deze onhandige man hun de heele zaak bederven.
„Ik heb hier in de buurt een hoenderpark bezocht, wat ik koopen. wil,” zei een der detectives en toen begon hij uit te weiden over de voordeelen van een hoenderpark.
Aan het station te New-York verlieten zij Wagner en volgden opnieuw mr. Oxford en diens geleider, die naar hun boardinghouse terugkeerden.
Intusschen hadden Pinkerton en Tancred de villa van boven tot beneden tevergeefs doorzocht.
Eindelijk hoorden ze van een arbeider, dat eenige uren geleden een man zonder hoed in volle vaart naar het station was geloopen.
„Dat is hij!” riep Pinkerton, „alle duivels, nu is hij ons toch ontsnapt. Maar we zijn hem op het spoor.”
Vlug ging hij naar het station en vernam daar aan het loket, dat een man zonder hoed een kaartje naar New-York had genomen en met den trein was vertrokken.
„Kunt ge ons dien man beschrijven?” vroeg Pinkerton, nadat de heeren zich hadden voorgesteld.
„Zeker,” zei de beambte, „hij had een vol gelaat en had, voor zoover ik mij herinneren kan, eenigszins grijzende bakkebaardjes.
„Dan hebben we hem,” zei Tancred, „dat is toch signalement, dat ik van hem gaf?”
„Zeker!”
Noch hij noch Tancred konden vermoeden, dat Wagner zich aldus had vermomd.
Zij moesten nog een half uur wachten, voordat de trein vertrok. Intusschen telefoneerde de chef naar [20]zijn bureau en liet vragen bij de detectives, die het station bewaakten, of deze een man zonder hoed met grijze bakkebaarden en snor hadden gezien.
Men telefoneerde hem een bevestigend antwoord en voegden erbij, dat twee agenten hem achtervolgden.
Pinkerton lachte tevreden.
„Het toeval is ons gunstig, mr. Tancred”, zei hij tot dezen, „twee van mijn beste agenten volgen den gezochte reeds. Dank zij uw signalement hebben wij den dief herkend. Ontkomen is dus voor hem onmogelijk.”
Geheel gerust gesteld ging hij nu naar New-York terug en vond daar Wagner op zijn bureau.
Deze had zijn valschen baard reeds afgedaan en vertelde nu zijn chef, dat mr. Whitney en mr. Green op jacht waren en hij daarom naar New-York was teruggekeerd.
Dat hij zich onhandig had gedragen tijdens de opdracht om mr. Green te beschermen, vertelde hij niet, evenmin, dat hij daarom naar New-York was gevlucht. Van den smaragdendiefstal had hij nog niets gehoord.
Toen Pinkerton hem over deze zaak sprak, trok Wagner eerst een heel verbluft gelaat. Om echter zijn onwetendheid niet te laten blijken, deed hij, alsof hij volkomen op de hoogte was en bevestigde hij alles, wat mrs. Hopson van den aanval had meegedeeld.
Toen hij alleen was, brak hem het angstzweet uit.
Nu eerst zag hij in, dat hij op zich zelf den schijn had geladen als aanrander.
In hetzelfde oogenblik dat mr. Whitney den verloren hoed aan mr. Pinkerton zou overhandigen, zou ieder hem voor den dief houden.
Zijn knieën knikten als hij er aan dacht in welk een netelige positie hij zich had gebracht. En hij kwam tot de overtuiging, dat het voor hem maar geraden was, Amerika zoo gauw mogelijk te verlaten.
Als die hoed, waarin zijn naam bovendien nog stond er niet was, zou hij er niet zoo slecht aan toe zijn. Nu echter zou hij door iederen rechter veroordeeld worden. Hij verwenschte zijn besluit detective te zijn geworden en zijn land te hebben verlaten.
Pinkerton kwam nogmaals bij hem en vroeg:
„Hebt ge op de villa bij mr. Whitney geen man met grijze bakkebaarden gezien?”
„Neen,” loog Wagner, „ik heb zoo’n persoon niet gezien.”
„Dat doet er ook niet toe. Wij zijn hem toch al op het spoor.”
Wagner dacht er bij zichzelve over, wie wel die ander met bakkebaarden kon zijn en hij kwam tot de overtuiging, dat hij een dubbelganger moest hebben. [21]