Drie maanden waren verstreken, toen Raffles met mr. Whitney van de jacht naar New-York terugkeerde.
Hij zocht dadelijk zijn vriend Charly Brand op en verbaasde zich ten zeerste over diens ziekelijk uiterlijk.
„De New-Yorker lucht schijnt je niet al te goed te bekomen, m’n jongen!”
„Dat stem ik toe,” antwoordde Charly Brand, „en ik ben blij, dat je weer bij me bent. Ik ben erg zenuwachtig geweest en durfde feitelijk dit huis niet te verlaten.”
„Ben je dan al dien tijd niet uit geweest?”
„Neen.”
„Je bent een groote dwaas. Begrijp je dan niet, dat je de aandacht trekt, door voortdurend thuis te blijven? Ik kom juist van Tiffany en kan je meedeelen dat we morgen vroeg per stoomboot New-York verlaten en naar Napels gaan. De zilveren apostel, dien ik voor den paus heb laten maken, wordt vandaag naar onze stoomboot gebracht. Dat wordt een interessant werkje, beste kerel.”
„Ik begrijp niet, wat je voor hebt”, antwoordde Charly Brand. „Hoe kom je er toch bij om den paus een zilveren apostel cadeau te geven?”
Raffles lachte en stak een sigaret op.
Toen zei hij:
„Is er ook iets bijzonders gebeurd? Ik heb namelijk in een heele week geen krant gelezen. Schrijven de bladen nog altijd over mij?”
„Ik heb alle artikels uitgeknipt. Elken morgen, middag en avond spreken ze over jou.”
Raffles lachte weer en sprak:
„De krantenartikels over mij zullen op den duur een omvangrijke bibliotheek uitmaken en als ik dan als oud man in het hoekje van den haard zit en dat alles lees, zal ik mij op mijn ouden dag nog daarmee vermaken. De kranten moesten mij feitelijk een groot honorarium geven, daar ik de beste copy voor hen lever. Is de prijsvraag, waar ik mij ophoud al opgelost?”
„Tot vanmiddag niet,” antwoordde Charly Brand, „en de bladen schrijven, dat de beste detectives van Amerika naar je zoeken; dat ook Baxter en zijn mannetjes uit Londen zijn gekomen en dat een rechercheur uit Parijs hier aan wal is gestapt!”
„Dan mankeert nog maar alleen iemand uit Berlijn. Misschien ga ik daar zelf nog voor spelen. Maar maak je nu klaar, dan kan ik je een en ander van New-York wijzen.”
De heeren verlieten het boardinghouse, nadat Raffles de rekening betaald had.
„Wij zullen vannacht in een hotel in Hoboken slapen, zoodat we dicht bij onze boot zijn.”
Charly Brand zorgde voor een cab, waarmee zij naar een groot restaurant reden.
De vrienden gaven hun bagage aan den portier en gingen dineeren. Toen zij daarna door de straten van [22]New-York wandelden om een paar entrée’s voor den schouwburg te koopen, waar zij des avonds heen wilden gaan, trok Raffles eensklaps Charly Brand bij den arm en nam hem mee in een naastbijgelegen winkel. Het was een winkel voor dameshoeden. Charly Brand begreep niet, wat Raffles hier te koopen had. Deze liet zich door een winkeljuffrouw de nieuwste modellen toonen en nadat hij een half uur lang gezocht had, zei hij, dat er geen keus voor hem was.
Op straat riep hij weer een cab aan.
„Wat wou je eigenlijk in dien winkel?”
„Ons beiden beschermen tegen politie-inspecteur Baxter. Hij stond vlak bij ons en naast hem stond de eenige detective van Scotland Yard, die iets beteekent, namelijk Marholm of „de vloo”. Ze keken gelukkig allebei den anderen kant op.”
„Zie je wel, dat het van mij maar goed was, dat ik al die weken thuis ben gebleven?”
„Onzin. Dat was daarstraks louter toeval, jongen!”
— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
Zoodra Pinkerton hoorde, dat mr. Whitney van de jacht was teruggekomen, stelde hij Tancred en Wagner daarvan in kennis.
Deze beiden zouden met hem meegaan naar de villa, opdat men dan, met den hoed van den dief als aanwijzing, verder op onderzoek zou kunnen uitgaan naar den man, die de smaragden van mrs. Hopson had gestolen.
De Parijsche detective verklaarde zich daartoe terstond bereid, terwijl Wagner plotseling hoofdpijn voorwendde en zich zóó ziek meldde, dat hij naar den dokter moest gaan en zijn chef niet kon vergezellen.
Hij haalde verruimd adem, toen de chef alleen met Tancred naar de villa afreisde.
Zoodra Pinkerton vertrokken was, pakte hij zijn boeltje en keek de lijst van de vertrekkende booten na. Hij besloot onverwijld New-York te verlaten en daar den volgenden morgen een boot naar Napels vertrok, ging hij naar het passagebureau en nam een billet tweede klasse naar Napels. Toen ging hij naar een klein hotel in Hoboken en huurde er voor den nacht een kamer.
Hij had niet het geringste vermoeden, dat in de aangrenzende kamer John C. Raffles en Charly Brand logeerden.
Pinkerton had in de villa van mr. Whitney den hoed gekregen en met verbazing gemerkt, dat daarin de naam van zijn beschermeling Oskar Wagner was geschreven.
De zaak kwam hem zonderling en raadselachtig voor. Verscheiden minuten dacht hij na. Toen zei hij tot den Parijschen detective:
„Kom mee, wij hebben geen minuut tijd te verliezen. Wij hebben een valsch spoor gevolgd—het spoor van mijn eigen detective. Hij zal ons wel opheldering kunnen geven. In elk geval is hij niet de dief geweest van mrs. Hopsons smaragden. Dat kan slechts de geleider van deze dame geweest zijn. En wie was die geleider?”
Hij keek den Parijschen detective aan en greep hem in de grootste opgewondenheid bij den arm. — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
„Mr. Green, uit Schotland,” beantwoordde Pinkerton zich zelf de vraag, „die raadselachtige mr. Green. En wie is mr. Green, deze man met de voorname manieren—deze persoon, die zich als hertog van Rochester bij mr. Whitney heeft ingedrongen? — — —
„Raffles is het. Ik laat mij hangen als het Raffles niet is. O! Ik kan razend worden, als ik bedenk, hoe ik mij bij den neus heb laten nemen. Maar gij zijt daaraan voor een groot deel schuld.”
De Parijsche detective haalde de schouders op:
„Ge doet mij daar een zeer onrechtvaardig verwijt en wat gij daar veronderstelt, is heel gewaagd. Ik beweer, dat ge u vergist en dat Raffles wel degelijk de man is met de grijze bakkebaardjes, dien ge door uw detectives laat nagaan.”
„Ik zal u het tegendeel bewijzen op mijn bureau. Ga maar dadelijk mee naar New-York.” [23]
Pinkerton was zenuwachtig en onrustig. Hij haastte zich zoodra mogelijk naar New-York terug en stuurde een dringend telegram naar den hofmaarschalk te Londen om dezen te vragen, waar zich op dit oogenblik de hertog van Rochester bevond. Tegelijkertijd telegrapheerde hij om het signalement van den hertog, daar de politie te New-York naar alle waarschijnlijkheid op een verschrikkelijke manier bij den neus werd genomen door een oplichter, die zich uitgaf voor den hertog van Rochester. Toen gaf hij order, dat de beide agenten Harrison en Smith moesten worden opgespoord, opdat mr. Oxford dadelijk kon worden gearresteerd. Daarna liet hij naar Wagner informeeren en toen hoorde hij, dat deze detective zijn boeltje gepakt en zijn kamer verlaten had.
De chef was verbluft.
Hij begreep maar niet, waarom Wagner zoo plotseling er vandoor was gegaan. Harrison en Smith intusschen waren niet te vinden, maar den volgenden morgen om tien uur kwam het zoozeer verlangde antwoord per kabeltelegram. Het luidde:
„Hoofdbureau van politie, New-York. Hertog van Rochester vertoeft te Londen. Heb hem zoo juist telephonisch gesproken. Signalement van den hertog: grootte 1.74 meter, figuur: ietwat zwaarlijvig, gelaat: blozend, haar: blond, ouderdom: 45 jaar.
Bijzonder kenteeken: hinkt op het linker been.”
Met een zegevierend lachje overhandigde Pinkerton dit telegram aan mr. Tancred. En hij vroeg op langgerekten toon:
„Nu — — —?”
„Ge hebt gelijk,” antwoordde de Parijsche rechercheur, „het signalement van mr. Green en van den hertog van Rochester komt al heel weinig met elkander overeen!”
„Het is Raffles!—Raffles is het! De beruchte lord Lister!”
„Verdoemd! De kerel glipt als een aal tusschen de vingers door! Dat wordt een zwarte bladzijde in mijn loopbaan!”
— — — — — — — — — — — — — — — —
Om elf uur des avonds verlieten Raffles en Charly Brand het Lyceumtheater.
Voordat zij in een cab plaats namen, hoorden zij de jongens schreeuwen:
„Raffles gepakt!”
„Raffles, de dief van de Indische smaragden!”
Een oogenblik bleef lord Lister staan, toen kleefde hij zijn monocle in het oog en kocht doodkalm een krant.
Charly Brand stond te trillen op zijn beenen. Het tweetal nam nu plaats in het rijtuig en Raffles beval naar de booten te rijden in de 23ste straat te Hoboken.
„Jij moet altijd een fleschje cognac bij je hebben, Charly”, zei Raffles, „je trilt als een juffershondje en bent zoo bang als een bakvisch.”
„Ik wou, dat wij Amerika nooit gezien hadden”, antwoordde Charly.
Raffles lachte:
„Mij daarentegen bevalt dit land uitstekend. De pers houdt je zoo goed van alles op de hoogte, ’t Is hier veel makkelijker werken dan in Europa. Maar luister nu: De kist naar den paus is op de stoomboot geladen. Als afzender staat er op: mr. Harry Smith uit Chicago. Jij bent die mr. Smith. Je moet dien naam ook in de passagierslijst zetten. Mij ken je absoluut niet. Zeg den kellner, dat hij je morgen om acht uur wekt. Om negen uur vertrekt de trein. En hou je taai, Charly. Tot weerziens.”
Hij gaf Charly een hand, en verdween in de duisternis van de 23ste straat. [24]