[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN WEDREN OM RAFFLES.

Den volgenden morgen schelde Baxter het hoofdbureau op en vroeg den chef te spreken.

„Als ge den chef wilt spreken”, luidde het antwoord, „moet ge dadelijk naar Hoboken gaan naar de stoomvaartlijn op Italië. Daar wordt Raffles gearresteerd.”

„Wat?” riep Baxter terug, „vergist ge u niet?”

„Neen. Wij kregen vanmorgen bericht, dat Raffles door een van de beambten der stoomvaartmaatschappij herkend is, toen hij een passagebillet kocht.”

Baxter hing den hoorn weer aan den haak.

„Kom mee,” zei hij tegen Marholm, „we hebben geen seconde tijd te verliezen. Wij moeten naar Hoboken om Raffles te arresteeren!”

Marholm glimlachtte heel even, maar heel ironisch. Hij geloofde niet veel van die arrestatie.

Maar hij volgde toch zijn chef, nam met dezen in de auto plaats en reed naar Hoboken.

In hetzelfde oogenblik gingen ook twee politieagenten naar een auto om eveneens haar Hoboken te rijden.

Maar daar kwam ook reeds een collega hun tegemoet, die uitriep:

„Mr. Harrison! Mr. Smith! Ik zoek u al sinds gistermiddag in opdracht van den chef!

„Ge moet terstond mr. Oxford, den man met de grijze bakkebaardjes en zijn geleider arresteeren!”

„Uitstekend!” zei mr. Harrison, „Houd ons niet op!”

Haastig sprong hij met zijn collega in de auto en moedigde den chauffeur aan de andere auto in te halen.

De chauffeur reed in het vlugste tempo, maar hij kwam toch nog één oogenblik te laat aan de boot, die zich juist in beweging zette.

Verscheiden kostbare minuten verstreken.

Zij moesten tien minuten wachten, tot zij met de volgende boot de vermeende vluchtelingen Baxter en Marholm naar Hoboken konden volgen.

Toevallig kwam een havenstoomboot de pier voorbij.

Mr. Harrison riep den kapitein en legitimeerde zich, waarop deze zich bereid verklaarde, het tweetal aan boord te nemen en de Ferryboot na te stoomen.

Door den kijker van den kapitein zag mr. Harrison duidelijk den vervolgde op de boegspriet staan.

Een half uur later kwamen de beide agenten op de pier aan.

Vlug sprongen zij aan land en zagen, dat de vervolgden zich haastten naar de boot, die om negen uur zou vertrekken.

Het laatste signaal weerklonk en Baxter maakte beenen.

Maar ook de beide agenten haastten zich en voor [25]Baxter liepen twee mannen, Pinkerton en Tancred, die eveneens met de boot mee moesten.

Voor dit tweetal snelde Wagner zoo gauw als zijn beenen hem konden dragen.

Pinkerton herkende zijn detective en riep:

„Blijf staan, mr. Wagner!”

Maar deze woorden verdubbelden Wagner’s haast om de gereed liggende boot te bereiken. Hij was de stellige meening toegedaan, dat zijn chef hem kwam arresteeren.

Pinkerton en Tancred waren geen van beiden hardloopers en zoo kwam het, dat eerst Baxter en Marholm en daarna Harrison en Smith hen voorkwamen.

„Daar is de man met de grijze bakkebaarden!” riep Tancred uit en vloog weg.

Wagner stond juist op de laadplaat, toen hij achter zich hoorde:

„Halt of ik schiet!”

Met knikkende knieën keerde hij zich om.

Achter hem stonden twee mannen, waarin hij in het volgende oogenblik twee van zijn collega’s herkende, die zich met geweldige vaart op den vreemde wierpen, hen beetpakten en weer aan land trokken. Wagner daarentegen werd door een matroos aan dek getrokken, die tegelijkertijd de loopplank wegnam.

Nu begonnen ook reeds de machtige schroeven te arbeiden en bracht de boot van het land af.

De scheepskapel begon te spelen:

„Liefje, adé,

Scheiden doet wee!”

De achterblijvenden wuifden met zakdoeken en hoeden, wierpen kushanden op en droogden tranen.

En niemand lette op de worstelpartij tusschen Baxter, de politieagenten, Pinkerton en Tancred.

„Hier is Raffles!” riep Harrison tot zijn chef.

„Idioot!” brulde Baxter en hij gaf den man een vuistslag.

„Jullie bent gek!” riep Pinkerton tot zijn mannen, „daar aan boord staat Raffles! Laat dien man los!”

„Wie zijt ge?” vroeg Tancred nu aan Baxter.

„Politieinspecteur Baxter van Scotland Yard uit Londen. En wat voor een kameel ben jij?”

„Commissaris Tancred uit Parijs!”

De detectives keken elkander eenige oogenblikken totaal verbluft aan, tot ieder losbarstte in een vloed van scheldwoorden. En daartusschen door klonk plotseling een hartelijk lachen. Dat was detective Marholm.

Die was op een ton gaan zitten en lachte, tot hij niet meer kon en met de voeten tegen het leege vat trappelde.

Aan de borstwering van deze boot echter stonden drie personen.

Nummer een was Charly Brand of, zooals hij zich had laten inschrijven, mr. Harry Smith uit Chicago.

Hij was bleek van zenuwachtigheid en een zee-officier naast hem zei:

„Wel, bij u doet de zeeziekte zich al gauw gevoelen! Ga mee en laat ons een flink glas whisky drinken!”

En nog een tweede stond daar, die het dringend noodig had, om een stevig glas whisky te drinken en dat was de ontvluchte detective Wagner.

Nummer drie echter was John Raffles. Hij stond tegen de borstwering geleund en keek door den kijker naar de worsteling tusschen de detectives.

Hij begreep terstond den samenhang van de heele geschiedenis en om zijn mond speelde een glimlach.

Hij ging het dek wat op en neer wandelen en stak z’n zooveelste sigaret op. Op de passagierslijst stond hij ingeschreven als sennor Lobec uit Cuba.

Raffles had zich uitstekend vermomd met een bruinen baard, zoodat zelfs Charly Brand hem niet herkende.

Eerst op den vierden dag van de reis knoopte hij, met dezen, in het bijzijn van een zeeofficier, een gesprek aan over het weer.

Niemand mocht ook maar vermoeden, dat dit tweetal bij elkaar behoorde.

Raffles was al heel gauw op zeer goeden voet met dezen officier, die hem het heele schip liet zien, zoodat Raffles er al gauw den weg wist en ook de bergplaats [26]zag, waar de kist stond met den zilveren apostel, die voor den paus bestemd was.

Toen de officier de ruimte afsloot, zei Raffles tot zich zelven:

„Een heel eenvoudig slot, dat doodmakkelijk te openen is.”

Na een tocht van twaalf, dagen doemden eindelijk de lichten van den vuurtoren van Genua op: de passagiers hadden hun bagage bij elkaar gezocht en wachtten vol ongeduld, dat de stoomboot zou aanleggen. Langzaam stoomde deze de haven binnen.

Bij de laatste pier naderde een politieboot.

In het volgende oogenblik klauterde een half dozijn Italiaansche detectives en even zooveel karabiniers aan boord en de hoofdman deelde den kapitein mede, dat de veelgezochte Raffles op het schip was.

De kapitein dacht eenige seconden na.

Toen zei hij:

„Ik heb hier aan boord een passagier 2de klasse, die mij wel een beetje verdacht voorkomt. Hij heeft hut nummer 48.”

De stoomboot had nog een half uur te stoomen en de detectives hadden intusschen tijd genoeg om hun onderzoek in te stellen.

Toen mr. Wagner de detectives zijn hut zag binnenkomen, brak hem het angstzweet uit.

„Kunt ge u legitimeeren?” vroeg de Italiaan.

„Neen,” antwoordde Wagner met bevende stem, „maar ik weet, waarvoor ge komt. Ik zweer u echter, dat ik het sieraad niet gestolen heb.”

„Welk sieraad?” vroeg de ander.

Wagner deed een omslachtig verhaal.

De Italiaansche politieman verklaarde hem in voorloopige hechtenis te zullen nemen totdat uit Amerika de noodige opheldering kwam.

De Italiaan zag echter ook terstond dat Wagner niet de veelgezochte Raffles was.

Daar trad de eerste officier naar hem toe met een visitekaartje in de hand.

„Zie eens hier, heer commissaris” zei hij, „ge hebt gelijk! Een steward bracht mij zoo juist dit pakje. Wij hebben John Raffles aan boord. Hij zond ons dit tot aandenken. Zijn baard en zijn kaartje. Lees maar eens!”

De politieman las:

Den slimmen Amerikaanschen, Engelschen, Franschen en Italiaanschen politie-beambten, bijzonder inspecteur Baxter, zijn trouwen collega’s uit New-York en, den Parijschen commissaris Tancred zend ik mijn besten dank voor de grappige scene voorgevallen bij mijn vertrek uit New-York. Voorts groet ik de Italiaansche detectives en ik betreur het, dat ik hun gelaatsuitdrukking niet kan zien, als zij deze kaart lezen.

JOHN C. RAFFLES
alias LORD LISTER.

De Italiaan stiet een geduchten vloek uit en toen rende hij naar de landingsplaats, waar alle passagiers langs moesten gaan. Hier kon Raffles niet ontkomen.

Langzaam liepen de passagiers nu de loopplank af, scherp gadegeslagen door de detectives. Nu was ook de laatste reeds voorbijgegaan, maar Raffles was er niet langs gekomen.

„Haal de landingsbrug op!” beval de kapitein, „het schip zal net zoo lang doorzocht worden, tot we hem hebben!”

De matrozen en stewards maakten zich ten jacht gereed. Geen plekje bleef ondoorzocht. Maar niets was er van Raffles te ontdekken. Alles, wat er van hem was overgebleven, was de zwarte baard. En dat was bedroevend weinig.

„De kerel is over boord gesprongen”, meende de kapitein en met deze boodschap konden de Italiaansche detectives van boord gaan. En dit bericht werd ook naar Pinkerton en naar Baxter getelegrafeerd.

De passagiers hadden intusschen vol ongeduld in het douanegebouw op hun bagage gewacht.

Eindelijk kwam het van boord.

„Aan Zijne Heiligheid Paus Pius X”, las een der tolbeambten op het metalen schild, dat op een groote [27]kist was bevestigd, waarin de firma Tiffany het geschenk voor den paus had verpakt.

De beambte keek het begeleidende papier in en las op:

„Mr. Harry Smith!”

Deze kwam uit het gewoel te voorschijn.

„De kist is vrij van invoerrechten,” zei de beambte, „ge kunt die bagage meenemen.”

Mr. Harry Smith riep eenige dienstmannen, liet de kist opladen en reed er mee naar het station.

Voordat hij in den trein voor Rome stapte, gaf hij een telegram af voor het Vaticaan waarin hij de komst van het geschenk aankondigde.

Toen hij tegen den morgen aan het Centraal Station te Rome aankwam, werd hij door een ouderen geestelijke ontvangen.

Nadat de heeren over en weer de noodige beleefdheidszinnen hadden gewisseld, werd de kist met den zilveren apostel in het Lateraan gebracht, daar voorloopig uitgepakt en voor het hoogaltaar opgesteld. Hier moest het geschenk eerst gewijd worden, voordat de paus het aanvaardde en uitmaakte, wat hij er mede zou doen.

Mr. Harry Smith intusschen was afgestapt in „Hotel Continental”, zooals Raffles met hem had afgesproken.